Roofvogels spreken sterk tot de verbeelding. Is het niet vanwege het onbewuste verlangen van de mens om te kunnen vliegen, dan is het wel om de kracht en status die roofvogels uitstralen. Deze bewondering van roofvogels kent echter ook een keerzijde. Als statussymbool zijn ze geliefd, waardoor er volop illegale handel in roofvogels is. Daarnaast worden roofvogels nog steeds veelvuldig vervolgd uit angst dat ze andere soorten in hun voortbestaan bedreigen. Dit artikel zal kort ingaan op de bedreigingen van handel en vervolging voor roofvogels in Nederland. En hoe opsporing en handhaving een rol kunnen spelen bij het tegengaan van deze wetsovertredingen.  

bron: Dier en Milieu, jaargang 82, februari 2007/01

Tekst: Rob G. Bijlsma & Hugh Jansman

Voor meer informatie: Rob G. Bijlsma (WKN): Doldersummerweg 1, 7983 LD Wapse.
Hugh Jansman (Alterra): Postbus 47, 6700 AA Wageningen

Een completer overzicht van dit onderwerp is te lezen in "Herkenning en opsporing van roofvogelvervolging". Dit boekje is te bestellen bij de Werkgroep Roofvogels Nederland en zal binnenkort onder andere in digitale vorm op het Politie Kennis Net verschijnen.

     
Een veelgehoorde uitspraak is dat het erg goed gaat met de roofvogels in Nederland. Niets is echter minder waar. Alleen de meest algemene roofvogel in Nederland, de buizerd, doet het met 10.000 broedparen goed; deze soort is de laatste 10 jaar min of meer stabiel. Vrijwel alle andere soorten weten zich te handhaven of gaan achteruit (zie tabel 1). Redenen voor dat laatste zijn veranderingen in hun leefgebied, zoals intensivering van de landbouw en verstedelijking. Als gevolg daarvan nemen prooidieren in aantal af, en in hun kielzog ook de roofvogels.  

Het aantal roofvogels wordt in hoge mate bepaald door prooiaanbod en nestelgelegenheid (lees: geschikte leefomgeving). Zelfs onder de meest gunstige omstandigheden zijn er grenzen aan de groei. Die grenzen worden uiteindelijk bepaald door territoriaal gedrag. In voedselrijke gebieden ligt die grens hoger dan in een voedselarm gebied. De zeer territoriale Havik bereikt bijvoorbeeld in het voedselrijke Noord-Brabant een twee maal hogere dichtheid dan op de extreem voedselarme Veluwe. Maar in beide gebieden groeit de populatie al jarenlang niet meer, integendeel.
Onderling voorkomen roofvogels concurrentie door op verschillende typen prooien te jagen. Als ze toch dezelfde prooisoorten bejagen, dan doen ze dat niet een andere methode of in een ander type leefgebied. Een sperwer bijvoorbeeld is met zijn korte vleugels en lange staart zeer wendbaar en jaagt op zangvogels in het bos of de bebouwde kom. De boomvalk jaagt ook op zangvogels, maar doet dat in het open landschap met hoge snelheid of in een duikvlucht. Boomvalken hebben dan ook spitse vleugels, ongeschikt om snelle wendingen te maken maar zeer geschikt om mee te stootduiken. Zelfs binnen één soort bestaan grote verschillen, en wel naar lichaamsgewicht: vrouwen zijn een stuk groter dan mannen. Daardoor bejagen mannetjes kleinere prooisoorten dan vrouwtjes. Een sperwermannetje, bijvoorbeeld, vangt mussen, mezen en vinken (15-25 gram). Een sperwervrouwtje jaagt op spreeuwen, lijsters en gaaien (60-150 gram).
Nederland is door de vele vrijwilligers een van de best onderzochte landen op roofvogelgebied. De Werkgroep Roofvogels Nederland (WRN) is de overkoepelende organisatie die het onderzoek van roofvogels begeleid en uitwerkt. Ze is in 1982 opgericht om de toenemende vervolging aan de kaak te stellen. Naast voorlichting speelt onderzoek een belangrijke rol. Roofvogels staan immers aan de top van de voedselpiramide en vormen dus een belangrijke graadmeter voor natuurwaarden. Jaarlijks worden in Nederland zo'n 4000 nesten van roofvogels bestudeerd. Daarbij worden ongeveer 7500 jongen geringd. Op basis van de waarnemingen, en in combinatie met aangetroffen nesten, geruide veren (geschikt voor individuele herkenning) en prooien, kan een inventarisatie een beeld geven welke soorten in een gebied voorkomen en wat hun broedsucces is, kan een indicatie worden verkregen van aan- of afwezigheid van vervolging, zonder zelfs een dode vogel te vinden. Dit geschiedt aan de hand van dichtheid (nesten/km2), broedsucces (hoeveel % van de nesten succesvol) en populatie-opbouw (leeftijd broedvogels; hier komen de ruiveren goed van pas), in vergelijking tot ongestoorde referentiegebieden. Indien een geschikt leefgebied weinig actieve nesten telt, waarvan er veel mislukken en waar veel broedvogels in jeugdkleed zijn, is de kans groot dat er structurele vervolging plaatsvindt. Vaak wordt dat beeld bevestigd door rechtstreekse constatering van vervolging: een vernield nest, omgezaagde nestboom, kapot gegooide eieren, gedode jongen, een onnatuurlijke dood gestorven roofvogel.

 

Roofvogels worden al eeuwen lang bestreden door de mens, in vroegere jaren zelfs met premies beloond. Sinds 1936 zijn roofvogels in Nederland bij wet beschermd. Desondanks worden tot op heden roofvogels illegaal vervolgd. De meest voorkomende manieren van roofvogelvervolging zijn:
uitleggen van vergiftigd aas, verstoring van nesten, afschot, vangst (en afmaken) niet behulp van kraaienvangkooien.
Tot voor kort was roofvogelvervolging sterk seizoensgebonden, namelijk piekend in nawinter en vroege voorjaar. In deze tijd van het jaar worden broedvogels actief rond de nestplaats (balts, veelvuldig roepen) terwijl de trekvogels nog aanwezig zijn. Hierdoor lijkt de stand opeens toe te nemen (terwijl die in werkelijkheid op zijn dieptepunt is na de wintersterfte). Tegenwoordig vindt echter het jaarrond vervolging plaats.
Op jaarbasis worden naar schatting in Nederland gemiddeld 560 nesten verstoord. Deze schatting is gebaseerd op representatieve steekproeven van de gehele Nederlandse populatie roofvogels in 1996-2005 (4000 nesten per jaar onderzocht, afhankelijk van de soort goed voor 15-100% van alle aanwezige nesten).
Bij het CIDC Lelystad komen jaarlijks vele tientallen vergiftigde roofvogels binnen, in sommige jaren zelfs meer dan 100. In werkelijkheid zijn deze aantallen veel hoger, omdat lang niet alle dood gevonden (onder verdachte omstandigheden) roofvogels worden opgestuurd. Niet alle ingestuurde kadavers worden onderzocht, of vallen af voor onderzoek bij gebrek aan maag- of kropinhoud. Op plaatsen waar een vergiftigde roofvogel wordt gevonden, liggen vaak veel meer dode roofvogels, de meeste echter te zeer verrot om voor onderzoek in aanmerking te komen.

Vervolging, zeker indien intensief en jaar na jaar, kan de stand doen teruglopen. Bovendien raakt de populatie-opbouw ontwricht. Openvallende plaatsen worden (deels) opgevuld met jonge vogels, die een slechter broedsucces hebben dan volwassen vogels. Dit is bij Havik en Buizerd vastgesteld in Noord-Nederland. Vervolging hakt er des te harder in naarmate roofvogels het zwaarder hebben als gevolg van landschappelijke veranderingen en afnemend voedselaanbod. Natuurlijke afnames worden dan versneld, zoals momenteel het geval bij Haviken in boerenland. Voor de Rode Wouw is vervolging de reden dat permanente vestiging in Nederland is uitgebleven. Kolonisatiepogingen in Oost-Nederland mislukten door vergiftiging met uitgelegd aas. De meer dan 50 dode Rode Wouwen ingeleverd bij het CIDC-Lelystad bleken alle te zijn vergiftigd; in ieder geval 1 van deze vogels had een volgroeid ei in de eileider (op het punt van leggen).

Vervolging richt zich in het bijzonder op de grotere soorten, namelijk Havik, Buizerd en Bruine Kiekendief. Doordat frequent gif wordt gebruikt, is een typische aaseter als de Rode Wouw verhoudingsgewijs vaak het slachtoffer. Alle roofvogels zijn daarnaast het doelwit van handelaren, dus ook de kleine soorten (Torenvalk, Boomvalk en Sperwer) en schaarse soorten (Wespendief, Slechtvalk).

De redenen om tot vervolging over te gaan zijn velerlei: concurrentie (jachtwild), lastig (siervogelhouders, postduivenhouders), vermeende invloed op weidevogels (weidevogelbeschermers), aanleggen eiercollectie (vooral Friesland), commerciële handel (uithalen van eieren of kleine jongen), of simpelweg omdat men vindt dat er "teveel" roofvogels zijn (overigens zonder te weten hoeveel er zijn; een veel gehoord argument van jagers en weidevogelbeschermers). De daders bevinden zich vrijwel uitsluitend op het platteland, en vertegenwoordigen uiteenlopende groepen met onderling uitvoerige contacten: jagers, weidevogelbescherners (vooral in Friesland), postduivenhouders, houders van siervogels, vogelhandelaren. Een mooi voorbeeld van die onderlinge samenhang is te zien bij de deelnemende organisaties aan de Friese Plattelands Alliantie, die onder meer regulering van overmatige predatie als doel opgeven.
 

Roofvogels en uilen zijn gewild als statussvmbool. De verbreding en versoepeling van de wetgeving ten aanzien van het houden van vogels heeft tot een wildgroei van handel in roofvogels geleid. De hype rond Harry Potter heeft bovendien de vraag naar uilen als huisdier aangewakkerd (hoewel ze daar te enen male ongeschikt voor zijn).
De grote vraag naar roofvogels in combinatie met het geringe aanbod (niet alle roofvogels zijn goed te fokken in gevangenschap) maakt dat het illegaal weghalen van roofvogels uit het wild lucratief is. Dit kan mede doordat het gesloten voetring systeem allesbehalve waterdicht is. Op deze manier worden uit het wild geroofde eieren en jongen 'witgewassen'.
Het is dan ook een vereiste dat opsporingsambtenaren beschikken over voldoende deskundigheid op het gebied van soortherkenning, inclusief de verschillen tussen de geslachten en leeftijden, en daarnaast van roofvogels (broedtijd, nestplek, geslachtsrijpheid, legsel- en broedselgrootte). Bij controles worden er nogal eens jonge vogels aangetroffen met een voetring die jaren terug is afgegeven. Gerichte controles kunnen dan al een goede indruk geven of de vergunninghouder aan de voorwaarden voldoet. Om legale fok echt te kunnen bewijzen is ouderschapsanalyse met behulp van DNA monsters van de ouders en jongen mogelijk. We bevelen dan ook aan om van alle roofvogels en andere bedreigde vogelsoorten waar een vergunning voor wordt afgegeven verplicht een DNA monster in een databank op te laten nemen zodat ouderschapsanalyse te allen tijde is uit te voeren.

 

Dingen die je kunt doen bij (vermoeden van) roofvogelvervolging:

  • Ga op controle in het buitengebied!
  • Neem in je regio contact op met de WRN contactpersoon (www.werkgroeproofvogels.nl). Deze persoon weet vaak waar mogelijk vervolging speelt zodat gerichter kan worden gecontroleerd. Let bij veldrondes op bosjes achteraf die niet voor het grote publiek toegankelijk zijn. Hier worden regelmatig vangkooien, fazantenkweekrennen, en gif aangetroffen.
  • Indien een dode roofvogel wordt aangetroffen, let dan goed op zijn houding, maak foto's en speur de omgeving af.
  • Stuur verdachte kadavers altijd in naar het CIDC te Lelystad. Zij kunnen voor c.a. 50% bepalen of het mogelijk om vervolging gaat. Vervolgens kan in overleg een monster op gif worden geanalyseerd.