De situatie van dieren in de bio-industrie doet denken aan de situatie van topsporters.
De jonge leeftijd waarop sommige sporters al te oud blijken te zijn om mee te draaien op wereldniveau is goed te vergelijken met de jonge leeftijd waarop in Nederland melkvee naar het abattoir wordt gestuurd. Een melkkoe kan wel 30 jaar worden en 12-15 jaar een kalfje krijgen en melk geven. Als je dat vergelijkt met de leeftijd waarop vrouwen in de overgang gaan en waarop zij gemiddeld sterven dan wordt een mens naar verhouding 3 keer zo oud. Met een huidige gemiddelde slachtleeftijd van 4 tot 5 jaar voor een melkkoe zou dat in menselijke termen betekenen dat een jonge vrouw al op 12 tot 15 jaar zou zijn afgeschreven, een normale leeftijd in sommige topsport. Voor de nog jonge koe betekent het euthanasie, omdat ze niet meer met de wereldtop kan concurreren! Er kan een parallel getrokken worden tussen intensieve veehouderij met topsport.

In de topsport wordt veel doping gebruikt. In de bio-industrie krijgen mestvarkens en mestkuikens antibiotica die groeibevorderend werkt. Zodra de groei van het jonge dier wat afneemt omdat het groot genoeg is, gaat het naar het slachthuis. Elke dag langer in de stal blijven zou de hele onderneming minder economisch rendabel maken. Onder de mestkuikens groeit een aanzienlijk percentage zich voortijdig dood omdat het hart het begeeft.

Voor een overzicht van de misstanden, klik hier.

Een koe die dagelijks 40 liter melk produceert moet daarvoor zo'n 20 kilogram droge stof aan voer opnemen. De vertering vraagt veel energie, waarbij vooral de lever van de koe het zwaar te verduren heeft. Volgens de Duitse veterinair fysioloog prof. dr. Holger Martens is ongeveer 25% van alle zuurstof die een koe verbruikt nodig voor het functioneren van de lever, terwijl het orgaan maar 2% van het lichaamsgewicht van het dier bepaalt. Het hart van een koe verpompt bij een productie van 40 liter melk dagelijks 100.000 liter bloed. Dat komt overeen met 2.500 liter bloed per liter melk.
Er wordt wel eens de vergelijking gemaakt met 8 uur hardlopen voor een mens per dag.

     

“Koeien zijn wegwerpproducten geworden”, dat zegt landbouwsocioloog professor Jan Douwe van de Ploeg in ZEMBLA. “Je zet ze aan het produceren. Daalt de productie iets dan gaat de koe weg en wordt vervangen door het volgende dier.” Sinds 1 april mogen boeren weer zoveel melken als ze willen. In aanloop naar de afschaffing van het melkquotum is zowel het aantal koeien, het aantal megastallen als de melkproductie gestegen. En die stijging zet door. ZEMBLA onderzoekt in de megastal wat deze schaalvergroting betekent. Alles draait om rendement. Melkveehouder Henk van Dorp uit Hazerswoude: “Ik weet zeker dat er over 10 jaar nog veel minder koeien buiten lopen.”

     
     

Uit een nieuwsbrief van Wakker Dier:

Gaf de gemiddelde koe in 1950 nog 4000 liter melk per jaar. In 2002 is dat toegenomen tot circa 8.000 liter melk, waarbij 12.000 liter melk per jaar bepaald geen uitzondering meer is. Een ongekende groei die als gevolg heeft dat koeien steeds vaker lijden aan zogenaamde productieziekten zoals slepende melkziekte of uierontsteking. Ook de relatief slechte vruchtbaarheid van hoogproductieve koeien is een teken dat er van de dieren te veel wordt gevraagd. Nu blijkt uit onderzoek dat het opvoeren van de melkproductie per koe (tot absurd hoge melkgiften) geen geld op te leveren: de bijkomende kosten aan bijvoorbeeld ziektekosten, vruchtbaarheids-injecties en krachtvoer kosten meer dan de extra melk oplevert.

Dat is goed nieuws voor de koe die in een spiraal van productieverhoging zat ten koste van het welzijn en de gezondheid. Sommige onderzoekers hekelden de eenzijdige fokmethoden, gericht op productie, waardoor koeien werden gefokt die zelfs ziek worden van gras eten. De nieuwe inzichten kunnen een kentering geven in de melksector om meer te gaan letten op welzijn en gezondheid bij de fokkerij. Veel koeienziektes zijn gerelateerd aan de hoge melkproductie.

Tot zover de Wakker Dier nieuwsbrief. Meer over "onze nationale trots": de omzetcijfers.

     
In Nederland is veel enthousiasme gekweekt voor het winnen van medailles. Veel olympische fanatiekelingen pleiten er voor om miljoenen te investeren om een volgende keer nog meer medailles te winnen. Waarom eigenlijk? Een medaille gewonnen door Nederland kan niet gewonnen worden door een ander land. Waarom zetten we ons er niet voor in dat ieder land naar verhouding van het aantal inwoners medailles wint? Er zijn landen zat waarin mensen geen geld en tijd hebben om te sporten omdat zij al hun inzet nodig hebben om te overleven. Die kunnen Nederlandse steun of juist terughoudendheid goed gebruiken. Productie uit de bio-industrie verdringt andere, meer diervriendelijke productie in eigen en buitenland. Vlees geëxporteerd naar het buitenland kan niet worden geproduceerd in het buitenland. Zo concurreert Nederland boeren uit het buitenland de markt uit en wordt plantaardige productie uit Derde Wereld landen gebruikt als veevoeder in eigen land. Hierdoor verslechtert Nederland de beschikbaarheid van voedsel in kwetsbare derde wereldlanden. Het pleidooi om nog vele miljoenen meer te steken in onze topsport om nog meer medailles te winnen doet denken aan de 250 miljoen die Nederlands jaarlijks voor de promotie van de export van haar landbouwproducten uittrekt.
     

Alles draait om geld, the winner takes all. Naar de losers en de slachtoffers kijkt niemand om. Maar mensen hebben een keuze, dieren niet. Het ware beter als de veehouderij in Nederland zou zich richten op de regionale markt en op een ecologische, biologische bedrijfsvoering.

Net als in de sport zouden uitwassen worden voorkomen als mensen meer belangstelling kregen voor wat er in de eigen, kleinschaliger omgeving gebeurt.

     

In de Leeuwarder Courant van 14 mei 2004 schrijft Nico Hylkema o.m.:

De mineralenboekhouding (minas) is door het Europese Hof als onvoldoende veroordeeld. Dus valt Nederland terug op een mestbeleid dat uiteindelijk veel strenger is en boeren dwingt tot het houden van minder vee per hectare, of tot het op stal houden van de koeien. En dan daalt de melkprijs ook nog fors.

Die dalende melkprijs, zo menen veel boeren, is alleen te compenseren door schaalvergroting. Maar het nieuwe milieubeleid kon wel eens een streep door de rekening zijn. De Nederlandse Melkveehouders Vakbond (NMV) draait de zaken om. Kort het melkquotum tijdelijk en de prijzen gaan omhoog.

Het is niet zo'n gekke gedachte en veel boeren blijken ervan gecharmeerd. Helaas is de realiteit weerbarstig. Zo'n korting moet Europees en de zuidelijke landen lachen al in hun vuistje bij de gedachte dat de noordelijke landen op eigen initiatief minder melken.

Toch is minder melken misschien niet eens zo'n slecht idee, maar dan niet om de melkprijs omhoog te krijgen. Nederland loopt niet alleen met landbouw op tegen Europese grenswaarden. Ook het transport (30 procent agrarische producten) blijkt het milieu te zwaar te belasten. En zo wordt dit land door Europa gewezen op wat voor een beetje milieudeskundige allang duidelijk was: Nederland is niet vol, maar de milieudruk is te hoog.

Juist Nederland moet niet distributieland over de weg willen zijn. Dat leidt maar tot verkeersinfarcten en zwaar verontreinigde lucht rondom die wegen. Misschien moet Nederland ook geen landbouwexportland willen zijn. Je kunt wel roepen dat de Nederlandse bodem bijzonder vruchtbaar is en derhalve wel meer kan dragen dan alleen de productie van voeding voor de eigen bevolking, maar dat is nog maar de vraag. En je moet het ook willen natuurlijk.

De huidige productie is alleen te handhaven door middel van kunstmatige bemesting en uniform eiwitrijk gras. Als de vruchtbare bodem van dit land alleen maar optimaal gebruikt zou worden, dan zou er heel wat minder geproduceerd worden. Misschien zou dat ook wel moeten.

De Nederlandse melkveehouder is toe aan een fikse vernieuwing, zo blijkt uit internationale vergelijking met vooral concurrent Denemarken. Die vernieuwing blijft uit omdat de helft van de boeren boven de 55 is en geen opvolger heeft en van de andere helft ook een flink deel geen fiducie heeft in modernisering (wel in een hogere melkprijs door minder quotum). Die meerderheid houdt de hele sector in een wurggreep door op het melkquotum te blijven zitten, daarin gesteund door de traditionele boerenpartij het CDA en door de VVD en LPF.

Als de melkveehouderij nu eens afstapte van de productie van melk als nogal basale grondstof en overging tot het vervaardigen van melk met gezondheids-bevorderende eigenschappen, zou je een begin van een omslag hebben. Daar heb je veel onderzoek voor nodig. Naar veevoer bijvoorbeeld. Door andere voeding kun je de verhoudingen in de zuren en vetten in de melk gunstig beïnvloeden. Daar kun je mee aan de weg timmeren.

Tot nu toe is zulk onderzoek vooral gedaan om de productie te verhogen. En wie doe je daar nu nog een plezier mee? Laten we eerlijk zijn: de grote zuivelconcerns hebben helemaal geen interesse in een grote melkstroom. Die moet alleen maar verwerkt worden in amper winstgevende producten als kaas en verse zuivel.

Alleen de boerenorganisaties gaan er nog immer vanuit dat Nederland zijn huidige productie moet handhaven, of alleen maar tijdelijk korten. Het wordt tijd dat ter discussie te stellen. Hoogwaardige producten leveren meer op en leggen minder claims op de beperkte ruimte. Daarvoor krijg je de handen bij NMV en LTO nu niet op elkaar, maar die hebben met een in meerderheid conservatief ledenbestand te maken. Die meerderheid zal over tien jaar weg zijn, dus valt er wellicht voorzichtig toch iets te bespreken.

Wellicht dat een echte ommekeer dat proces nog eens versnelt. Maar als dat resulteert in een gezonde agrarische sector zou dat misschien wel een acceptabele prijs zijn voor het stoppen van duizenden boeren. Al zal Nederland dan niet meer topproducent van melk zijn met een internationaal jaloers makende quotum van 11,2 miljard kilo per jaar. Maar misschien valt daar nu juist wel wat voor te zeggen. Het zou ook flink wat transportkilometers schelen.