door Paul Lucardie

Inleiding

De ongelukkige mus die zijn bezoek aan een hal met dominostenen met de dood moest bekopen, heeft weer eens een levendige discussie aangezwengeld over de manier waarop mensen met dieren omgaan.
Die omgang wordt vrij vaak gekenmerkt door geweld, al wordt dat veelal verstopt in slachthuizen, laboratoria, legbatterijen en afgelegen jachtterreinen. In de omgang met andere mensen proberen we geweld meestal te vermijden en problemen op te lossen door onderhandelen, of een beroep op de rechter – met andere woorden, door vormen van communicatie. Soms geven we zelfs gewoon toe aan wat de ander wil – dat heet in de wandel dan ‘liefde’.
Minimalisering van geweld en maximalisering van communicatie en liefde lijken me de belangrijkste principes in de omgang tussen mensen. In die volgorde. De principes hangen overigens nauw samen. Geweld en liefde sluiten elkaar praktisch uit, geliefden willen elkaar normaliter lijden besparen; communicatie veronderstelt in wezen de bereidheid van geweld af te zien - voorwaardelijk of onvoorwaardelijk - en versterkt liefde; omgekeerd zal liefde de communicatie meestal vergemakkelijken, al is dat niet altijd zo. [Ook bij ongelukkige liefde? Jawel, dan is de communicatie nogal eenzijdig]. Natuurlijk zijn er grensgevallen; als mijn geliefde onoplettend oversteekt en overreden dreigt te worden, zal ik haar met een flinke ruk aan haar arm trachtten te redden - geweld, omdat communicatie te lang zou duren.
Wat voor omgang met mensen geldt, duidt ook de richting aan waarin we met dieren om moeten gaan, dunkt me, ook al zijn er belangrijke verschillen.

 
Dat kan helemaal niet met dieren

Veel mensen zien dieren als weinig meer dan automaten, door instinct gedreven om te overleven en elkaar op te eten. Communicatie met dieren is dan onmogelijk en liefde al helemaal een illusie. Mensen praten wel tegen maar niet met dieren; dieren begrijpen niets van wat wij zeggen. Wat wij als liefde van huisdieren opvatten is slechts een geconditioneerde reflex op ons aanbod van voedsel en warmte.
Deze behavioristische interpretatie klinkt wel hard wetenschappelijk, maar verklaart in feite veel dierengedrag helemaal niet. Als we de populaire dolfijnen nu eens buiten beschouwing laten, kunnen we naar het voorbeeld verwijzen van olifanten die een soort begrafenis ritueel kennen en geroerd reageren op botten van overleden olifanten op hun pad.
Een voorbeeld uit de dagelijkse praktijk moge anderen overtuigen. Een kater uit de buurt, genaamd 'Duvel', die op zekere avond mij op mijn wandeling vergezelde - terwijl hij nog nooit eten van mij gekregen had en ik dat ook niet in mijn jaszak meedraag. De wandelingen werden een gewoonte. Hij kwam ook bij mij binnen, sliep soms op een stoel, en trok later helemaal bij mij in, met instemming van zijn "baas". Wanneer ik tegen tienen echter uitnodigend riep: 'Duvel, ga je mee?' stond hij vrijwel altijd op en volgde me. Soms was het weer niet zo best - gure wind, motregen en liep hij jammerend achter me aan. Hij had ook in de warme stoel bij mij thuis kunnen blijven liggen. Is dat geen liefde? Uiteraard kan een behaviorist alternatieve verklaringen verzinnen, bijvoorbeeld dat de kat ooit wel eens met zijn 'baas' een wandeling gemaakt heeft en toen na afloop beloond werd met eten. Navraag bij de buurman leert dat dat niet het geval was. Goed, dan hoopte de kat op de wandeling een muisje te kunnen verschalken? allemaal mogelijk, maar veel minder waarschijnlijk en theoretisch elegant dan de simpele verklaring: hij hield van mij en vond het gezellig met mij te wandelen.

 
Het onzekerheids-axioma

Een goed uitgangspunt in het denken over mensen en dieren lijkt me: we gaan ervan uit dat ze gelijksoortig zijn, totdat het tegendeel blijkt. Bij dieren is dat vrij vaak het geval.
De meeste verschillen zijn echter relatief, althans onder zoogdieren en in mindere mate gewervelde dieren. Mensen zijn tenslotte zoogdieren, net als apen, katten, honden en konijnen. We kunnen beter praten, abstract denken, voorwerpen manipuleren en elkaar vernietigen - maar zelfs die eigenschappen zijn niet helemaal afwezig bij de ons meest verwante zoogdieren, al zijn ze veel minder ontwikkeld. Als we eten, drinken, slapen, wandelen, de liefde bedrijven of ziek zijn en pijn lijden vallen de verschillen nog veel minder op.
Zijn mensen beter dan dieren? Vanuit de christelijke scheppingsmythe wel: naar Gods evenbeeld door Hem geschapen, is de mens bovendien aangesteld tot rentmeester over Zijn hele schepping, dieren inbegrepen. Dat rentmeesterschap houdt overigens verplichtingen in en biedt geen vrijbrief om naar willekeur van de andere schepselen gebruik te maken. Een rentmeester geniet doorgaans het vruchtgebruik van het bezit dat hij beheert maar moet dat bezit ooit aan zijn meester teruggeven zonder dat het waarde heeft verloren. Hoewel het machtigste deel van de mensheid al vele eeuwen dit geloof aanhangt, blijkt daar in de praktijk steeds minder van: steeds meer diersoorten worden uitgeroeid, om maar te zwijgen van planten en bossen, en laten we de vervuiling van grond, water en lucht maar even helemaal buiten beschouwing laten.
Darwin en zijn volgelingen leveren een tweede mythe van menselijke superioriteit: we zijn de laatste en daarmee hoogste stap in de natuurlijke evolutie van soorten en rassen. We passen ons beter aan dan andere dieren - dus mogen we hen ook overheersen. 'Might is right', macht schept recht. Trekken we dit argument door naar de verhouding tussen mensen, dan kunnen we ook de superioriteit van het "blanke ras" boven bruine en zwarte rassen verdedigen als we tenminste een zo omstreden begrip durven gebruiken. Sommige 'sociale' darwinisten gaan nog verder en zien de samenleving als strijdperk tussen superieure en inferieure individuen, waarin helaas soms een verzorgingsstaat meent te moeten ingrijpen om de inferieure individuen voor uitsterven te behoeden. Niet elke darwinist aanvaardt racisme en sociaal darwinisme, vaak beperkt men de 'struggle for life' tot het niveau van de soorten in hun geheel: de mens tegenover de andere dieren. Binnen die soort mogen solidariteit en wederzijds hulpbetoon hun nut hebben (om te overleven), daarbuiten niet.
De biologische waarde van deze theorie kan ik moeilijk beoordelen, maar de ethische waarde lijkt me gering. Waargenomen feiten worden al te snel vereenzelvigd met normen: omdat dieren zo handelen, moeten zij cq wij dat ook doen. Eigenlijk zijn wij dus ethisch helemaal niet beter dan dieren - we vechten allemaal voor ons bestaan met alle middelen - maar slechts slimmer. Mij lijkt echter de enige reden voor ethische superioriteit van mensen gelegen in ons vermogen af en toe eens te breken met die drang tot strijd en overleven, afstand te nemen - in welke vorm dan ook: meditatie, kunst, wetenschap, liefde - en juist de zwakkere wezens te helpen in plaats van te vernietigen.

 
Geweldloosheid binnen grenzen: muggen en vliegen

Communicatie met katten is naar mijn ervaring moeilijk, maar niet onmogelijk. Communicatie met insekten is veel lastiger. Een minimum aan geweld is dan haast onvermijdelijk, wanneer belangen botsen. Ik hoef me niet door een mug te laten steken, dat zou ik haast perverse liefde willen noemen: de mug houdt van mijn bloed, maar niet van mij als persoon. Praten helpt weinig. Mag ik hem dan doodslaan, als hij mijn levensnoodzakelijke nachtrust verstoort met naar gezoem en geprik? Paul Taylor en andere bio-ethici menen: vitale belangen van mensen mogen voor vitale belangen van dieren gaan, niet-vitale niet. Nu, van één muggebeet ga ik niet dood. Doodslaan vind ik dus een te extreem middel, al sluit ik het niet helemaal uit. De voorkeur verdient: vangen. Het kost enige tijd en vereist een goed af te sluiten, niet al te grote en sober ingerichte slaapkamer. Met behulp van een trapleertje en een plastic bakje kan bijna elke mug gevangen en naar buiten verbannen worden, is mijn ervaring. Vliegen vang je minder snel, maar onmogelijk is het niet. Zo kan geweld geminimaliseerd worden, zelfs in de omgang met dieren die heel weinig gemeen hebben met ons en waarvan we niet weten of en hoe ze ook pijn lijden.

 
Huisdieren

Op het eerste gezicht gaan de meeste mensen liefdevol en geweldloos met hun huisdieren om. Nadere analyse leert dat communicatie toch vrij snel plaats maakt voor subtiele vormen van geweld - al is het dan teder op de arm pakken van een poes of cavia, aan de lijn binden van een hond, in een kooitje opsluiten van vogels. Misschien vinden de dieren dat wel prettig - sommige mensen bedrijven ook de liefde met een zweepje - maar vaak hoor je ze beschaafd protesteren, miauwen, janken, piepen. Ook hier acht ik totale geweldloosheid onmogelijk, maar meen dat nog veel zachtaardig geweld vermeden kan worden. Bij katten en honden kun je met liefdevolle woorden ook veel bereiken; soms aangevuld met een schreeuw of een klein duwtje - op de grens van non-verbale communicatie en geweld, om te laten merken dat je echt niet wil dat de poes van je bord gaat eten. Je hoeft niet alles goed te vinden, dat geldt ook voor liefde tussen mensen. Het is echter verrassend hoeveel je met lieve woorden kunt bereiken. En met de juiste houding: een kat die niet een kamer wil verlaten, komt vaak wel als je voor de drempel hurkt en hem vriendelijk doch dringend toespreekt. Niet alleen de boven genoemde kater Duvel kwam dan nagenoeg altijd, ook andere katten die soms mijn huis bezocht hebben deden dat na verloop van tijd. Ik hoefde zelden langer dan een minuut te wachten. Had ik die minuut niet, dan gebruikte ik ook zacht geweld: achter de kat aan lopen en dreigen hem op te pakken. Soms duurde dat echter langer dan de geweldloze methode!

 
Drogredenen van carnivoren

Mogen we dieren slachten om op te eten?
Een drogreden van vleeseters, geïnspireerd door de filosofie van het utilisme: runderen, en zelfs varkens en kippen hebben het beter dank zij onze zorgen, anders zouden ze niet eens bestaan; dus verdienen wij daarmee het recht, na hen een paar jaar verzorgd te hebben te slachten en op te eten. Bij nadere analyse deugt deze logica niet. De filosoof Parfit toont dat fraai aan met zijn vreselijke (repulsive) scenario's. Stel je voor: een zelfvoorzienend eiland met een miljoen inwoners, die van de hulpbronnen op het eiland goed en aangenaam kunnen leven. De bevolking dreigt echter in de komende 25 jaar te verdrievoudigen en dan zal er schaarste heersen; niet zo erg dat eilandbewoners omkomen van de honger, maar wel zo dat de kwaliteit van hun bestaan merkbaar daalt - zeg, met de helft. De regering van het eiland overweegt nu geboortebeperkende maatregelen te nemen. De utilist zal dit echter afraden: hij streeft naar maximaal nut, dus liever drie miljoen half-tevreden mensen dan één miljoen helemaal tevreden mensen. Absurde conclusie, vindt Parfit - terecht lijkt me, zelfs binnen het utilistische vertoog. Voor dieren geldt dan dezelfde redenering: het is absurd te beweren dat we beter drie miljoen varkens kunnen fokken die een matig tevreden of ongelukkig leven leiden - scharrelvarkens lijken me matig tevreden, terwijl in de intensieve veehouderij van tevreden dieren erg weinig te merken valt - dan er bijvoorbeeld drie duizend wild en tevreden in het bos te laten lopen. Belangrijker dan het sommeren van 'nut' of 'tevredenheid' lijkt me het minimaliseren van geweld en lijden in het algemeen. Vlees eten brengt altijd geweld en leed voor dieren met zich mee.
Er is nog een tweede argument verscholen in de redenering van onze vleesetende vrienden. Verzorging van dieren zou de verzorger het recht op hun vlees verschaffen. Mogen verzorgers van invalide kinderen en bejaarden die na zoveel jaar ook opeten? Wat een perverse gedachte! Schande! Carnivoren worden erg boos als je dat vraagt. Mensen zijn geen dieren. Verschil moet er zijn. Dierenvrienden noemen dit een anthropocentrische, 'speciesistische' redenering. Maar laten we 'for the sake of the argument' even aannemen dat dieren wezenlijk anders, voor mijn part zelfs 'minder' zijn dan mensen.
Veeteelt voor gebruik van melk en eieren kan zo misschien nog gerechtvaardigd worden, als een soort overeenkomst tussen partners, waarbij de boer bescherming biedt en regelmatig voedsel garandeert aan zijn koeien en kippen in ruil voor melk en eieren. Slachten kan natuurlijk nooit onderdeel van een dergelijke overeenkomst uitmaken; met het slachtdier sterft ook de illusie van een overeenkomst.
Indien gelijkwaardigheid overduidelijk een fictie is, wordt macht meestal gerechtvaardigd als tijdelijk of blijvend voogdijschap. Zo oefenen volwassenen tijdelijk voogdijschap uit over hun normale kinderen, en soms blijvend over geestelijk invalide kinderen. In zekere zin kan de macht van gevangenbewaarders over gedetineerden ook nog als voogdij gerechtvaardigd worden. Evenzo de macht van mensen over hun huisdieren - al maak ik daar reeds voorbehoud bij: dat zou alleen mogen gelden voor huisdieren die zonder menselijke zorg niet (meer) kunnen overleven. Vanzelfsprekend kan het houden van slachtvee niet op deze manier gerechtvaardigd worden, dan komen we weer in de boven al als pervers aangeduide redenering terecht. Ook als we kannibalisme uitsluiten, ontkennen we toch een voogd het recht om bijvoorbeeld sexuele behoeften met zijn beschermelingen te bevredigen. Voogdijschap vereist juist extra respect voor de behoeften van de ander desnoods ten koste van de eigen behoeften.
Wat aan de redeneringen van de carnivoor niet deugt is dus niet zozeer anthropocentrisme, maar de hypocrisie van een anthropomorf schijn-respect voor dieren. De schijnheiligheid is nog erger dan die van middeleeuwers die wanneer een hond bijvoorbeeld een schaap had doodgebeten de hond in een schijn-proces daarvoor ter dood veroordeelden. Dit soort rechtvaardigingen overtuigt niemand maar bevestigt hoogstens bestaande (voor)oordelen.

 
Terug naar de eeuwige jachtvelden?

Vroegers waren jagers nog niet zo hypocriet. Ze schoten wild omdat ze dat lekker vonden om te eten en bovendien allerlei mannelijke oerdeugden konden oefenen als geduldig spoorzoeken, de natuur leren kennen, scherp opletten en snel reageren. In de oertijd hoefden jagers zich uiteraard niet te rechtvaardigen, in tegendeel, zij genoten als beschermers van hun gemeenschap alle mogelijke voorrechten. Zonder goede jagers zou de gemeenschap snel verhongeren. Voor enkele zeer afgelegen stammen Inuit en Indianen geldt dat misschien nog steeds. Elders in de wereld werd met de overgang van nomadische jagerscultuur naar gevestigde landbouw en veeteelt de jacht steeds meer een tijdverdrijf voor adel en andere rijkelui. Dank zij dat op zich overbodige luxe-gedrag zijn overigens tal van natuurgebieden voor ontginning en dus ook wilde dieren voor uitroe‹ing gespaard gebleven. Sinds de Verlichting neemt echter de kritiek op adel en daarmee geassocieerde 'overbodige' luxe toe: rijkdom mag, maar moet 'nut' hebben (gehad). Jagers, zowel adellijke als niet-adellijke, zien zich gedwongen zich te rechtvaardigen als nuttige 'fauna-beheerders': 'wild afschieten' wordt nodig geacht voor het ecologisch evenwicht in een natuurgebied of voor bescherming van landbouwgewassen of klein vee. [N.B. 'afschieten' of 'ruimen' van dieren klinkt in mijn oren even vernederend als 'afwerken' van prostituanten in een 'gedoogzone': hoe creatief is onze cultuur toch in het bedenken van verhullende termen.]
Kritisch Faunabeheer en andere dierenvrienden plaatsen daar vraagtekens bij. Vaak zijn andere maatregelen mogelijk om genoemde doelstellingen te bereiken, zoals het uitzetten van natuurlijke vijanden of soms zelfs sterilisatie van bepaalde dieren.
Daarmee is de vraag nog niet beantwoord of alle jacht verboden zou moeten worden. Naar mijn mening: ja - maar pas als we ook bereid zijn de slachthuizen te sluiten!

 

De verschuivende grenzen van de morele gemeenschap

Impliciete veronderstelling van elk betoog tot nu toe is dat dieren tot onze morele gemeenschap behoren, evenals mensen. Daarmee bedoel ik dat dieren bepaalde rechten hebben, op minimalisering van geweld en zelfs op vrijheid en soms liefde. Die rechten kunnen ze niet afdwingen. Het zijn geen juridische rechten - tenzij mensen zich als hun representanten opwerpen, wat soms al gebeurt bij vervolging van dierenmishandeling bijvoorbeeld.
Ik bedoel niet dat dieren gelijke rechten hebben als mensen. Al zouden we dat willen, dat kunnen we nooit waar maken. Maar we willen het ook niet. We willen en kunnen zelfs mensen geen gelijke rechten garanderen, ondanks de fraaie verklaringen van de VN. Een kind dat in 1995 in Ruanda, Afghanistan of Haïti geboren wordt heeft alleen op papier misschien dezelfde rechten op een leven in vrijheid, gezondheid en ontplooiing als een leeftijdgenootje in Canada, Denemarken of Japan. In feite mag de Ruandese of Afghaanse baby al blij zijn als ze haar eerste levensjaar vol maakt, om van verdere ontplooiing maar te zwijgen. En zelfs als zij een gezonde volwassene wordt en het geluk smaakt ook nog onderwijs te volgen, zijn haar kansen op een bescheiden welvaart oneindig veel kleiner, hoe hard ze zich ook inspant en hoeveel talent ze ook in huis heeft. Misschien heeft ze zoveel geluk dat ze naar een van de rijke landen kan vluchten - al sluiten die steeds vaker hun grenzen, daarmee ook het recht op vrijheid van beweging in de wereld beperkend tot een bevoorrechte elite.
Als er tussen mensen al zoveel ongerechtvaardigde ongelijkheid heerst, wat willen we dan met dieren? Laten we heel voorzichtig hun rechten uitbreiden, van bijna geen tot een paar: het recht op een eigen leven, zolang ze dat van ons niet bedreigen en we zonder hun vlees niet verhongeren; het recht op respect en een pijnloze dood, als we ze zo nodig toch moeten doden; het recht op veiligheid en verzorging, als ze ons hun melk, eieren, wol of hun waaksheid en gezelschap geven.
Stilzwijgend beperk ik me dan tot gewervelde dieren, zoogdieren, vogels en wellicht ook vissen. Daarmee geef ik mijn eigen beperkte evolutie aan: ik heb nog wat moeite met geleedpotige en andere ongewervelde dieren in mijn morele gemeenschap. Uiteindelijk hoop ik door empathie, d.w.z. communicatie en liefde, zelfs insecten te laten tot die gemeenschap. En eencelligen, bacteriën, planten dan? Ik verwacht daar in dit leven niet meer aan toe te komen, maar als onze ethische evolutie voortgezet wordt komen zij ook aan de beurt. Ik ken nu al mensen die met bomen communiceren en planten niet plukken uit liefde voor hen.. Uiteindelijk wordt het leven onmogelijk, zullen sceptici opmerken, als we zelfs geen planten en eencellige organismen meer mogen eten. Ongezien trappen we er bovendien dagelijks honderden van dood. So what? Ten eerste hoeft een doel niet volledig bereikbaar te zijn om het toch na te streven - evenmin als we de absolute waarheid in de wetenschap ooit zullen ontdekken, zullen we ooit volledige geweldloosheid in de omgang met mens en dier realiseren.
En ten slotte: als de ethische evolutie zover is voort geschreden dat zelfs de minst gevoelige mens gaat tobben over de organismen die vertrapt worden onder zijn schoenzolen, dan heeft de mensheid wellicht haar taak op aarde volbracht en mogen onze zielen zich in een andere wereld gaan verpozen.