De levende have, Koos van Zomeren interviewt Dirk Boon, hoogleraar Dier en Recht te Utrecht over zijn frustratie dat de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren, artikel 36, eerste lid nooit wordt toegepast.

 

Koos van Zomeren in het NRC,
25 augustus 2002

Zie ook Dirk Boon in de Leeuwarder Courant: "over 25 jaar is iedereen vegetariër".

     

In heb een vraag voor prof. Dr Dirk Boon:
"Als ik zeg", zeg ik, "dat koeien recht hebben op weidegang, wat zeg jij dan?"
"Zonder twijfel", zegt hij.
"En als ik zeg dat koeien in de wet recht hebben op schaduw?"
"Zeker", zegt hij, "dat is een hele goeie".
"Hm", zeg ik.

 

Hij, de jurist, wekt de indruk losser met het begrip recht om te gaan dan ik, de schrijver. In beide vragen werd het recht van koeien op dit of dat immers domweg gepostuleerd. Recht in overdrachtelijke zin. Ik zou het niet gauw gebruiken. Ik vind het een verlepte stijlfiguur. En zodra je het tot recht in formele zin wilt verheffen, kom je voor kolossale problemen te staan. Om te beginnen zou je moeten bewijzen dat het welzijn van koeien met weidegang en schaduw is gediend, en dan zit je altijd nog met de vraag hoe het recht van koeien op wélzijn (eventueel vermeerderd met het recht van het Nederlandse volk op een prettig gestoffeerd landschap) zich verhoudt tot her recht van boeren op een rendabele bedrijfsvoering.
   

Eén ding staat intussen vast: de wetgever hééft aan dieren rechten in formele zin toegekend.
We hebben plaatsgenomen in de deftige koelte van een lokaliteit in Zwolle, het postuur van gespreksgenoot een tikje rijziger dan het in mijn geheugen zat. Maar het galmende stemgeluid en de panoramische betoogtrant sluiten elke twijfel uit. Dit is Boon. Hij heeft een advocatenpraktijk in Groningen en een leerstoel in Utrecht. De eerste en enige hoogleraar Dier en Recht ter wereld, zoals hij mij op een geschikt moment in herinnering brengt.
Gevraagd naar zijn favoriete wetsartikel, citeert hij onverwijld en met groot enthousiasme het eerste lid van artikel 36 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren van 1992. "Het is verboden om zonder redelijk doel, of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zondanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen."
Neemt een slok thee en concludeert: "Een prachtig ding! Vooral die tussenzin - of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zondanig doel toelaatbaar is - die blinkt uit van schoonheid".

 

Het zal dus altijd een afweging van belangen zijn, die van het dier tegenover die van een ander. Voor de kat maakt het geen verschil of hij wordt opengesneden door een 16-jarige scholier met sadistische neigingen of door een 36-jarige wetenschapper op zoek naar een medicijn tegen aids, maar voor de rechter wel.
Of stel dat je aannemelijk maakt dat het weghalen van het kalf een elementaire aantasting is van het welzijn van de koe, dan nog kan het belang van de melkveehouderij prevaleren. Maar het kleinste vergrijp tegen het welzijn van nertsen zou al aanleiding kunnen zijn tot een verbod, als je aannemelijk maakt dat vrouwen geen enkele belang hebben bij het dragen van bont.
Zo zou je dit prachtige artikel, die schoonheid van een tussenzin, kunnen toetsen - en zo wordt het nooit getoetst.
   
De desbetreffende formulering stamt zo ongeveer uit de oudheid. Ze is ontleend aan twee bepalingen tegen dierenmishandeling die in 1886 werden opgenomen in het Wetboek van strafrecht. De minister van Justitie, Modderman, zat toen al op het spoor van dierenrechten. Maar uiteindelijk waren het niet de dieren die het recht kregen om gevrijwaard te blijven van pijn of letsel, maar de leden van de betere burgerij die het recht kregen om gevrijwaard te blijven van grofheden bedreven door het gemene volk.
Boon: "Zodoende zijn deze bepalingen onder delicten tegen de zeden terechtgekomen, naast artikelen over prostitutie en bedenkelijke handelingen met minderjarigen".
Pas rond 1980, bij de parlementaire handeling van de nota Rijksoverheid en dierenbescherming, werd besloten die zedelijkheidsgrondslag te verlaten. Toen werd tegenover de plicht om dieren netjes te behandelen het recht van dieren om niet in hun belangen te worden geschaad en in hun intrinsieke waarde te worden gelaten.

 

Boon: "Intrinsieke waarde, iedereen was er wég van, maar wat mij betreft kan dat begrip wel in de ijskast. Het is hetzelfde als belediging en smaad. Het bestaat, vast wel, maar je kunt er niks mee".
Nee, dan de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren van 1992, artikel 36, eerste lid - als het maar eens werd toegepast. Minimale jurisprudentie is er.
Een kat die in een met stenen verzwaarde zak in het water wordt geworpen. Pijn, letsel? Geschaad in gezondheid of welzijn? Broedende zwanen die door een boer worden overreden met zijn maaimachine. Dertig levende vissen die door een hengelaar in een plastic zak worden bewaard op de wallenkant.
Boon: "Steeds die moeizame redeneringen om iemand strafbaar te stellen. En als het al tot een veroordeling komt, steeds een heel lage strafmaat, 500 euro boete of veertien dagen hechtenis of zo".

   
De wet maakt onderscheid tussen gehouden dieren en niet-gehouden dieren. Bij gehouden dieren wordt vervolgens onderscheid gemaakt tussen productiedieren, gezelschapsdieren en proefdieren. Niet-gehouden dieren zijn op hun beurt onderverdeeld in dieren in het wild en schadelijke dieren.
Boon: "Een woud van regels en bepalingen, en behoudens de Wet op de Dierproeven is er niets wat werkt. De chaos wordt alsmaar groter. Je bindt je hond in het bos aan een boom en neemt in plaats daarvan een slang in huis en je begint op het balkon een rattenkweekje, want ja, die slang mag natuurlijk geen honger lijden - niemand die er wat aan doet".
En, nu pas echt op dreef: "Honderdzestig miljoen dieren worden in dit land gehouden en 90 procent daarvan, in de bio-industrie, is in meerdere of mindere mate ernstig in zijn welzijn benadeeld. En tot de overige 10 procent horen dan die zeven otters die onlangs zijn uitgezet in de vrije natuur. Dertig miljoen aan infrastructurele maatregelen, en die beesten een zender op hun kop, die mogen niet verdwijnen, dan zij we onze dure speeltjes kwijt. Die wreedheid aan de ene, die knuffelzucht aan de andere kant.

 

"Nooit", zegt hij, "nooit heeft de dierenbescherming iets bereikt. De trekhond werd pas verboden toen het vervoer allemaal allang gemotoriseerd was".
"Er zijn anders", zeg ik "varkenshouders genoeg die zeggen: ik mag niks meer met mijn varken".
Boon: "Minimumnormen betreffende vloeroppervlak, voederbaklengte, toevoer van water en daglicht. En één keer in de zeventien jaar controle!".
Ik: "En de wettelijke positie van het zeggekorfslakje is zo sterk dat hij de aanleg van een snelweg kan ophouden".
Boon: "Maar naaktslakken kun je met emmers vol bij het oud vuil zetten. Ook zoiets eigenaardigs: dat zeldzaamheidsprincipe, dat tref je verder ook nergens in de wet aan".
Nee, alleen voor artikel 36, eerste lid, zijn alle dieren gelijk, gehouden of niet-gehouden, zeldzaam of algemeen. Honderd procedures zouden er op dat artikel, die bijzin, moeten worden gevoerd. Dan weten we over tien jaar precies wat het mishandelen van mensen is.
Boon: "Ik wil de hele intensieve veehouderij afschaffen".
Ik: "Misschien moet je dan op eerder op de grondprijzen dan op de wet rekenen".
Boon: "Ik ben ervoor om de wet te handhaven. In feite leven we op dit terrein in een buitengewoon omvangrijke gedoogsituatie. Het is allemaal symboolwetgeving".
Ik: "En daar wil jij een eind aan maken?"
Boon: "Ik wil geen symboolprofessor zijn".