In dit boek wordt op een heldere en toegankelijke manier geschreven over het welzijn van dieren in de veehouderij: over de wetenschappelijke kennis die ontwikkeld is, hoe je kan vaststellen dat het dierenwelzijn slecht is en hoe je wetenschappelijke kennis kan toepassen om het dierenwelzijn te verbeteren. Maar bovenal wordt in dit boekje duidelijk waarom, ondanks al die wetenschappelijke inspanningen, het dierenwelzijn in de veehouderij in de praktijk van alledag niet verbetert.  

auteurs: Francien H. de Jonge en Eric A. Goewie
van Gorcum BV, ISBN 90232 3554 1, zie ook onderaan dit artikel.

rancien de Jonge is etholoog en Eric Goewie is hoogleraar biologische landbouw. De auteurs zijn verbonden aan de leerstoel Biologische Landbouw en Samenleving van de Universiteit van Wageningen.

     

Samenvatting

Ondanks 30 jaar maatschappelijke kritiek, 20 jaar onderzoek en 10 jaar actief dierenwelzijnsbeleid, is de ernst van de dierenwelzijnsproblematiek in de intensieve veehouderij niet afgenomen. Qua aard en omvang is zij zelfs toegenomen. Vaak wordt beweerd dat er onvoldoende wetenschappelijke kennis over dierenwelzijn beschikbaar is om de problemen op te lossen. Die stelling blijkt onjuist. Er is voldoende wetenschappelijke kennis om huisvestingssystemen te ontwerpen waarin het dierenwelzijn goed is. Het ontbreekt echter aan de economische randvoorwaarden om deze systemen in de praktijk van de intensieve veehouderij te implementeren.

  Er zijn verschillende wetenschappelijke instrumenten ontwikkeld om de minimumeisen te formuleren waaraan huisvesting en verzorging van productiedieren zouden moeten voldoen. Die minimum randvoorwaarden worden gegeven in de zogenaamde "lijst met vijf vrijheden" die ook door de Europese landbouwraad als referentiekader voor toekomstig beleid wordt genoemd. Deze lijst omvat het " Vrij zijn van dorst, honger en ondervoeding, vrij zijn van fysiek en fysiologisch ongerief, vrij zijn van pijn, verwondingen of ziektes, vrij zijn om het gewone gedrag te kunnen uitvoeren en tenslotte het vrij zijn van angst en chronische stress".
Daarnaast zijn zogenaamde "negatieve welzijnsindicatoren" ontwikkeld die typerend zijn voor veehouderijsystemen waarin onvoldoende aan deze vijf vrijheden tegemoet gekomen wordt. Voorbeelden van negatieve welzijnsindicatoren zijn onder andere het optreden van stereotypieën, verminderde voortplanting en verminderde weerstand tegen ziekten. Aan de hand van de hierboven genoemde instrumenten kan men concluderen dat het welzijn van dieren in alle intensieve takken van veehouderij in Nederland (met name pluimvee, varkens, konijnen en in mindere mate ook de rundveesector) beneden een binnen het wetenschappelijk forum aanvaarde minimum drempelwaarde ligt.
     
De intensieve veehouderij produceert voor het bulksegment van de markt: een rendabele bedrijfsvoering door veel en goedkoop te produceren tegen lage winstmarges. De productiefilosofie in de intensieve veehouderij is daarom éénzijdig gericht op het verhogen van de productieëfficiëntie. Die productiefilosofie ligt ten grondslag aan het ontstaan van dierenwelzijnsproblemen, maar zij staat verbeteringen in dierenwelzijn ook in de weg. De noodzaak om efficiënt te produceren neemt naar verwachting nog verder toe bij een toenemende globalisering van de wereldmarkt. Zolang de intensieve veehouderij streeft naar behoud van de concurrentiepositie op het bulksegment van de markt, zijn structurele verbeteringen in dierenwelzijn onverenigbaar met de hieraan verbonden productiefilosofie. Meer onderzoek zal dan ook niet bijdragen aan het oplossen van de dierenwelzijnsproblematiek in deze sector. Het maatschappelijk debat over de wenselijkheid van diervriendelijker productiemethoden moet dan ook in eerste instantie gaan over de vraag of men in Nederland een type veehouderij tolereert dat produceert voor dit bulksegment van de internationale markt.   Tot nog toe is het beleid van de overheid erop gericht geweest de dierenwelzijnsproblematiek in de veehouderij te verminderen door het voortdurend aanscherpen van de wettelijke minimum eisen voor huisvesting en verzorging van dieren. Daarbij gaat de discussie vooral over de vraag hoe met de kleinst mogelijke aanpassingen in de bedrijfsvoering toch welzijnswinst kan worden behaald. Daarbij gaat men voorbij aan het feit dat deze welzijnsproblemen structureel aan de organisatie van de veehouderijsector verbonden kunnen zijn. Het steeds maar weer aanscherpen van de wettelijke minimum eisen voor dierenwelzijn is dan ook een beleidsstrategie die veel inspanning vergt en weinig welzijnswinst oplevert.
     
Structurele verbeteringen in dierenwelzijn kunnen wél bereikt worden in veehouderijsystemen waarbij dierenwelzijnsbelangen in het verlengde liggen van de belangen van de veehouder. Dergelijke systemen zullen alleen ontwikkeld kunnen worden in een kwaliteitssegment van de markt waarin de "productie" van dierenwelzijn op bedrijfsniveau zodanig gehonoreerd wordt, dat dierenwelzijn, net zozeer als vlees, melk en eieren een "product" wordt dat bijdraagt aan het bedrijfsinkomen van de boer. Het beleid van de overheid zou er dan ook op gericht moeten zijn om de juiste voorwaarden voor de ontwikkeling van een dergelijke kwaliteitsmarkt te scheppen. Daartoe kunnen financiële instrumenten worden ingezet (onder andere fiscale) en beloningsinstrumenten worden ontwikkeld (waarbij de veehouder financieel gehonoreerd wordt voor het bereiken van een hoger niveau van dierenwelzijn). Daarnaast is vooral een effectieve communicatie over diervriendelijke producten met de consument, van belang. De neiging om zich maar neer te leggen bij het idee dat "de consument toch voor het goedkoopste kiest", remt in dit opzicht iedere innovatie en getuigt van een onderschatting van de maatschappelijke gevoelens van onvrede over de aard van de huidige productiemethoden.   Om een effectieve communicatie naar de consument te bevorderen, zal de overheid onder andere beleid moeten ontwikkelen dat erop gericht is een objectieve en transparante productinformatie te garanderen waardoor een wildgroei aan keurmerken kan worden voorkomen. Dat kan door een productinformatie te introduceren, waarmee het niveau van dierenwelzijn op alle dierlijke producten (van eieren tot drumsticks en van karbonade tot beenderlijm) verplicht wordt aangegeven.
     
Voor veehouderijsystemen die voor een kwaliteitssegment van de markt (zullen gaan) produceren, bestaat er wel degelijk behoefte aan meer wetenschappelijk onderzoek. Er is weliswaar veel wetenschappelijke kennis over de basisprincipes die van belang zijn voor het ontwerpen van diervriendelijke huisvestingssystemen, maar het ontbreekt aan meer toegepast onderzoek dat erop gericht is diervriendelijke productiemethoden optimaal te implementeren in de praktijk van de (diervriendelijke) veehouderij. Dat blijkt onder andere uit de praktijk van de biologische veehouderij: kennis die ontwikkeld is voor de gangbare houderij, blijkt vaak slecht bruikbaar voor de praktijk van de biologische veehouderij.  

De biologische veehouderij is een diervriendelijke vorm van veehouderij die er bovendien op gericht is dierenwelzijnsbelangen te integreren met milieudoelstellingen en het streven naar het behoud van landschaps- en cultuurwaarden in een leefbaar platteland. Ook de biologische veehouderij is echter vooralsnog niet vrij van welzijnsproblematiek. Onderzoek naar de optimalisatie van productiemethoden in de biologische veehouderij zou dan ook gestimuleerd moeten worden. Dergelijk onderzoek is belangrijk omdat de biologische veehouderij een voortrekkersrol kan spelen bij het ontwikkelen van concepten die voor de kwaliteitsproductie in de veehouderij als geheel relevant zijn.