Vroeger reisden Nederlanders naar verre oorden om zwarte mensen als slaaf tewerk te stellen op plantages. Tegenwoordig werken sommige mensen in de derde wereld  uit eigen beweging voor westerse ondernemers wanneer zij verleid worden om niet voor hun eigen lokale markt gewassen te telen, maar om veevoer te verbouwen voor de Nederlandse bio-industrie.
In onze eigen land worden de dieren in de intensieve veehouderij uitgebuit en uitgemolken als een "moderne" slaaf, net zo inhumaan als de "oude", menselijke slaaf en net zo onzichtbaar.

De westerlingen hebben de derde wereld veelal verlaten, maar hun investeringen zijn gebleven. Van de schuldenlast kan het ontwikkelingsland zich weer vrijkopen als men zich bereid verklaart voor ons westerlingen te produceren. De derde wereld is daarmee nog steeds in de ban van onze economische geloofsovertuiging: produceert en gij zult rijk en vervolgens "vrij" worden.

 
Steekwoorden
schuldenlast

afzetmarkt

praalzucht

leeg leven

maatschappij kritiek

status

 

     
De slavenband van vroeger is vervangen door de leiband van onze economische doctrine. Deze werkt, net zoals in eigen land, simpel: een worst wordt voorgehouden dat je snel rijk kunt worden. De derde wereld hoeft alleen nog maar veevoeder te produceren. De keerzijde is dat de lokale economie verstoord wordt en de eigen bevolking weinig meer te eten heeft of gedwongen wordt nog een stuk regenwoud te kappen om zelf aan voedsel te komen. Daarmee heeft de derde wereld niet alleen haar grondstoffen in de uitverkoop gedaan, maar wordt de uitverkoop ook gehouden op de eigen markt. Het westen maakt op goedkope manier producten van deze grondstoffen en dumpt deze producten op de markten in de derde wereld. Dit lijkt sprekend op de situatie van fabrieksarbeiders in de vorige eeuw die werkten tegen een hongerloontje dat zij tevens werden gedwongen te kopen in de winkel die door de fabriekseigenaar werd gerund.
Wanneer de derde wereld protesteert dat zij oneigenlijk wordt geconcurreerd, biedt onze regering hen aan om de importbelemmering op te verminderen, terwijl de positie veel zwaarder wordt benadeeld door de exportsubsidies die de overheid aan de vaderlandse ondernemers op kosten van de belastingbetaler geeft.
 

Door automatisering is productie vergroot en goedkoper geworden
De bio-industrie in ons land zit ondertussen niet meer gebonden aan omstandigheden die vroeger de veehouder dwong op kleine schaal te werken: de veehouder beschikt door de automatisering over voldoende tijd om grote hoeveelheden dieren te houden. Hij woont vaak ook ergens anders, zodat hij en de zijnen niet alsmaar door de stank en de lelijkheid van de opstallen worden herinnerd aan de smakeloze manier waarop het geld verdiend wordt.
Er is ook geen of nauwelijks arbeidsloon meer nodig voor vreemde arbeidskrachten op het bedrijf. De banken werken mee om de grote stallen te financieren. De veevoederbedrijven helpen de stallen te bouwen en regelen de aanvoer van veevoeder. De bio-industrieel hoeft alleen nog maar een bestemming te vinden voor de afzet van mest. Deze wordt veelal met enorme machines zo snel mogelijk in de grond ge´njecteerd. De afzetmarkt voor vlees(producten) is bijna de hele wereld geworden. Het is als het ware een moderne vorm van kolonisatie.
Alleen wettelijke kaders in de vorm van vergunningen kunnen soms ongebreidelde uitbreiding (schaalvergroting van de productie) nog tegenhouden.

   
     
Niemand kan misstanden in de bio-industrie met eigen ogen constateren
Het publiek kan door de gesloten bedrijfsvoering niet meer zien wat er zich achter de schermen afspeelt. Protest tegen eventuele misstanden is daarmee nauwelijks te verwachten. Tekenend is dat de moderne bio-industrieel in zijn voortuin vaak geitjes of hangbuikzwijntjes heeft lopen om het eigen gezin en de buitenwereld te laten zien "hoe speels en hoe onschuldig" de veehouderij kan zijn. Het leidt af van de lelijke bedrijfsvoering daarachter.Veel van de veranderende omstandigheden hebben een positieve component: veel arbeidsintensief en zwaar werk is niet meer nodig. Helaas wordt de vrijgekomen energie niet ingezet voor een positief doel, maar wordt ingezet om nog meer geld te verdienen. Een beperkte groep mag direct meeprofiteren. Het grote publiek profiteert indirect met gemakkelijk en goedkoop vlees.
Hebzucht, gemakzucht en praalzucht (denk ook aan de exotische huisdieren) doen de dieren in de bio-industrie zuchten onder het juk van de moderne slavernij. Zij zijn het die hebben ingeleverd in de huidige vorm van veehouderij. In ruil voor een goede, maar eenzijdige verzorging, geheel gericht op een snelle en probleemloze groei, blijft hen niets anders over dan verveling, wachten op de slacht. Elke handeling die afbreuk doet van de mogelijk winst wordt nagelaten en laat het dier niets anders dan een leeg leven.
     
Het is duidelijk dat in deze beschrijving een kritiek op onze maatschappij wordt verwoord. Ook de dieren, de moderne slaven, hebben recht op vrijheid. Dezelfde vrijheid die de moderne bio-industrieel heeft misbruikt om zijn imperium op te bouwen. Vrijheid die wordt misbruikt om de vrijheid van dieren te schenden moet worden ingeperkt, anders keert vrijheid zich in haar tegendeel. Revolutie van de kant van het dier is niet te verwachten, wel schandalen als schadelijke hormonen, resistente bacteriŰn, dioxine, BSE en varkenspest. De taak voor de begrenzing ligt bij iedereen: overheid, consument, producent, banken en bedrijfsleven. Vroeger zou men deze partijen oproepen tot solidariteit met de zwakke partij. Dat zal voor dieren niet helpen, omdat de verantwoordelijkheid verdeeld is over teveel partijen.
Het is gemakkelijk om de verantwoordelijkheid te ontlopen en het dier kan zelf niet voor haar rechten vechten en opkomen. De consument roept "ik heb geen tijd om in een andere winkel biologisch vlees te kopen en/of het is te duur" en roept samen met de producenten: "de overheid moet de intensieve veehouderij maar verbieden". Een eventuele verbetering in het leven van dieren in de bio-industrie zal door deze beperkende omstandigheden slechts langzaam op gang komen.
Mensen in onze samenleving willen zo min mogelijk normen en waarden opgedrongen krijgen, en terecht. Een maatschappij kan alleen functioneren, wanneer zij bestaat uit individuen die zich ook verantwoordelijk gedragen als zij niet gecontroleerd worden. Bijvoorbeeld als dieren uit de bio-industrie niet meer gegeten worden of dieren in de vrije natuur niet meer bejaagd worden voor het plezier of schadelijke stoffen worden meegemengd in het veevoeder.
     

De oplossing zit in het daadwerkelijk actualiseren van (onze innerlijke) vrijheid in onze maatschappij. Dit betekent dat vrijheid van de mens die gevolgen heeft voor het dier in al zijn facetten moet worden geregeld:

  • het moet worden begrensd (geen import meer van veevoeder, net zomin als exotische huisdieren, en geen export van dierlijke producten)
  • het moet concreet gemaakt worden (welke bewegingsvrijheid moet een dier minimaal hebben)
  • het moet worden bewaakt en gecontroleerd (de vrijheid van de veehouder houdt op waar de vrijheid van het dier begint)
  • geen subsidies naar oneerlijk concurrerende of natuuronvriendelijke bedrijfstakken
  • mensen zouden zich moeten bevrijden van allerlei verslavende omstandigheden die hen verhinderen de gevolgen van hun gedrag en handelen voor dieren te zien en te verbeteren.

Onze menselijke drijfveren zijn tegenwoordig in belangrijke mate economisch getint en zo zouden de begrenzende middelen ook moeten worden ingezet, terwijl het doel en het middel vergroten van vrijheid van zoveel mogelijk partijen is.
Bio-industrie zou economisch onaantrekkelijk moeten zijn en ecologische, biologische veeteelt zou een eerlijke kans moeten krijgen. Daarmee wordt aan vrijheid een positieve invulling gegeven en de status van het dier vergroot.