In het artikel 'Niet geheimzinnig doen' in de UniversiteitsKrant nummer 18 pleiten Groningse onderzoekers voor meer openheid over hun dierproefonderzoek. Maar in de praktijk is proefdiergebruik volslagen oncontroleerbaar, menen Barbara van Genne en Mirelle Kok van de Partij voor de Dieren.  

Auteurs Barbara van Genne en Mirelle Kok

De auteurs studeren respectievelijk biologie en IO/IB aan de RUG en zijn verkiesbaar voor de Partij voor de Dieren voor de Provinciale Statenverkiezingen Groningen. Daarna een reactie op een reactie als vervolg van de discussie.

     

Ieder jaar worden zo'n 700.000 proefdieren in ons land gebruikt en gedood in laboratoria. Niet alleen muizen, ratten, kippen en vissen zijn het slachtoffer van dierproeven. In 2005 werden volgens het jaaroverzicht van de Voedsel- en Waren Autoriteit 9390 konijnen, 2754 paarden, 2119 honden, 704 apen en 406 katten gebruikt voor de dierproefwetenschap.

Deze aantallen zijn echter geflatteerd, omdat alleen die dieren meetellen die daadwerkelijk in experimenten gebruikt worden. Dieren die worden gebruikt om mee te fokken en dieren die worden gedood omdat ze niet bruikbaar zijn voor het experiment, worden niet meegeteld. Maar ook deze dieren slijten hun leven binnen de muren van de laboratoria en komen daar aan hun eind. Proefdieren hebben geen aangenaam leven, en toch beweren de onderzoekers die deze dieren gebruiken grote dierenliefhebbers te zijn.

In het artikel `Niet geheimzinnig doen' zegt een aantal Groningse onderzoekers open te zijn over hun proefdiergebruik. Ze praten volop over hun openheid, maar geven nergens in het artikel aan wat ze zelf precies aan dierproefonderzoek doen. Er wordt gesteld dat wanneer onderzoekers open zijn over wat ze doen in de laboratoria, mensen wel begrip krijgen voor dierproefonderzoek. Impliciet worden mensen die kritiek hebben op dierproefonderzoek dus onbegrip en onvoldoende kennis over dierproefonderzoek verweten. Verbazend, aangezien de kritiek op dierproeven juist voortkomt uit kennis van de gang van zaken bij dit type onderzoek.

Het is natuurlijk goed dat laboratoria steeds meer hun deuren openstellen voor belangstellenden. Toch is er in Nederland niet zo veel openheid over dierproefonderzoek als in het artikel wordt gesuggereerd. Zo worden de aanvragen die door onderzoekers worden ingediend bij de Dierexperimentencommissies (DEC's), die nut en noodzaak van dierproeven moeten afwegen tegen het dierenleed, angstvallig geheim gehouden. Ook over de besluitvorming binnen de DEC'S wordt niets aan de buitenwereld bekend gemaakt.

Het proefdiergebruik is daardoor volstrekt oncontroleerbaar. Bovendien wordt door deze geheimzinnigheid verdubbeling van onderzoek in de hand gewerkt, waardoor veel overbodig en onnodig onderzoek op dieren wordt uitgevoerd. Wanneer onderzoekers echt minder proefdieren zouden willen gebruiken, zouden ze zich kunnen inzetten voor openbaarheid van deze DEC-procedures, zoals ook de Tweede Kamer wil.

Op 30 januari jongstleden is er in de Tweede Kamer een motie over dit onderwerp aangenomen. De jaarverslagen van de DEC'S zullen daardoor in de toekomst openbaar zijn, waardoor democratische controle op de afwegingen rond proefdiergebruik beter mogelijk wordt.

De Groningse onderzoekers stellen dat de Nederlandse wetgeving wat aan de strenge kant is. De Nederlandse regels voor dierproeven zijn echter niet meer dan fopspenen.

Commerciële belangen, concurrentiestrijd en prestige blijken, naast het welzijn van mensen, vaak van grote invloed te zijn op de zoektocht naar nieuwe, soms weinig vernieuwende, producten. Opzettelijke geheimhouding van wetenschappelijke informatie voor de concurrent werkt deze ontwikkeling in de hand. Dit zorgt voor oneindig veel variaties op dezelfde of gelijksoortige experimenten, waardoor onnodig veel dieren moeten lijden. Derde geldstromen beïnvloeden onderzoek bovendien steeds meer, waardoor vraagtekens geplaatst dienen te worden bij de onafhankelijkheid en hiermee nut en noodzaak van onderzoek.

Verder wordt in het artikel gesteld dat het lastig is voor wetenschappers om zich te verweren tegen de anti-proefdierlobby en juist campagne te voeren voor dierproeven. Die uitspraak laat overduidelijk zien waar een van de grootste knelpunten zit ten aanzien van proefdiergebruik. Nog veel onderzoekers klampen zich wanhopig vast aan het gebruik van proefdieren en houden zich daarom nauwelijks bezig met het zoeken naar de beste onderzoeksmethode om hun onderzoeksvraag op te lossen. Proefdiergebruik is een vanzelfsprekendheid geworden; het middel is belangrijker geworden dan het doel.

Er is veel geld beschikbaar voor dierproeven en maar weinig voor het ontwikkelen en toepassen van alternatieven. Jaarlijks wordt er door de Nederlandse overheid slechts 0,9 miljoen euro uitgegeven aan alternatievenonderzoek, tegenover 500 (!) miljoen euro aan dierproeven.

Het gebruik van proefdieren in Nederland kan pas echt teruggedrongen worden wanneer er over de volle breedte sprake is van openbaarheid en transparantie en er meer geld en aandacht voor het ontwikkelen en toepassen van alternatieven komt.

 
Tot zover de 2 studentes. Op het artikel reageerde Gerald de Haan en weer daarop reageerde E.D.. Diens reactie wordt hieronder geplaatst.
 

DIERPROEVEN ALS HOBBY

Graag maak ik enkele kanttekeningen bij de reactie van prof. dr. Gerald de Haan, ‘Dierproeven zijn voor niemand een hobby’ (UK 24; 8 maart j.l.).  

  1. Anders dan De Haan beweert, zijn dierproeven aan de RUG wel degelijk een hobby. Er is niemand die hem ertoe dwingt, sterker: hij heeft zelfs naar de job gesolliciteerd! Dierproeven worden hier gedaan uit wetenschappelijke nieuwsgierigheid. Het betreft geen wettelijk voorgeschreven proeven zoals de farmaceutische industrie die uitvoert.
  1. De Haan meent een rechtvaardiging te kunnen vinden in de duur van procedures die doorlopen moeten worden voor een vergunning om dierproeven te mogen doen. Ten onrechte: die is hierin niet te vinden.

Zo worden er door een Dierexperimentencommissie (DEC) gewoonlijk omstreeks 15 aanvragen in één keer ‘behandeld’. Van een ethische afweging is geen sprake.
Over de kwaliteit van deze adviezen en de gang van zaken in onze DEC schreef René Franssen een aardig artikel. (‘Het is soms schrikbarend slordig wat onderzoekers indienen’ in: Bionieuws 22, 19-12-2003; zie: www.bionieuws.nl)

  1. De kwestie van de overbodige proeven wordt een welles-nietes verhaal, als we niet beschikken over een goed inzicht in de aard en het aantal. En zolang alle DEC-vergaderingen en adviezen geheim zijn, kunnen we er slechts naar gissen. Maar dat er doublures zijn is alleen al gezien de aantallen zeker. Van alle dierproeven wordt slechts een miniem deel gepubliceerd. Proeven worden ook veelvuldig herhaald; op die manier blijken gewetenloze onderzoekers soms ook nog bedriegers te zijn (o.a. de Koreaan Hwang Woo-Suk).
  1. In hoeveel bochten De Haan zich ook wringt - er is geen rechtvaardiging voor het doen van dierproeven. Proeven op levende wezens die daarvoor geen toestemming kunnen geven, zijn immoreel. Dat ze desondanks plaatsvinden is gegrond op het recht van de sterkste. Voor machtsmisbruik zijn altijd (drog)redenen aan te voeren. De geschiedenis toont dit overvloedig aan – tot op de huidige dag.

E.D.

Op bovenstaande bijdrage reageerde weer redacteur René Fransen waarop Ed Destree onderstaande reactie schreef die de UK niet meer wilde publiceren en de discussie voor gesloten verklaarde.

Dierproeven: de schaamte voorbij

Graag maak ik enkele kanttekeningen bij de reactie van de heer René Fransen, getiteld: Afschaffing van dierproeven vergroot menselijk leed (UK nr. 26; blz. 4).

0.      Hypothese. De hypothese van Fransen, blijkend uit de titel, is onvolledig. Immers: tegenover (mogelijke) vergroting van menselijk leed staat een vermindering van het dierlijke leed. Daarbij staat het geenszins vast dat afschaffing noodzakelijk tot vergroting van menselijk leed leidt en wel om twee redenen. De eerste is dat de huidige geneeskunde in zeer veel gevallen helemaal niet doet wat ze pretendeert: genezen. De tweede is dat afschaffing van dierproeven geen afschaffing van de geneeskunde inhoudt: er zal een andere geneeskunde ontstaan.

En verder: waar blijft de moraal?!

 1.      “Hobby”. Niemand wordt gedwongen tot het doen van dierproeven. Het is een vrije keuze. Zelfs farmaceuten maken vrijwillig vuile handen. Wel heeft de productie in die sector te maken met wettelijke testvoorschriften. N.B. Ook het ambt van Statenlid is een hobby, in dit geval een respectabele: vrijetijdswerk, onbezoldigd.

“Maar is het een echte waakhond? Ja, als het gaat om de bewaking van de kwaliteit van de experimenten en de minimalisering van het dierenleed binnen de proeven. Maar niet zo’n strenge waakhond, als het gaat om meer fundamentele vragen. Zoals: kan dit onderzoek niet zonder proefdieren, moet deze proef echt wel doorgaan?”

3.      Doublures. Mijn stelling is dat slechts een miniem deel van alle dierproeven wordt gepubliceerd. Het verbaast mij dat Fransen het daarmee oneens is. Hij zal toch ook weten dat het allerminst eenvoudig is artikelen gepubliceerd te krijgen in tijdschriften die ertoe doen: die iedereen leest. En zelfs nog los daarvan: in geen enkele publicatie wordt het aantal proefdieren verantwoord. Hier geldt nog: de schaamte niet voorbij.

4.      Medicijngebruik. De slotzin van de reactie is zo’n dooddoener dat je je afvraagt of het echt zo is dat Fransen voor het eerst kennismaakt met de afwijzing van vivisectie. Wie medicijnen moet gebruiken is er erg slecht aan toe, zo slecht dat hij of zij de bijwerkingen op de koop toe neemt. Maar men heeft geen keus: er is niets beters, er is geen medicijn dat niet op dieren getest is.

Last not least: voor de bestaande medicijnen zijn ontelbare dieren mishandeld en gedood. Dat verkleint de ‘schuld’.

Ed Destree