Klik op het rode driehoekje () om de link te volgen naar het artikel.

Deze tekst is een gedeelte van het Contactblad "Relatie Mens en Dier" met toestemming overgenomen van de stichting Rechten Voor Al Wat Leeft.

  Onderwerpen:

Nieuwjaar
Stadsduiven en duiventillen
Ommezwaai
Nog 1 jaar legbatterijen toegestaan in EU
Scharrel of verrijkte kooien
Ganzenoverlast
Het vergassen van ganzen
Onbedwelmd ritueel slachten
Voor u gelezen

   

NIEUWJAAR
Zoals ieder jaar willen wij u allen ook nu weer een gezond, gelukkig en voorspoedig Nieuwjaar toewensen!
In het afgelopen jaar zijn wij weer met veel kleine en grote zaken bezig geweest. Als het om locale kwesties gaat wil het nog wel eens lukken om snel tot een oplossing van het probleem te komen. We noemen hier bijvoorbeeld het redden van honden die vanwege een (vermeend) bijtincident zijn veroordeeld tot euthanasie, (i.s.m. de Werkgroep Hulp aan Inbeslaggenomen Honden), het helpen van de talloze zwerfkatten, een verandering in aanpak van overlast van dieren. (Hoewel het bij locale kwesties soms ook zéér moeizaam kan gaan en heel lang kan duren voor we ons doel kunnen bereiken). Bij de grote zaken, vooral als het om grote landelijke en zelfs Europese of mondiale structuren gaat, zoals de vee-industrie, veetransporten, slachtmethoden, plezierjacht etc. etc. moeten we over een zeér lange adem beschikken, als men iets voor de dieren wil bereiken, want daar ontmoeten we natuurlijk vaak veel weerstand op onze weg. De oplossing voor deze problemen zullen velen van ons dan ook zelf niet eens meer meemaken.
We merken wel eens dat er onder ons zijn die moedeloos worden en afhaken, want: ‘het helpt allemaal toch niets, alles blijft hetzelfde...’ of ‘het wordt alleen maar erger…..!’ In sommige opzichten lijkt dat waar te zijn. Maar als wij zó gaan denken, de moed opgeven en afhaken, dan hebben onze tegenstanders hun zin. Zij zouden wel willen dat alle dierenvrienden het bijltje erbij neergooien ‘omdat het toch allemaal niets helpt...’ En daarom wensen wij elkaar heel veel geduld, uithoudingsvermogen en moed, ook voor dit nieuwe jaar!

   

STADSDUIVEN EN DUIVENTILLEN
In elke stad leven verwilderde duiven en ze worden niet voor niets stadsduiven genoemd. Ze zitten niet in bomen en men ziet ze niet in het bos. Om de poten van sommigen van hen zijn de metalen of kunststofringen aanwezig, die bewijzen dat ze als postduif van een postduivenhouder werden geboren. De geringde postduiven kunnen weken, maanden of soms wel jaren in de stad verblijven. Het kunnen ook jonge duiven zijn die kort daarvoor zijn verdwaald tijdens een wedvlucht. Stadsduiven kunnen ook ongeringd zijn en afstammen van postduiven die zich ooit in de stad gevestigd hebben. Sierduiven, of kruisingen daarvan met diverse kleuren en van allerlei pluimage, treft men ook in de stad aan. Kuifjes, kraagjes, gevederde poten, waaierstaarten, kleine of grote snavels, roestbruin, wit, zwart, gevlekt of grijs in meerdere schakeringen zijn geen uitzondering. Het merendeel van de stadsduiven zal echter grijs zijn met een groenig glanzende hals.
Stadsduiven zijn dus postduiven, sierduiven en nakomelingen daarvan. Deze duiven zijn nog altijd genetisch identiek aan de oorspronkelijke, wilde rotsduiven, die van nature graag op een stenen ondergrond leven.
Huizen en gebouwen voorzien voor stadsduiven in het gemis aan ruwe rotsen. Monumentale panden met veel ornamenten of gebouwen met nissen en richels zijn favoriet, evenals appartementencomplexen en flats vanwege de balkons die de duiven een beschutte zit-, slaap- en broedplaats geven. Maar hieraan kleeft letterlijk een bezwaar. Als een groep duiven zich op een aantrekkelijk gebouw vestigt, kunnen duivenpoep en door nesten verstopte afvoeren een probleem vormen.

Een stadsduivenpopulatie is doorgaans niet groter dan 1 à 2 % van het aantal inwoners. In stadscentra en in wijken met een hoge bevolkingsdichtheid en een relatief groot percentage inwoners van niet-Europese origine is de overlast doorgaans het grootst. De aantrekkelijke bebouwing alsmede de aanwezigheid van voedsel creëren een gunstige habitat voor de duiven. In het stadscentrum met winkels, restaurants, terrassen, stations, tram- en bushaltes worden veel voedselresten op straat aangetroffen.

Niet alle stadsduiven veroorzaken trouwens overlast. Sommige mensen vinden het juist leuk als er koppeltjes minnekozende duiven in een dakgoot zitten, terwijl anderen zich groen en geel ergeren aan het zachte gekoer van één duif. Er zijn mensen die ze voeren, en mensen die ze wegjagen. Stadsduiven zijn echter niet weg te denken uit een stad.

Op locaties met een grote duifdichtheid kunnen de nesten en de mest een serieus probleem vormen. Afvoeren raken verstopt door mest en nestmateriaal, en ook verf wordt aangetast door meststoffen. Daarnaast zijn bevuilde gevels geen fraai gezicht.
Stadsduiven zijn jarenlang door diverse vangbedrijven gevangen en gedood. Sinds 10 jaar is er echter een nieuwe manier om overlast van stadsduiven aan te pakken. We schreven hier al eerder over. Het gaat dan enerzijds om wering van duiven door vakkundig draden, pennen, gaas en netten op bepaalde plaatsen aan te brengen en anderzijds om opvang van duiven in een in de buurt te plaatsen duiventil.

In Duitsland wordt de duiventillenmethode in bijna veertig steden toegepast en door het succes ervan heeft ze ook in Nederland en eveneens in België navolging gekregen. In Amsterdam, Rotterdam, Zutphen, Soest, Almere en Gouda zijn reeds duiventillen geplaatst, terwijl in diverse andere steden plannen in ontwikkeling zijn.
In een duiventil kunnen stadsduiven eten, slapen en broeden. Bovendien verdwijnt de overlast doordat de duiven in de til nestelen en hun uitwerpselen ook in de til terechtkomen. Een beheerder vervangt de gelegde eieren door gipseieren, waardoor het aantal wordt beheerst. Men ziet niet alleen minder duiven op straat, maar tegelijk behoren verstopte afvoeren door verlaten nesten, besmeurde gevels en bevuilde vensterbanken tot het verleden.
Na een aanloopperiode van een jaar wordt er in een duiventil, waar wel 150 duiven in kunnen wonen, veel gebroed. Elk jaar zal het aantal eieren toenemen en na een paar jaar worden jaarlijks 300 tot 500 eieren in de til gelegd. Ook wordt jaarlijks ruim 300 kilo duivenmest en nestmateriaal uit de til verwijderd.
In Nederland werd de eerste duiventil geplaatst in 2003 in Rotterdam. In 2004 volgden Amsterdam en Zutphen. In 2006 kwam er een duiventil in Soest, gevolgd door drie tillen in Almere in 2009. Onlangs werd een duiventil in de stad Gouda geplaatst, en in Arnhem zal binnen niet al te lange tijd ook een duiventil komen.

In Rotterdam en Amsterdam werden de stadsduiven gevangen en vergast door de gemeentelijke ongediertebestrijding, respectievelijk de Rotterdamse Roteb en de Amsterdamse GGD. Deze vingen en vergasten ieder afzonderlijk zo’n 8.000 tot 10.000 stadsduiven per jaar. Het bood geen soelaas tegen overlast, want enige tijd na een vangactie zaten er weer nieuwe duiven op dezelfde locaties.
Het vergassen van duiven leverde jaarlijks een paar honderdduizend euro op en was dus een lucratieve bron van inkomsten voor deze organisaties. Vooral de Amsterdamse GGD was gezaghebbend in Nederland en misbruikte haar naam door duiven ‘vliegende ratten’ te noemen en te waarschuwen voor het gezondheidsrisico dat deze vogels met zich mee zouden brengen. Er was echter helemaal geen risico voor de volksgezondheid. Wetenschappelijk onderzoek wees namelijk uit dat wereldwijd in 60 jaar tijd slechts 176 gevallen van ziekte-overdracht van duif op mens had plaatsgevonden, en dan kun je van een risico beslist niet spreken. Door duiven echter te stigmatiseren werd een klimaat geschapen waarin men duiven vieze dieren vond, en dat vergemakkelijkte het binnenhalen van opdrachten tot bestrijding en eliminatie van deze vogels.
De eerste tillen in Rotterdam en Amsterdam ondervonden dan ook veel tegenwerking van de Roteb en de GGD. Met opzet verspreidden deze diensten geruchten dat de tillen niet effectief zouden zijn en overlast zouden veroorzaken. Het waren de laatste stuiptrekkingen van organisaties die bang waren hun inkomstenbron te verliezen.

   

Ommezwaai
Op dit moment hebben zowel de Amsterdamse GGD als de Rotterdamse Roteb hun beleid gewijzigd. De GGD kreeg een nieuwe directeur die het doden van vogels verafschuwde en voor een ommezwaai van het beleid zorgde. En ook de Roteb werd door de gemeenteraad teruggefloten en moest onlangs door politieke druk haar onzalige vergassingswerk staken. Stichting ‘Rechten voor al wat leeft’ is zowel in Amsterdam als in Rotterdam betrokken geweest bij deze beleidswijziging. De ‘Landelijke Werkgroep Duivenoverlast’, onder leiding van Marleen Drijgers, wordt door ons ook van harte gesteund in haar werk om duiventillen van de grond te krijgen in Nederland en België.
Stadsduiven komen in heel veel landen voor en vanuit het buitenland is reeds interesse getoond in de Nederlandse aanpak. Verzoeken uit Engeland, Frankrijk en Griekenland alsmede uit Australië en de Verenigde Staten om informatie en advies hebben de Werkgroep reeds bereikt. Tevens is een Amerikaanse filmmaker momenteel bezig met een documentaire over stadsduiven en daarin zal aan de Nederlandse duiventillen veel aandacht worden besteed.
Wij zijn heel blij met dit initiatief om de stadsduif in beeld te brengen, want deze vogels zijn niet weg te denken uit de stad.

   

NOG ÉÉN JAAR LEGBATTERIJEN IN EU TOEGESTAAN!
De traditionele legbatterijkooien hebben hun langste tijd gehad. Volgend jaar om deze tijd is het verbod op deze dieronwaardige huisvesting voor legkippen in de gehele Europese Unie officieel van kracht geworden!
Zo’n twaalf jaar geleden werd dit besluit genomen en nu is het dan bijna zover! 35 jaar na de ‘lancering’ van de eerste scharreleieren van Europa, een proef op het schap van een klein winkeltje in Amsterdam (in een doosje met ons controle-embleem: het oranje voorrangsteken met daarin gedrukt ‘Rechten voor al wat leeft’, een handelsmerk, vastgelegd bij het Benelux-Merkenbureau), zal nu voor vele miljoenen batterijkippen in de EU een ander tijdperk, een scharreltijdperk aanbreken!

   

Scharrel of verrijkte kooien?
Echter, er is nog een maar….! Gaat de traditionele legbatterij dan verdwijnen, helaas staat de EU ook ná 2012 nog wel de zogeheten ‘verrijkte’ kooien toe. Hierin heeft een legkip slechts 50 cm2 meér ruimte (ongeveer de grootte van een bierviltje!) dan in de legbatterijkooi.
In Nederland zijn er ongeveer 30 pluimveebedrijven die met deze ‘verrijkte’ kooien werken. Dit blijft dan nog tot het jaar 2021 toegestaan. Of na 2021 dan ook nog het Duitse ‘Kleingruppenhaltung’-systeem (ook wel koloniehuisvesting genoemd - zie ons contactblad van juli 2009) zal worden ingevoerd staat nog te bezien. We mogen toch hopen dat vanaf 2021 dan eindelijk álle legkippen minstens op de grond lopen, in plaats van met hun tenen door de gazen kooibodem te moeten steken, op een echte zitstok kunnen zitten, in afzondering en in alle rust hun ei kunnen leggen zonder dat andere kippen over hen heenlopen, en strooisel hebben om in te scharrelen.
(Iemand maakte eens de vergelijking van een kip die haar leven lang met de poten op het gaas moet staan met een mens die zijn leven lang met blote voeten op de sport van een ladder moet staan. Probeert u dat eens, u houdt het nog geen tien minuten vol! Legbatterijkippen moeten het 14 maanden volhouden!)

Of het omschakelingsproces, dat op dit moment al gaande is, op tijd voltooid zal zijn is trouwens nog de vraag. Wij hopen dan ook op een scherpe controle hierop als het zover is. Alle legpluimveehouders in de hele Europese Unie hebben immers tijd genoeg gehad (tien jaar!) om zich voor te bereiden op de komende verandering!

   

GANZENOVERLAST
In opdracht van ex-minister Verburg van Landbouw is door het Centrum voor Landbouw en Milieu en door het LEI (Landbouw Economisch Instituut) onderzoek gedaan naar het beheer van ganzen in ons land.
Ongeveer twee miljoen ganzen overwinteren elk jaar in Nederland. Hiervan worden circa 100.000 ! ganzen per jaar gedood door middel van jacht of vangen en vergassen met CO2. Het blijkt dat het ganzenbeleid zoals het nu is niet alleen veel dierenlevens kost, maar ook heel veel geld: 17,5 miljoen euro per jaar en bij voortzetting van dit beleid zullen de komende jaren de kosten nog verder stijgen tot circa 29 miljoen euro!
Dit huidige beleid, dat in 2003 is ingezet houdt in dat er z.g. foerageergebieden zijn aangewezen waar ganzen welkom zijn en waar ze met rust worden gelaten. Deze foerageergebieden beslaan voornamelijk boerenland. Boeren in deze gebieden ontvangen een vaste vergoeding voor het beheer ervan én voor eventuele schade door de ganzen. Boeren buiten de foerageergebieden krijgen alleen een schadevergoeding als ze kunnen aantonen alle middelen te hebben ingezet om de ganzen te verjagen, zo nodig met behulp van afschieten.

De onderzoekers stellen in hun rapport dat het huidige ganzenbeheer ruim
8 miljoen euro goedkoper kan, door weer terug te keren naar de situatie van vóór 2003. De vaste foerageergebieden moeten dan verdwijnen en daarmee ook de vaste vergoedingen aan de boeren in deze gebieden.
De boeren die ganzen op hun land krijgen ontvangen een schadevergoeding voor eventuele schade aan de gewassen en hoeven geen ganzen meer te verjagen, te laten afschieten of te laten vangen en vergassen.

Als deze aanbevelingen daadwerkelijk zullen worden uitgevoerd zou dit het einde kunnen betekenen van de jacht op ganzen én van de lucratieve activiteiten van Duke Faunabeheer voor wat betreft het wrede vangen en vergassen van vele duizenden ganzen per jaar.

De provincie Noord-Holland heeft al laten weten geen vertrouwen te hebben in dit onderzoek, en de plannen om zo’n 10.000 ganzen in deze provincie af te schieten zullen dan ook wel doorgaan.
Men vraagt zich af: waarom wordt er toch altijd opdracht tot onderzoek gegeven als men tóch niet van plan is de adviezen van de onderzoekers op te volgen! Ook al deze onderzoeken kosten veel geld! Maar ja, de jagers moeten tevreden worden gesteld, en de belastingbetaler betaalt wel……
In elk geval maakt het onderzoek duidelijk dat, wanneer de ganzen met rust worden gelaten, dit 8 miljoen euro per jaar goedkoper is. Ook is uit eerder onderzoek vast komen te staan dat bejaging en zelfs vangen en vergassen van ganzen níet tot minder ganzen zal leiden. Voor elke afgeschoten of weggevangen gans komt een nieuwe in de plaats. Dus, wat wil de provincie nu eigenlijk?

   

HET VERGASSEN VAN GANZEN
In juli 2010 verscheen het rapport ‘Het doden van wilde ganzen met CO2 en argon’ van Wageningen UR te Lelystad. In dit rapport werd het gebruik van alleen CO2 voor pluimvee, dus ook voor ganzen, ‘acceptabel’ bevonden. Het vreemde van dit rapport was echter dat de namen van de onderzoekers níet werden genoemd. De naam die men wél diverse malen tegenkwam was die van Duke Faunabeheer.
Het lijkt duidelijk dat op verzoek van Duke Faunabeheer het toenmalige ministerie van LNV opdracht heeft gegeven aan Wageningen UR onderzoek te doen naar deze methode. Het is namelijk zo dat in de Flora- en Faunawet diverse methoden worden genoemd hoe men dieren in het wild mag doden. De vergassingsdood staat er echter niet bij. En Duke Faunabeheer hanteert juist de vergassingsmethode met pure CO2. De bedoeling van Duke Faunabeheer was kennelijk dat door een gunstig onderzoeksresultaat deze methode alsnog opgenomen zou kunnen worden in de Flora- en Faunawet.
Wij, en ook de Stichting De Faunabescherming, die uiteraard eveneens zeér tegen het massale doden van de ganzen is, hopen dat dit laatste niet het geval zal zijn.
Wij vroegen Dr. R. Hoenderken, dierenarts en bedwelmingsexpert, om een reactie op het rapport. En die kregen we. Het belangrijkste gedeelte hiervan laten we hieronder volgen:

“Dit beleidsondersteunend onderzoek was nodig voor LNV, omdat in de Flora- en Faunawet deze dodingsmethode niet genoemd was, en/of omdat het doden van wilde ganzen met CO2-gas onacceptabel zou zijn. Evenals dit in het verleden is gebeurd met een rapport over het ruimen van pluimvee met CO2-gas in het kader van de vogelpestbestrijding.
De indruk wordt gewekt dat de vraagstelling niet luidt: hoe kun je op de meest verantwoorde manier dieren doden, maar dat de toegepaste methoden worden ‘gelegaliseerd’. Voor deze legalisatie wordt dan het ‘Huisinstituut’ van LNV gebruikt, en bij ondergetekende rijzen dan wel eens vermoedens van: ‘Wie betaalt, die bepaalt’, of anders gezegd: ‘wiens brood men eet, diens taal men spreekt’.
Dit naar aanleiding van het ontbreken in het rapport van normen voor de toetsingscriteria, die al jaren lang uitstekend vermeld zijn in het rapport van de AVMA Panel on Euthanasis, JAVMA, 1986; 188 (3): 256-257. De belangrijkste criteria met betrekking tot het dier in dit rapport zijn: 1) dood zonder pijn, 2) Tijdsduur voor verlies bewustzijn, 3) Psychische stress voor het dier, en 4) Tijdsduur voor doodgaan.
In het rapport ‘Euthanasie van Proefdieren’ (1993), gemaakt op verzoek van de overheid (VWS), zijn diverse dodingsmethoden onder meer gewogen en beoordeeld voor vogels aan de hand van bovengenoemde criteria. Als minst goede methode werd de CO2-gasmethode genoemd! De onderbouwing voor deze beoordeling van CO2-gas was als volgt: 1) zonder twijfel duidelijke pijn tijdens doden, 2) Tijdsduur verlies bewustzijn: absoluut langer dan 30 seconden, 3) zonder twijfel duidelijk psychische stress voor het dier, en 4) Tijdsduur van doodgaan kan tot 5 minuten duren!” (Tot zover het citaat)
Hopelijk kan St. De Faunabescherming met deze wetenschappelijke verklaring in de hand bij de rechter met succes aantonen dat de CO2-gasmethode derhalve níet in de Flora- en Faunawet thuishoort
Uiteraard zijn De Faunabescherming en Rechten voor al wat leeft van mening dat de ganzen helemaal niet zouden moeten worden gedood om de reden die in het artikel hiervoor is genoemd: het is zinloos, want de ganzenpopulatie wordt er zéker niet kleiner door. Voor elke weggevangen gans komt weer een nieuwe gans in de plaats.

   

ONBEDWELMD RITUEEL SLACHTEN
Terwijl we de titel boven dit stukje zetten realiseren we ons hoe dikwijls en hoeveel jaren we hierover al geschreven hebben: al 35 jaar! En nu schrijven we er weer over, want het ritueel slachten is momenteel weer in het nieuws. Er is namelijk een rapport over dit onderwerp verschenen (het zoveelste). Recent onderzoek door Wageningen UR (september 2010) zocht naar een antwoord op de vraag of onverdoofd ritueel slachten van kalveren nu echt wel pijnlijker is voor het dier dan slachten met verdoving. Ónbegrijpelijk, want het antwoord op die vraag is al decennia lang bekend door talloze onderzoeken in binnen- en buitenland! Maar ja, zolang we aan het onderzoeken blijven hoeven we nog niets te veranderen; dit zal de achterliggende gedachte wel zijn. De uitkomsten van alle tot nu gedane onderzoeken is steeds hetzelfde: het lijden van het dier voor, tijdens en na een onverdoofde halssnede is onaanvaardbaar.
In maart 2007 publiceerde oud-PvdA-Tweede-Kamerlid H.E. Waalkens een artikel in Trouw, waarin hij de lezers probeerde wijs te maken dat halalslachten niet pijnlijker was dan slachten met bedwelming. Hij baseerde zich hierbij op een oud Islamitisch onderzoek, dat totaal niet klopte met de huidige inzichten, en noemde hierbij een onderzoeksinstituut in Duitsland, dat bij navraag door ons niet eens bleek te bestaan. Het was duidelijk dat dhr Waalkens uit was op nóg meer allochtone PvdA-stemmers. Op diverse brieven en mails van ons aan dhr Waalkens kregen wij nooit een antwoord.

Maar dan nu het onderzoek: Op de website van De Volkskrant van 22 oktober 2010 vonden wij het volgende artikel, waarvan we het belangrijkste deel voor u overnemen:

ONDERZOEK: RITUEEL SLACHTEN IS PIJNLIJK
Ritueel slachten is pijnlijker voor dieren dan slachten met verdoving. Dat blijkt uit onderzoek van de Landbouwuniversiteit Wageningen. Twintig procent van de halalslachtingen (van runderen - red.) zijn ritueel.
“Het duurt ongeveer tachtig seconden voordat een dier verdoofd raakt als de keel wordt doorgesneden met een scherp mes. Gedurende die tijd ervaart het dier pijn”, zegt onderzoeker Bert Lambooij.
Volgens toenmalig PvdA-Kamerlid en ecoboer Harm Evert Waalkens leden dieren niet méér pijn zolang twee halsslagaders tegelijk werden ‘aangesneden’. Volgens Lambooij klopt dit niet. “Het dier lijdt tachtig seconden pijn als beide halsslagaders in een keer worden doorgesneden. In 8 procent van de gevallen wordt er eén gemist en dan duurt het nóg langer, twee tot drie minuten!”
Lambooij bevestigt dat halalrunderen meestal wel verdoofd worden. Zijn onderzoek gaat over de twintig procent van de gevallen waar dat níet gebeurt. “Schapen worden overigens nooit verdoofd bij halalslachting”, aldus Lambooij.

Binnenkort wordt het initiatiefwetsvoorstel van de Partij voor de Dieren behandeld, dat een verbod op het onverdoofd ritueel slachten inhoudt. We wachten in spanning af!

   

De schrijfster, Tessa de Loo, is bij velen van ons bekend, o.a. door ‘De Tweeling’, haar verfilmde boek. In haar boek over Daan, haar overleden hond, is zij in staat haar vriendschap met hem en zijn omgeving zó te beschrijven dat je geboeid blijft lezen! Daan was een soort spaniel met grote bruine ogen, een rossige vacht met witte vlekken. Zijn avonturen, vriendschap en ambivalente contacten met andere honden in de prachtige natuur van Portugal, nemen je mee. Hij heeft een vriendje, Filou, hond van een Duitse vriendin, die hem beschermt. Hun beide vrouwen hebben een hechte vriendschap en beleven veel met hun honden. Alles speelt zich af in het Zuiden van Portugal, waar Tessa de Loo woont. Zij beschrijft ook uitvoerig haar huis, geschiedenis en de streek en hoe zij zich hier ging vestigen. Via een Nederlander in de buurt kwam Daan in haar leven. Omdat de meeste honden in Portugal verwilderde zwerfhonden zijn was Tessa eerst nogal afhoudend, maar na een proefwandeling met hem gaf zij zich gewonnen en dan volgt de beschrijving van een lange liefdevolle verhouding met Daan. Ze houdt veel gesprekken met hem.
Door haar reizen in verband met o.a. haar boekenpresentaties moet ze hem meermalen een tijdje in Portugal achterlaten. Dit is steeds weer moeilijk voor beiden. Daan was altijd terneergeslagen als zij vertrok! Ook beleeft ze wilde avonturen met hem op en in het water. Kortom: geen saai leven! We maken ook kennis met verschillende, heel uiteenlopende mensen die een rol spelen in het leven van haar en Daan.
Over het moment waarop je moet beslissen dat je je kameraad, met wie je zoveel hebt gedeeld, moet laten inslapen, kunnen velen van ons vertellen. Ook dit beschrijft ze uitvoerig.
Het is bijzonder dat de schrijfster ons zo geboeid kan laten blijven, maar zij is in staat dit tot het einde van het boek te doen.
Daan is begraven onder een 12 jaar oude boom, een minificus, en er liggen altijd bloemen bij hem. Samen waren ze gelukkig in CASA UGLY, Portugal.

In de boekhandel verkrijgbaar. Prijs € 12,50
(In de ECI-boekhandel vonden wij hetzelfde boekje onder de naam ‘Ode aan mijn hond’ van Uitgeverij Areopagus, in de serie ‘Schrijvers van naam’ voor de prijs van € 2,50).