De wetgeving voor mensen is gebaseerd op het verdedigen van belangen. Ook voor dieren is dat in de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren, de Wet op de dierproeven en de Flora- en faunawet zo geregeld. Maar dieren kunnen niet zelf opkomen voor hun eigen belangen en voor mensen is het lastig te formuleren wat de belangen van dieren zijn. Voor mensen gaat het meestal om de vrijheid en het geld. Voor dieren gaat het natuurlijk nooit om het geld, maar gek genoeg ook vrijwel nooit om de vrijheid. Althans, als we moeten constateren dat mensen weinig voor de vrijheid van dieren opkomen. Wel komen mensen op om zichtbaar dierenleed te voorkomen. Maar dat is niet afdoende om te kunnen spreken van een rechtvaardige behandeling.
Voor landbouwhuisdieren zijn de vijf vrijheden geformuleerd. Die komen op voor de meeste behoeftes van dieren, ook voor de vrijheid om zich natuurlijk te kunnen gedragen. En daar laten mensen het meestal zitten.
Voor behoeftes van huisvesting, eten en drinken en het voorkomen van ziektes van dieren wordt meestal wel goed gezorgd. Doen mensen dat niet dan roepen zij, terecht, daarmee veel verontwaardiging bij anderen op en de Dierenbescherming zal indien nodig optreden. Maar de vrijheid om in omstandigheden te leven waarin zij zich natuurlijk kunnen gedragen, daar schort het meestal aan, ondanks dat het als een grondrecht wordt beschouwd.
Misschien zit daar voor mensen wel een blinde vlek. Wij weten dat we om onze vrijheid te behouden vaak keuzes moeten maken. Ook hebben sommige fundamentele behoeftes als honger en dorst zo’n hoge prioriteit dat deze alle anderen doet vergeten. Maar meestal is zoiets goed geregeld. Zelfs op mondiaal niveau is voedseloverschot eerder het probleem dan voedseltekort.
Voor mensen en dieren geldt dat zij er belang bij hebben om voldoende voedsel, veiligheid, rust en ontspanning te hebben. Mensen willen in hun volwassen leven een gezinsleven, de meeste productiedieren komen daar niet aan toe: zij worden wanneer zij volgroeid of uitgemolken zijn geslacht. Hun (eind)doel is bereikt. Dieren doden is niet leuk, maar wel logisch in een economisch productiesysteem ingericht op de consumptie van vlees.
Omdat de meeste dieren zo jong sterven en de bescherming van productiedieren vaak ophoudt bij het voorkomen van zichtbaar leed zijn de meeste mensen zich niet bewust van het onzichtbare leed dat dieren ondergaan. Het is voor mensen moeilijk voor te stellen dat de onmogelijkheid om zich natuurlijk te gedragen voor dieren een lijdensweg kan zijn. Immers wij mensen worden van jongs af aan opgevoegd om een leven te kunnen leiden waarin de natuurlijkheid op de achtergrond is gedrongen.  Wij mensen kunnen daarmee leven omdat wij daarop invloed hebben.
Aan productiedieren en veel huisdieren hebben we die invloed ontnomen doordat we zij als slaven uit hun natuurlijke omgeving hebben weggenomen en weggehouden. De natuurlijke omgeving wordt ook steeds kleiner en de leefruimte is soms zo klein geworden dat dieren als oerang oetangs en ijsberen tegenwoordig in een dierentuin veiliger zijn dan in hun natuurlijke leefomgeving. Ook veel vleeseters redeneren zo “ze hebben toch een veel beter en veiliger leven dan in de vrije natuur”?
Zo langzamerhand is de aarde zo klein geworden dat er een kern van waarheid begint te komen in die omkering van oorzaak en gevolg. Maar wat we dan aan het doen zijn is de wereld van rechtvaardigheid op zijn kop aan het zetten.
In het streven om zelf zoveel mogelijkheid vrijheid te verwerven hebben we de kwaliteit van de leefruimte van anderen vervuild. Wanneer we op de juiste wijze vrijheid vergroten, vergroten we de vrijheid van alle betrokkenen.
Willen we waarlijk opkomen voor de belangen van dieren, dan komen we op voor de vrijheid van dieren om zelf in hun natuurlijke behoeftes te kunnen voldoen.

 
Dit is de ruimte waarin een Nederlands biologisch varken geacht wordt te kunnen voldoen aan zijn of haar natuurlijke behoefte: een uitloop met betonvloer.
 
Dit is de ruimte waarin Deense varkenshouders hun biologische varkens laten buiten lopen.