Aanhangers van monogamie lijken verrukt wanneer ze ontdekken dat sommige diersoorten, zoals ganzen, aan paarvorming voor het leven doen. De bekende etholoog Konrad Lorenz heeft aandacht besteed aan gedrag van ganzen dat volgens hem op genegenheid wijst. Hij zegt daar volgens Gary Kowalski onder meer over: 'Het is werkelijk ontroerend om te zien  hoeveel genegenheid deze twee wilde schepselen tegenover elkaar tentoonspreiden. Elke lekkernij die het mannetje vindt, geeft hij aan zijn bruid en zij neemt het aan met de klagelijk bedelende gebaren en tonen die buiten dit verband typisch zijn voor babyvogels.'
Nu vormt monogamie voor zover ik weet slechts een uitzondering in de dierenwereld. Van de zoogdieren leeft naar verluid bijvoorbeeld maar 3 tot 5% (nagenoeg) monogaam. Het aangaan van een partnerschap lijkt in veel gevallen vooral of zelfs uitsluitend gericht te zijn op de voortplanting en daardoor is de band ook niet van lange duur.
Maar hoe zit het met het emotionele aspect wanneer een band langer stand houdt? Kan een individueel dier werkelijk genegenheid voelen voor een ander dier? Of kan het in elk geval een gevoel ondergaan dat sterk op (vormen van) de menselijke liefde lijkt? Deze vragen staan los van het type paarvorming dat van nature bij een bepaalde diersoort hoort. Een ouderdier zou bijvoorbeeld liefde kunnen voelen voor zijn jong en bovendien kan er sprake zijn van vriendschap tussen dieren die geen directe familie van elkaar zijn.

Besef, vertrouwen en genegenheid
Om van iemand te kunnen houden is het allereerst nodig dat men zich bewust is van diens bestaan als wezen met een 'binnenkant'. Het is dus niet voldoende wanneer je weet dat er een herkenbaar lichaam is dat zich op een bepaalde manier gedraagt, maar je moet het gedrag tevens opvatten als uiting van een innerlijk leven. Dit vergt in het algemeen een vrij hoge sociale intelligentie, zodat je mag verwachten dat gevoelens van genegenheid ook vooral bij 'hogere' sociale diersoorten voorkomen, dat wil zeggen voornamelijk bij vogels en zoogdieren. Dit lijkt vreemd omdat liefde en affectie bij de mens in het algemeen zo 'primair' aanvoelen. Maar je kunt alleen genegenheid voor een concrete ander ervaren als je beseft dat die ander net als jij een innerlijk leven kent. Zonder dat besef zie je de ander hoogstens als bron van prettige prikkels. Natuurlijk kan er daarbij wel sprake zijn van hechting, bijvoorbeeld van een jong aan een moederdier. Het kan psychologisch zelfs rampzalig uitpakken als daar geen rekening mee wordt gehouden. Maar hechting is nog niet hetzelfde als genegenheid, omdat je bij het laatste mede geÔnteresseerd bent in het welzijn van de ander en in de band die je met hem of haar hebt.
Dit geldt eveneens voor seksueel contact: het is niet nodig om te beseffen dat een ander wezen zelf ook gevoelens heeft om zijn uiterlijk of gedrag aantrekkelijk te kunnen vinden. Willen paren met een bepaald dier (dat dier 'begeren') is dus zeker geen garantie dat er echte genegenheid in het spel is. Overigens hoeven we dat betreft maar te kijken naar de menselijke seksualiteit, die - bij mannen zowel als vrouwen - uiteraard lang niet altijd gekoppeld is aan grote persoonlijke sympathie. Om liefde te kunnen voelen voor een specifieke ander gaat het er dus niet om of je met die ander wilt paren, maar je moet in elk geval wel doorhebben dat die ander net als jij een psychisch wezen is. Dit geldt voor een eventuele partner, maar ook voor vrienden en voor anderen, zoals familieleden, die je verzorgt of door wie je verzorgd wordt.

Vermoedelijk is er een grote variatie onder leden van verschillende diersoorten in de mate waarin ze andere dieren als subjecten zien en verder in de mate waarin ze in staat zijn zich een enigszins realistisch beeld van de beleving van de ander te vormen. Deze eigenschappen hangen zoals gezegd samen met  sociale intelligentie en het is te verwachten dat hier ook binnen een diersoort ontwikkelingsfasen en individuele verschillen in voorkomen. 
Overigens is sociaal besef onmisbaar, maar mijns inziens op zich nog niet voldoende voor individuele genegenheid. Er moet tevens de mogelijkheid zijn om iets te delen. We kunnen hierbij denken aan allerlei verschillende dingen, zoals voedsel, spel, samenwerking, gedachten, emotionele intimiteit of lichamelijke warmte. De genegenheid hoeft overigens niet per se beantwoord te worden om gevoeld te kunnen worden door een dier zelf.

Vermoedelijk ontstaat de genegenheid binnen het kader van sociaal besef wanneer men de ander vertrouwt als iemand met wie je wederzijds iets kunt delen of van wie je zorg kunt verwachten of aan wie je zorg mag verlenen. Naarmate het vertrouwen niet wordt beschaamd, maar juist verder wordt verdiept door allerlei ervaringen zal waarschijnlijk ook de genegenheid groeien.

Vriendschappelijke gevoelens
Bij mensen kan het opgebouwde vertrouwen worden beschaamd, wat het einde van de band kan betekenen. Dit zegt niet dat er tot dan toe geen echte vriendschap bestond. Iets dergelijks is evenzeer te verwachten bij dieren. Natuurlijk kunnen andere motieven, zoals machtswellust, een vriendschap slopen, maar dat wil niet zeggen dat er daarvoor slechts sprake was van schijnvriendschap.  Als twee mannelijke chimpansees bijvoorbeeld  vriendschap sluiten, kunnen ze daarbij volgens Frans de Waal gedreven worden door de behoefte aan een goede positie in de groep. Hierdoor zou je hun vriendschap kunnen vergelijken met een politieke coalitie. Wanneer die coalitie weinig voordelen meer oplevert, kan ze beŽindigd worden, maar dat betekent niet dat er nooit echte genegenheid is geweest. Overigens kunnen sommige chimpansees ook los van zulke politieke overwegingen met elkaar bevriend zijn, waarbij ze elkaar bijvoorbeeld vaak vlooien, samen op jacht gaan, voedsel met elkaar delen en elkaar beschermen tegen gevaren.

Er is relatief weinig onderzoek gedaan naar vriendschap bij dieren in het wild.
Waarschijnlijk kun je de capaciteit van veel leden van sociale diersoorten tot een soort vriendschap vergelijken met het vriendschappelijke potentieel van jonge kinderen. Ook al kunnen kleuters zich doorgaans nog niet bijzonder goed verplaatsen in het gevoelsleven van andere kinderen, dit wil niet zeggen dat ze totaal geen oprechte vriendschappelijke gevoelens koesteren. Hierbij gaat het meer om gradaties dan alles of niets. Je kunt dit vergelijken met de algemene discussie rond dierlijke intelligentie. Dat de meeste dieren de intellectuele capaciteiten van volwassen mensen niet evenaren, wil natuurlijk niet zeggen dat ze volkomen gedachteloos door het leven gaan.
Bioloog Marc Bekoff denkt dat veel dieren er vrienden op nahouden. Hij noemt allerlei aanwijzingen voor dierenvriendschap, zoals dicht bij elkaar slapen, elkaar groeten (zonder dat dit zuiver dient om hiŽrarchische verhoudingen te bevestigen), voedsel met elkaar delen, elkaars vacht verzorgen en natuurlijk met elkaar spelen.
Frans de Waal noemt loyaliteit als een belangrijk kenmerk van vriendschap tussen dieren. Hij noemt het voorbeeld van twee vrouwtjeschimpansees die meer dan 30 jaar vrienden bleven. Dat uitte zich onder andere in elkaar vlooien en elkaar bijstaan bij ruzies met soortgenoten.
Mannelijke tuimelaars (een dolfijnensoort) kunnen eveneens sterke banden met elkaar vormen en jarenlang met elkaar optrekken.

Uitingen van genegenheid
Het van nature bestaan van gevoelens van genegenheid kun je aflezen uit bepaalde soortspecifieke lichamelijke uitdrukkingsvormen. Wij mensen kennen bijvoorbeeld natuurlijke, aangeboren uitingen als elkaar een schouderklopje geven, omhelzen, strelen en hartelijk toelachen.

Wat mij persoonlijk al enige tijd stoort in dit verband is de manier waarop het bekende kopjes geven van katten regelmatig herleid wordt tot een afbakeningsdrift. Dit is niet alleen contra-intuÔtief maar het is bovendien uitsluitend aannemelijk als katten helemaal geen gevoelens van genegenheid kennen. Het is vergelijkbaar met de (fictieve) theorie dat mensen elkaar kussen vanuit een oerdrang om via de mond voedsel met elkaar te delen. Hoewel met name zoenen op de mond oorspronkelijk deze natuurhistorische achtergrond kan hebben, neemt dit absoluut niet weg dat mensen het doorgaans doen - afgezien van puur seksuele motieven - als uiting van genegenheid en gevoelsmatige intimiteit. Niemand minder dan de grondlegger van de biologische evolutieleer, Charles Darwin, vatte in zijn boek The Expressions of Emotions in Man and Animals bepaalde vormen van likgedrag van honden en het kopjes geven van katten gewoon op als 'affectionate'. Dat sommige mensen zo sterk twijfelen aan de gevoelsmatige achtergrond van zulke gedragingen werpt wat mij betreft vooral vragen op over de motieven van die mensen.

Overdreven scepsis
In het algemeen bestaat er binnen de westerse wetenschappelijke traditie een buitenproportioneel grote scepsis tegenover het bestaan van dierlijk bewustzijn in het algemeen en dierlijke gevoelens in het bijzonder. Dit heeft te maken met een materialistisch wereldbeeld waarbinnen subjectieve ervaringen doorgaans niet goed ingepast kunnen worden. Daarnaast is het een direct gevolg van het cartesiaanse concept van dieren als gevoelloze 'automaten'. Volgens Renť Descartes kunnen dieren niet eens pijn voelen, laat staan dat ze gevoelens van genegenheid kunnen koesteren. Het behaviorisme, dat streefde naar een natuurwetenschap van het gedrag, schrapte later ook zoveel mogelijk elke verwijzing naar bewustzijn.
De invloed van dit traditionele westerse gedachtegoed is helaas nog steeds goed voelbaar. Jeffrey Moussaieff Masson stelt wat dit betreft: "Of het nu een emotie of een drift is, in de meeste wetenschappelijke kringen is het verboden te zeggen dat dieren liefde voelen.” Hij noemt zelf voorbeelden van casussen waarin we als het mensen betrof, zouden spreken van liefde. Zo beschrijf hij een geval van een gezin van zes wolven, twee ouders en vier jongen: "De wolven huilden. Eťn van de jongen zat vast in een val in een kegelvormige steenhoop boven een plaats waar voedsel was verstopt. De andere wolven hadden in hun pogingen het jong te bevrijden al veel van de grote stenen omvergegooid en de bevroren aarde weggekrabd rond de steen waaraan de val was bevestigd.” Even verderop voegt Masson hier aan toe: "Betogen dat dit niet met menselijke liefde vergeleken kan worden, zoals veel theoretici doen, is een klassiek voorbeeld van wat Roger Fouts [bekende onderzoeker van gebarentaal bij mensapen] de rubberen liniaal noemt, waarbij de maatstaven veranderen al naar gelang het om menselijk of niet-menselijk gedrag gaat.” Hij wijst er voorts op dat een eventuele biologische achtergrond van gedrag dat op genegenheid wijst, helemaal niet impliceert dat het daarbij dus om iets anders dan echte affectie moet gaan.

Het is hartverwarmend om te zien dat auteurs als Jeffrey Moussaieff Masson, en met hem Mark Bekoff, Frans de Waal en Jane Goodall niet meegaan in de vreemde afwijzing van gevoelens bij dieren en opkomen voor (moreel verantwoord) onderzoek naar dit fenomeen. Natuurlijk erkennen ze daarbij dat kennis van de ethologie van een dier onontbeerlijk is om hun gedrag te kunnen interpreteren. Dat hebben we in 2007 nog kunnen zien aan het pijnlijke misverstand tussen een bezoekster van Diergaarde Blijdorp en de gorilla Bokito. Vanuit het ziekenhuis meldde deze vrouw: "Hij is en blijft mijn lieveling. Sinds hij in Blijdorp zit, maak ik contact met hem. Als ik mijn hand op het glas legde, deed hij hetzelfde. Als ik naar hem lachte, lachte hij terug". Een oppasser van Blijdorp had de vrouw enkele dagen voor de aanval gewaarschuwd en gevraagd afstand te houden en de aap niet recht in de ogen te kijken omdat hij dit als bedreigend kon ervaren.

Bovendien zijn er echte broodjes aap op het gebied van dierlijke genegenheid. Op YouTube kun je bijvoorbeeld een reeks foto's bekijken van een haai die door een visser uit een net gered zou zijn. Het dier zou hier zo dankbaar voor zijn dat hij de visser sindsdien overal volgde. De man zou de vervaarlijke haai daarbij mogen aaien alsof het een onschuldig lammetje was. Hoe leuk de clip ook is, het verhaal is volledig verzonnen en de gebruikte foto's blijken betrekking te hebben op verschillende haaien en helemaal geen verband te houden met warme gevoelens.
Wat dit betreft is het bekende verhaal uit de oudheid over de slaaf en de leeuw een stuk aannemelijker. De slaaf Androcles (of Androclus) hielp een leeuw van een pijnlijke zwelling aan een poot af door hem te verlossen van een lange doorn. Hij verbond zijn wond en er ontstond een hechte vriendschap tussen hen. Jaren later zou dezelfde leeuw Androcles als terdoodveroordeelde herkend hebben in het Romeinse circus, en zijn leven hebben gespaard. Hierom zou de keizer Androcles uiteindelijk gratie hebben verleend. Overigens zijn er ook cynische varianten op dit verhaal volgens welke de leeuw de slaaf wel herkende, maar daarna toch nog opat.
Wanneer we dierlijke genegenheid serieuzer leren nemen zal het zeker gemakkelijker worden het kaf van het koren te scheiden op dit gebied.

Artikel gepubliceerd in Vega! nr. 77, zomer 2008, blz. 22-24. Artikel gepubliceerd in Vega! nr. 77, zomer 2008, blz. 22-24.

Literatuurverwijzingen

  • Bekoff, M. (2003). Minding Animals: Awareness, Emotions and Heart. Oxford University Press.
  • Goodall, J.  (1999). In the Shadow of Man. Orion.
  • Kowalski, G.A. (1999). The Souls of Animals. Novato: New World Library.
  • Moussaieff Masson, J., & McCarthy, S. (1997). Wanneer olifanten huilen: Het gevoelsleven van dieren. Amsterdam: Vassalucci.
  • Waal, F. de (1982). Chimpansee politiek:  macht en seks bij mensapen. Amsterdam: Becht.
  • Waal, F. de (1988). Verzoening: vrede stichten onder apen en mensen. Utrecht: Het Spectrum.
  • Meer boeken van Frans de Waal.