Het uitgangspunt bij dit artikel is dat de basis van ethiek is dat, wat vrijheid van zoveel mogelijk levende wezens vergroot, goed is en dat elke handeling die de vrijheid van levende wezens verkleint in principe op zijn ethische merites zou moeten worden beoordeeld.
Het is dus niet zo dat alles wat vrijheid verkleint fout is, nee, het roept de vraag op: “klopt dit wel”?.
Er zijn legio situaties denkbaar waarin het verkleinen van iemands vrijheid een goede zaak is, denk aan gevangenisstraf voor criminelen of medische situaties waarbij een tijdelijke inperking van iemands bewegingsmogelijkheden de genezing bevordert (gips, verband, dieet, enz.).
Er zijn geen situaties denkbaar waarin het vergroten van zoveel mogelijk individuen een slechte zaak is.
Meestal moeten er compromissen gesloten worden als niet duidelijk is of een handeling de vrijheid van iedere betrokkene vergroot of als het duidelijk is dat iemands vrijheid in het geding is.
In de situatie van mens en dier gaat het hier om hoe de boer omgaat met zijn vee. De veehouder moet dieren grenzen stellen, dat wil zeggen de vrijheid van de dieren beperken anders heeft hij geen leven, zijn buren niet en de dieren lopen zelf ook gevaar. Deze constatering is niet problematisch, het wordt het wel als de vrijheid van bewegen en een natuurlijk leven te leiden te zeer wordt ingeperkt.
Het grote, slechte voorbeeld is de intensieve veehouderij. Op deze situatie zal hieronder de vraag worden betrokken: waar is de poging tot het maken van winst in de veehouderij een ethische grens overgegaan?

Eerst blijven we nog even stilstaan bij het belang van het begrip vrijheid in het stellen van ethische grenzen en maken we dat wat inzichtelijker.
Ethiek of moraalwetenschap is de filosofie van het juiste handelen. Het gaat hierbij om het handelen ten opzichte van medemensen, dieren of de natuur in het algemeen. De descriptieve ethiek houdt zich bezig met het bestuderen van moraal zonder zelf een moreel standpunt in te nemen en met algemenere vragen als "heiligt het doel ‘wij willen mensen voeden’ ooit een middel als de bio-industrie?"). In de prescriptieve ethiek kunnen ethici zelf ook standpunten uitdragen en verdedigen.

De ethiek is het meest pregnant wanneer het gaat om de waardigheid van de menselijke persoon.

Het is goed mogelijk dit naar de situatie van het dier door te trekken. Het dier zelf zal zich niet snel in zijn waardigheid aangetast voelen en daarover voor ons begrijpelijk communiceren. Het gaat ook niet om de waarde van het dier, wat veel Nederlandse dierenbeschermers de laatste 30 jaar hebben geprobeerd door de introductie van het zouteloze begrip intrinsieke waarde van het dier. Nee, het gaat eerder om het verlies van waardigheid, meer in het algemeen het verlies van kwaliteit van leven. Dit verlies is een symptoom van een onderliggend gebrek aan respect voor de belangen van het dier. Om dit respect af te kunnen dwingen is het van belang om te weten waarop dierenrechten en dierenwelzijn gestoeld zijn.

Wat in de wereld van boeren, dierenbeschermers, dierenrechtenactivisten, welzijnonderzoekers geen punt van discussie is, is het rijtje van 5 vrijheden die dieren in gevangenschap moet worden gegund.

1. Vrijheid van honger en dorst

    1. direct toegang tot vers water en voedsel om gezond te blijven

2. Vrijheid van ongemak

    1. door een comfortabel onderdak en rust te bieden

3. Vrijheid van pijn, verwonding en ziekte

    1. door dit te voorkomen of snel te diagnosticeren en te behandelen

4. Vrijheid om normaal gedrag te vertonen

    1. door voldoende ruimte, mogelijkheden en gezelschap van soortgenoten

5. Vrijheid van angst en spanning

    1. door voor omstandigheden te zorgen die lijden vermijden

Op vier van de vijf punten halen de meeste boeren wel de minimale vereisten, maar op één punt nooit en dat is punt 4 en soms niet op punt 5. De meeste dieren in gevangenschap krijgen niet voldoende mogelijkheden om normaal (lees natuurlijk) gedrag te vertonen. Deze laatste mogelijkheid kan het beste worden ingevuld door dieren vrij toegang te geven tot een schoon buitengebied (in het geval van de veehouderij: een weide) van voldoende grote omvang en met een minimum en maximum aan soortgenoten. Een denktank onder leiding van Herman Wijffels stelde al in 2001 (bij de presentatie van het rapport ‘Toekomst voor de veehouderij’) dat voor het vee betekent "scharrelmogelijkheden voor pluimvee en ruimte bieden voor de wroetbehoefte van varkens en koeien in de wei". De concretisering van deze eis wordt door belanghebbenden in de agrosector verdoezeld.
Deze eis maakt vooral de kostprijs van de veehouderij hoog en in ons land is onvoldoende buitenruimte vanwege de omvang van de oversized veestapel aanwezig. Hoewel deze eis, uitgedrukt in de 5 vrijheden, een minimum eis is, wordt er toch door alle belanghebbenden in de agrobusiness aan getornd en dat is een kwalijke zaak.

Vroeger, vanaf het eerste begin dat mensen dieren hielden tot aan vlak na de Tweede Wereldoorlog (toen de plannen van bestuurders als Mansholt in de praktijk werden gebracht) hebben dieren in de veehouderij veelal kunnen genieten van alle 5 vrijheden. Voor de duidelijkheid: dat was vaak meer geluk dan wijsheid. Vroeger was het zeker niet altijd beter, denk bijvoorbeeld aan de koeien die de hele winter stonden aangebonden in de grupstal. Een dier dat vroeger toegang tot de weide had, was gemakkelijker te verzorgen dan een dier dat zijn hele leven binnen werd gehouden. Laat staan grote groepen dieren. De moderne veehouderij is er helemaal op toegerust om mega hoeveelheden te huisvesten en te voeden. Het dier in ieder geval 's nachts op stal houden, maakt het ook nog eens gemakkelijker om de mest te verzamelen, net als vroeger in de schaapskooien. Het nadeel is dat het buitengebied landschappelijk wordt verwaarloosd. Lelijke gebouwen en kaalgeschoren vlaktes doemen op. Het platteland wordt als het ware gegijzeld door 0,5% van de bevolking die 60% van het land in gebruik heeft om op buitenlandse markten winst te maken.

De Nederlandse veestapel is in de jaren na de Tweede Wereld oorlog gegroeid tot aantallen die niet meer tot doel hadden om de Nederlandse bevolking probleemloos te voeden, wat de opzet van Mansholt was, maar die tot doel hebben om de buitenlandse markten te veroveren. Om die verovering mogelijk te maken moet de kostprijs van de dierlijke producten lager zijn dan van de conculega’s uit het buitenland. Een conculega is hier een eufemisme voor een buitenlandse boer die als concurrent beschouwd wordt.
Om de kostprijs te verlagen wordt in de praktijk ingegrepen in het dierenwelzijn of het dier onrecht aangedaan op het punt dat hierboven al is aangehaald: de vrijheid om in relatief natuurlijke omstandigheden normaal gedrag te kunnen vertonen.

     
     

Wil de Nederlandse boer winst maken, dan moet hij het zoeken in kwaliteit, bijvoorbeeld zoals sommige ecologische boeren proberen of in kwantiteit zoals de meeste boeren doen.

De Nederlandse veehouderij is de ethische grens overgegaan toen de sector besloten heeft niet meer voeding van de eigen bevolking, maar de export als doel van de productie te stellen.

Wanneer de Gelderse, Limburgse of Brabantse varkens- en kippenveehouderij betoogt dat zij dichter bij het Ruhrgebied liggen dan bij de Randstad en dat je om die reden moeilijk kunt volhouden dat de export naar dat deel van Duitsland een ethische grens overgaat, dan hebben zij daarin natuurlijk gelijk. Maar wanneer de sector vervolgens zich afvraagt waarom je niet vanuit ons land de hele wereld zou mogen voeden, vooropgesteld dat de rest van de wereld ook de vrijheid wordt geboden om op diezelfde markt te concurreren onder het motto vrije wereldhandel, dan worden er een aantal onvrijheden onder het vloerkleed geveegd.
In de vrije wereldhandel waarbij sommige landen enorm overproduceren zoals Nederland, waar van elk 3 varkens of kippen er 2 op buitenlandse markten worden verkocht, gaan een paar landen over de ethische grens. Met name Frankrijk, Nederland en de Verenigde Staten. Deze landen moeten om de kostprijs van hun gigantische bulkproductie binnen de perken te houden niet alleen op dierenwelzijn inboeten, maar ook veevoeder importeren vanuit Derde Wereldlanden. Dat leidt mondiaal tot vergroting van het broeikaseffect (denk aan The Unconvenient Truth van Al Gore en Meat the Truth van de Partij voor de Dieren. In de Derde Wereld landen leidt de productie van ons veevoer tot verlies aan regenwouden en landbouwgrond die niet ten dienste van voeding van de eigen bevolking kan worden ingezet omdat de door ons gedicteerde economische krachten de invulling daarvan bepalen.
Ook in eigen Nederland is het gebruik van de hoeveelheid grondoppervlak met 60% voor de landbouw buiten proporties groot. Wereldwijd ligt dit percentage op 30%.
De meeste mensen weten dat de honger in de wereld niet zozeer veroorzaakt wordt door voedselgebrek, maar door problemen om voedsel daar te krijgen waar er gebrek aan is, bijvoorbeeld door oorlog of andere logistieke problemen. Ik wil daarom nog eens extra benadrukken dat de Nederlandse landbouwsector disproportioneel anderen van gebruik van het eigen landoppervlak weerhoudt. Velen zouden die ruimte graag voor een deel willen benutten voor de Ecologische HoofdStructuur (EHS), toerisme en recreatie. In dat beeld zou er in ons land meer ruimte te zijn om te bewegen, room to move, niet alleen voor de fun, maar ook om de gevolgen van de klimaatveranderingen op te kunnen vangen in een win-win-situatie.
Er zou dus een grens moeten worden gesteld aan de expansiedrift van de intensieve veehouderij ten faveure van mens dier en milieu. Wanneer de in de afzetmarkt begrensde sector kan laten zien dat zij met de afgeslankte veestapel op een verantwoorde en rechtvaardige manier winst kan maken, zal de sector mogelijk een ethische goedkeuring kunnen krijgen. Of dat het geval zal zijn moet getoetst worden aan de vraag of zij een duurzaamheid hebben weten te bereiken die aan alle levende wezens in ons land en erbuiten (denk aan de Derde Wereld) meer vrijheid hebben gegeven dan nu het geval is.