Nederland telt naar schatting 1,8 miljoen honden. We zijn er dol op. Maar een hond niet op ons.
Want elke hond is een hoer, al vertellen ze dat er van tevoren nooit bij. Dierendag 2006: hoe een droomhond een gelukkig gezinnetje terroriseert.

 

Door Jean-Pierre Geelen

Uit: de Volkskrant, 4 oktober 2006

     

Wat krijgt Saffy vandaag? De Cooling Bandana van Dogs Included? Het Tijgerprint-puntmutshuis uit Saskia’s Dierenpaleis? Of toch het Donsjack Puppia van Fashiondog?
Wraf!, een mallig ‘lifestylemagazine voor baasjes’ kan blaffen wat het wil, maar Saffy krijgt even helemaal niks vandaag. Saffy is niet al te braaf geweest de afgelopen vier jaar.
Het is een beest dat alles goed moest maken. Een vriend voor de dochter des huizes, die haar overtollige liefde eerder te pletter had zien slaan op een wandelende tak die al na drie maanden uit het leven stapte en een agressief konijn waarvoor we uiteindelijk nog een heel mooi plekje op de kinderboerderij wisten.
Een hond dus. Geen Mechelse spleetlikker of keffend kruisruikertje, maar iets handzaams waar toch mee te rennen viel.
Het werd Saffy, een kniehoog vuilnisbakkie met aaibaarheidsfactor 12. Voor de kenners: iets tussen een Friese stabij en een flatcoated retriever; zwarte lange haren, een subtiel toefje wit aan de punt van zijn staart, met een gezonde glans die doet vrezen dat ie nog jaren meegaat.
Hij (of eigenlijk: zij, maar aan die onzin doen wij niet mee; elke hond is een hij, anders ga je hem straks nog met ‘majesteit’ aanspreken) is niet helemaal lekker, denken wij. Dat hadden we achteraf al moeten zien bij het eerste bezoek op de woonboot waar hij geboren werd. Het leek de eigenaren een goed idee alle acht pups in een mand mee te nemen naar het aanpalende weiland. Niet jij kiest een hond, zeggen ze, maar de hond kiest jou. Inderdaad: daar, in het natte gras, was er eentje die met rasse schreden op zijn vertederde nieuwe baasjes afkwam om zich te laten optillen.
Liefde op het eerste gezicht, dachten wij. Als de dood voor natte pootjes, leerden wij veel later pas.

Saffy bleek al gauw een nephond, de grootste tuttebel uit het nest, die bij regen domweg weigert het huis te verlaten, de pootjes in een plas te zetten, laat staan op een zomerse dag met wapperende oren euforisch achter een balletje aan de zee in te springen, zoals het hoort.
Op straat doet ie het goed – die donkere slungel met zijn reebruine ogen en kromme plaspoten wekt nog altijd vertedering. ‘Nog een jonkie zeker?’, is een vraag die we nog bijna dagelijks moeten tegenspreken.
Een droomhond, kortom.
Wat is er dan loos met Saffy?
Veel. Hij is neuroot. Nerveus gefixeerd op ons doen en laten, je volgend tot aan de toiletdeur, die hij het liefst nog met je zou passeren. Buiten kan hij uitzinnig blaffen. Hij haat honden, maar ook een ritselend plastic zakje in de bosjes of een verdachte steen kan het beest in hem losmaken.
Saffy heeft verlatingsangst – natuurlijk. Op het dwangmatige af. Feilloos herkent hij de allereerste signalen: een stap richting kapstok, een lipstick uit het laatje op de badkamer, om direct in de piep-en blafstand te schieten.
Tijdens een wandeling is zijn vijftien kilo zuivere trekkracht genoeg om je arm uit de kom te trekken. Ongeacht de richting: Saffy gaat voorop. Keer je voor straf resoluut om, dan trekt hij even resoluut met je mee; altijd vooruit, op weg naar nergens. Pas als je hem loslaat, begint hij sloom te snuffelen aan een boom of lantaarnpaal.
Hoewel zelf zwart, is Saffy een racist, die zijn afkeer van hoofddoekjes en lange jurken bij voorkeur botviert op moslima’s die het wagen zijn pad te kruisen.
Frustraties te over. Huisbezoek betekent gebrek aan aandacht, hetgeen hij het baasje betaald zet door volkomen geluidloos de houten trap af te dalen, de gang onder te pissen, ongemerkt weer boven te komen om schijnheilig kwispelend het gezelschap te begroeten.
Kortom: geen land mee te bezeilen.
Honden zijn helden, als je de literatuur mag geloven. Slim, intelligent, reddende engelen en tranentrekkende goedzakken. Maar Saffy kent zijn literatuur niet. Als hij zo doorgaat, wordt ie nooit een beroemde hond. Geen Bobbie, geen Idéfix, geen Lassie. Niet Willem uit Kees van Kootens bundel Veertig, niet Tikker van Jan Siebelink, niet Rekel van Koos van Zomeren – dieren die je nooit gekend heb, maar waar je toch om kunt snotteren.Tranen om Saffy zijn al wel vergoten. ‘Hij lijkt wel een pitbull!’, schreeuwde zijn bazin radeloos nadat het monster haar weer eens grommend over straat had getrokken. Zeven maanden huisterreur hadden haar tot wanhoop gedreven. Net toen het door ons verfoeide asiel (het symbool van mislukking) een optie begon te worden, bond hij in – het loeder. Mocht ie toch weer blijven.
     

Wij houden van honden. Maar niet van hondse honden. Wat mensen aantrekt, is de mens in de hond: zijn trouw, zijn onvoorwaardelijke liefde, gehoorzaamheid en ongelimiteerde levenslust. In de hond willen wij menselijkheden weerspiegeld zien die veel mensen helaas  ontberen. Niet het hondse: zijn snufferd in het kruis van je bezoek, het kwijlen, in huis pissen, blaffen bij het alleen zijn, of het rijen tegen je onderbeen.
Saffy is meer hond dan mens. En dus zaten wij de eerste maanden braaf op puppiecursus in het klasje van de Happy Hond. Na afloop ging hij zitten op bevel, maar voor het overige leek hij het meest op Snoopy, die gehoorzaamheidstraining maar onzin vond omdat zijn baasje Charlie Brown toch altijd al deed wat hij wilde.

Slapen deden we bij toerbeurt op een luchtbed in de huiskamer, op kalmerend korte afstand van het keffende kreng in de keuken – wie geluk had, mocht vier uur slapen zonder gepiep.
Omdat Saffy bleef blaffen, schaften wij voor maar 30 euro een verstuiver aan voor in het stopcontact. De walm die het flesje verspreidde, bevatte elementen van nestgeur, die het dier moesten geruststellen. Het deed niets.
Om het trekken tegen te gaan, lieten wij ons de ‘gentle leader’ (slechts 25 euro) aansmeren: een neusband die zijn kop opzij rukt zodra de hond trekt. Het helpt, alleen raakt het arme beest er hopeloos van in de stress; voetgangers lopen angstig om in de veronderstelling dat die muilkorf wel een reden zal hebben.
Slechts 120 euro telden we neer voor de Aboi-stop: een anti-blafband. Een reservoirtje (navullingen à 20 euro verkrijgbaar) aan de band spuit een wolkje citronella voor hem uit zodra het microfoontje een blaf registreert. Mocht je hond doorkrijgen dat hij met opzij blaffen de wolk citrusgeur kan ontwijken, dan ruikt het bij thuiskomst nog altijd alsof er net is schoongemaakt – geen overbodige luxe in menig hondenhuishouden.

Wij troosten ons met de gedachte dat het nog veel gekker kan. Op websites vindt de ware dierenvriend de wildste snufjes om Moeder Natuur de baas te blijven: halsbanden met stroomstoten, ultrasonore geluiden die de hond in de war moeten brengen, of de Petsafe Smart Fence, een vernuftig setje met zender en ontvanger waarmee u voor een luttele 232 euro Bello ongeveer radiografisch bestuurbaar maakt.
Helpen doet het niet. Saffy blaft niet meer – het is onze mantra geworden, een echo uit een verre utopie. Wij zijn ervoor in therapie geweest. Letterlijk. De hondenfluisteraar die voor 80 euro per sessie bij je langskomt, leerde ons Saffy met kleine stapjes te laten wennen. Hij op de gang, jij tegen de dichte deur in de huiskamer, hardop lezend, terwijl je zijn gesnuif tot in je bilspleet voelt. Stap twee was een paar meter verderop zitten praten, gevolgd door het huis verlaten, gedurende 15 seconden, 30 seconden, een minuut.
We verlieten het huis met de radio aan. Een bliksembezoek aan de buurtsuper zou de schade het meest beperken. We speelden cassettebandjes voor hem waarop we voorlazen uit Jip en Janneke – resten uit de vroegste jeugd van kindlief.
Toen meldde zich buurvrouw: Saffy blaft zo, de laatste tijd.
De dierenarts had kalmerende pillen in de aanbieding die een verdoofde junk van hem maakten, begane kennissen raadden Bachbloesemtherapie aan via de homeopathische dierenarts aan de andere kant van het land. Zelfs kwam Martin Gaus in beeld; we dreigen Saffy wel eens met het spookbeeld van Lelystad. Voor een fors bedrag mag je hond er drie weken ‘intern’ op gedragstherapie. Niet duur voor drie weken herwonnen vrijheid, en je hond schijnt zich er feilloos te kunnen houden aan de Gaus-geboden. Tot hij thuiskomt en zijn oude gewoonten snel hervat.
Onze nieuwste goeroe is dood, maar gelukkig heeft hij een boekje nagelaten: Denken als een hond, niets is illustratiever voor ons verval. John Fisher, zoals de Amerikaanse schrijver heet, is een Amerikaanse Martin Gaus. De gedachte: een hond is een roedeldier, het gezin is de roedel. Door hem te overstelpen met liefde, plaats je hem hiërarchisch bovenaan, terwijl zijn plek juist onderaan hoort te zijn – een paradox waar het arme beest zelf ook geen raad mee weet. Elke aanhaling bevestigt die toppositie, elke kriebel onder zijn oor wakkert zijn dominantie aan, en degradeert jou tot slaafse sukkel.
‘Een hond kiest linea recta de ingang naar je hart’, zegt hondenvrouwtje Belinda Meuldijk (veertien honden, vijf paarden en een nieuwe vriend) in de Wraf!

M’n hoela: elke hond is een hoer. De liefde is betaalde liefde, je verleidster doet alles voor eten. De grootste fout die je als klant kunt maken is geloven in die liefde. Een hond houdt niet van jou, een hond houdt van eten. Zolang jij degene bent die het hem geeft, kronkelt ie zich in alle poses, zet zijn verleidelijkste blik op en flirt hij zich kwispelend de kortste weg naar jouw schoot – verkocht ben je. Noem het wat je wilt, maar liefde is het niet.
Zelf lijdt Saffy ook onder onze liefde – vandaar zijn streken, zeggen de kenners – en hij is vast niet de enige. Zo’n 1,8 miljoen honden telt Nederland, volgens Dibevo, de organisatie van handelaren in dierenbenodigdheden. Hoeveel worden er doodgeknuffeld?
Om hem zijn natuurlijke plek te wijzen dienen wij Saffy volstrekt te negeren. Moegewerkt thuiskomen doen we net alsof we zijn opgewekt gekwispel niet zien. Star voor je uitkijken, wanneer hij met zijn favoriete pluchen konijn op je afkomt – totdat ie afdruipt. Niet reageren op die lodderige ogen waarmee hij in al zijn aaibaarheid zijn kop op je schoot legt – dat zal hem leren. En ligt ie in de weg, een kunst die Saffy toevallig perfect beheerst, dan loop je niet meer om hem heen, maar geef je hem liefdevol een stevige oplawaai: opzouten, teef!
Buiten schaven wij ons sinds kort aan gevelmuren – alleen door hem klem te lopen tussen onszelf en de muur dwingen we het opdringerige monster achter te blijven. Uit het standaardwerk van onze goeroe leren wij dat we van tijd tot tijd de hondenmand moeten bezetten, de heilige troon van koning Hond, die er ongestoord almachtig mocht zitten wezen, lamlendig voor zich uit kauwend op een snoepje dat wij, lakeien uit de onderste regionen, slaafs hadden bezorgd in ruil voor een korte flirt. Tijd voor revolutie.
Het is even wennen, die hondse behandeling. Vooral voor de baasjes. Hadden wij hem niet genomen uit liefde? Negeren zullen wij hem. Kleineren en blaffen naar het beestje. Uit pure liefde.

Het is alsof Saffy het zelf doorheeft: we boeken kleine succesjes. Dat mag ook wel. We zijn zo’n tweeduizend euro armer aan het legertje therapeuten met hun kruidendrankjes en hulpstukken. Voor dat geld hoeft Saffy heus niet van ons te houden. Maar als we hem nog even stevig aanpakken, vindt hij ons misschien best aardig.