“Modderman, ik maak me zorgen. We doen het slecht in de peilingen. Rechts rukt op, en het is nog zeven weken tot de kamerverkiezingen. En dan komen de Statenverkiezingen daar nog eens achteraan in maart 2007. Dat wordt een drama voor de opkomst. En wie moeten het hebben van een hoge opkomst? Juist, wij sociaal-democraten!”

  Deze aflevering 134 van het feuilleton Bij Hoog en Bij Laag, geschreven door Luuk Hajema, verscheen op 7 oktober in het Dagblad van het Noorden.
     

Hans Modderman, senior beleidsmedewerker Visie en Integrale Strategie bij de provincie Groningen, nam een slokje van zijn koffie. Voor hem liep gedeputeerde Gerrit Kanon te ijsberen, onderwijl grote wolken sigarenrook uitblazend.
“…en dan mogen we nog van geluk spreken dat het vandáág dierendag is, en niet op 22 november, of in maart volgend jaar. Dan was de ramp helemaal niet te overzien geweest…”
Dierendag? Ramp? Hans snapte niet waar de gedeputeerde heen wilde. Het antwoord liet niet lang op zich wachten.
“…drie jaar lang stonden we op winst en konden de regeringspartijen het schudden. Maar volgens de peilingen van vorige week zouden de PvdA en het CDA allebei 43 zetels halen. En de Partij van de Dieren één.”
“Nou én?” zei Hans. “Die ene zetel valt in het niet bij de titanenstrijd tussen Balkenende en Bos.”

Kanon schudde zijn hoofd. “Uilskuiken! Die ene zetel gaat net het verschil maken. En ik voorspel je: die beestenpartij haalt er niet één, maar vijf, of tien. Er hoeft nog maar één gevalletje van varkenspest of vogelgriep te worden ontdekt en ze lopen binnen. En dat gaat ten koste van links, want alleen mensen met een geweten interesseren zich voor het welzijn van dieren.”
“Mwah,” deed Hans. “Zo’n vaart zal het niet lopen.”
“Afgelopen week hadden ze een hele pagina in de Volkskrant,” vervolgde Kanon. Hij versnelde zijn pas. “En grote verhalen in de Telegraaf, het Dagblad van het Noorden en NRC Handelsblad. Onze vrienden van de pers kruipen voor ze. Eindelijk politici die je kunt aaien!” Hij huiverde. “Die dierenclub heeft een miljonair die hun campagne betaalt. Op alle stations hangen grote affiches met foto’s van lieve pelsdiertjes. En laatst deed ik de radio aan en hoorde ik Kees van Kooten reclame voor ze maken.”
“Meesterlijke imitatie van Hans Alders vroeger,” glimlachte Hans. “Weet je nog? Prof. dr Akkermans! Koos Koets! Dr Clavan!” Hij liet zijn stem zakken en baste: “Mijn naam is Cor van der Laak, en wel hierom!”
“Precies!” brieste Kanon. “Hele generaties zijn opgegroeid met Kees van Kooten en Wim de Bie en het Simplisties Verbond; óns soort mensen. En nu maken ze reclame voor de Partij voor de Dieren! In zeven weken kan er een aardverschuiving optreden, dat hebben we met Pim Fortuyn wel gezien. Weet je nog die ouderenpartijen, een tijdje terug? Zo maar uit het niets tien zetels!”

“Zijn dochter is ook leuk,” mijmerde Hans. “Hoe heet ze ook alweer, Kim. Meisje met, eh, veel talenten.”
“Haar vader is aan het dementeren,” stelde Kanon vast. “Niet simplistisch meer, maar knettergek. Het is bij de wilde spinnen af. De Partij voor de Dieren, dat gelóóf je toch niet?!” Hij hield stil en keek zijn topadviseur indringend aan. “Jij denkt dat ik spoken zie hè? Maar ik zit er nooit naast met dit soort dingen.” De gedeputeerde begon weer te ijsberen.
“Misschien moet de PvdA ook iets met dieren gaan doen,” opperde Hans. “Wouter Bos op bezoek bij Lenie ’t Hart, zeehondjes knuffelen. Is hij toevallig niet vegetariër? En als wij de subsidie aan die crèche van Lenie alvast verhogen? Ze wilde toch een nieuwe parkeerplaats?”
“Ik word omringd door louter idioten,” snoof Kanon.
“Heus,” zei Hans, “het valt wel mee. Zo’n dierenpartij zit vol mensen. Gestoorde types als Volkert van der G. Die gaan fouten maken. Of ze hebben al fouten gemaakt, en dat komt de komende tijd aan het licht. Dierenbevrijders die boeren bedreigen, dat soort zaken. Of erger!”

“Hm,” gromde Kanon. “Ik lust ze rauw. Gehákt maak ik van ze!” Hij grijnsde. “Dat van die fouten is een goed idee. Jij gaat op zoek naar belastende informatie. En je komt pas terug als je die hebt gevonden!”