Het doel van alle mensen betrokken bij de bio-industrie is zoveel mogelijk geld te verdienen. Zij doen dat door de kostprijs zo laag mogelijk te houden en de opbrengsten in kwantiteit zo hoog mogelijk te maken of de schijn van kwaliteit zoveel als mogelijk op te houden.
De strategie in het laag houden van de kostprijs van dierlijke producten is om te zorgen voor zoveel mogelijk specialisatie en segmentatie in de diverse sectoren betrokken bij de productie. De linkerhand ziet niet wat de rechterhand doet: de mens die het dier geboren ziet worden, is vaak een ander dan die het dier ziet opgroeien en zeker een ander dan die het dier slacht, verwerkt en verkoopt. Niemand gaat een band aan met het individuele dier, het zijn er domweg te veel en de duur van het contact is te kort.

Bij het zoeken naar efficiënte productiewijzen wordt elk facet van het leven van een productiedier kritisch bekeken met het oog op economische gevolgen.
Dat begint bij de start van het leven van productiedieren. In de natuur komen een mannelijk en vrouwelijk exemplaar bij elkaar en bevrucht het mannetje het vrouwtje.
Dit proces wordt in de intensieve veehouderij versneld door het mannetje zijn zaad afhandig te maken en handmatig door de mens ingebracht bij veel vrouwtjes tegelijk.
Dit scheelt ontzettend veel mensentijd in het bij elkaar brengen van dierlijk sperma en eicel.
Dan de geboorte. Dat is een risicovol moment omdat jongen kunnen worden doodgedrukt of ziektekiemen kunnen overgaan van moeder op nageslacht. Waar mogelijk (bij varkens of dikbilkoeien bijvoorbeeld) wordt een keizersnede toegepast om besmetting en verlies van levens te voorkomen.
Vervolgens de opfok. Het doel is om het jonge dier zo snel mogelijk slachtrijp of productieklaar te maken. Hier wordt het meest bespaard door het dier sober en met zoveel mogelijk lotgenoten te huisvesten. Voor veel pasgeboren kalfjes en haantjes is het direct al na de geboorte einde oefening, verder leven is zinloos.
Ook worden de dieren op stal gehouden, waarmee wordt voorkomen dat zij het weiland omploegen of plattrappen. Het voordeel van een “cleane” wei is dat de boer zo mogelijk factoren, die een snelle groei van het gras als veevoer kunnen bepalen, in de hand heeft. Hij kan mest uitrijden (injecteren) zonder met de dieren in de wei rekening te hoeven houden. Ook kan hij kuilvoer maken van het gras wanneer dat de gewenste lengte heeft bereikt. Het niet meer hoeven halen of brengen uit of naar de wei van koeien om te melken scheelt de boer tijd.
Door het gebruik van antibiotica in het veevoer worden 2 vliegen in 1 klap geslagen: het dier groeit sneller en dierziektes worden voorkomen.
Omdat de dieren in de intensieve veehouderij uitsluitend jonge dieren betreft zijn de dieren vaak nog voldoende in conditie zodat de gevolgen van stress nog niet te zien zijn. Dieren leven domweg (net) niet lang genoeg om er doodziek van te worden.
Jonge dieren worden zo snel als mogelijk van hun moeders gescheiden om de verzorging zo efficiënt mogelijk te laten verlopen. Emotionele banden worden genegeerd. Na een korte periode van emotioneel verlies worden de ouderdieren weer klaargestoomd voor een volgende worp of (in het geval van koeien) voor de productie van melk.
Het halen van veevoer uit derde wereld landen scheelt ook geld. In die landen kan op veel grotere schaal en met minder arbeidskosten voer worden geproduceerd. De lagere prijs is er zelfs wanneer met de verscheping en de transportkilometers wordt rekening gehouden. In eigen land is de grond veel te duur om te gebruiken voor de productie van veevoer.
Dan de slacht van de dieren. Transport naar de slachterij gebeurt naar die plaatsen waar het meest voor het nog levende dier wordt betaald. Dat maakt niet uit of het in het binnen- of in het buitenland is. Vaak is transport naar het buitenland aantrekkelijk vanwege exportsubsidie. Met dierenwelzijn wordt minimaal rekening gehouden, want het dier wordt toch spoedig geslacht.
Dan de vlees- en dierverwerkende industrie. Haar belang is om zoveel mogelijk geld te krijgen voor de verwerking van zo min mogelijk kostbaar vlees in het product. Vandaar dat het product zo wordt bewerkt met paneermeel, vocht, goedkope vleesvervangers en smaakversterkende middelen dat de consument zo min mogelijk van smaakverlies of -verandering merkt.
Wanneer eieren in het industriële productieproces van bijvoorbeeld brood of koekjes worden gebruikt, kiest de fabrikant voor legbatterijeieren. Wat niet weet, wat niet deert. Wanneer de consument zelf de eieren koopt, dan biedt de supermarkt scharreleieren of meer diervriendelijk produceerde eieren aan in de winkel.
De grootschaligheid en de gerichtheid op export levert de consument een dilemma op: houdt het rekening met dierenwelzijn dan moet zij meer betalen dan wanneer zij stilzwijgend meeprofiteert van de op grote schaal goedkoop geproduceerde dierenproducten. Het negeren van je geweten bespaart geld.

Voor de West Europese (hobby)boer die kleinschalig en diervriendelijk wil produceren zitten er naast de kostprijsverhogende omstandigheden nog extra nadelen in het opboksen tegen de bio-industrie. Doordat de grond in West Europa relatief vervuild is, is de kans op eieren of melk die schadelijke stoffen (zoals cadmium of dioxine) bevat groter dan die van dieren die op stal worden gevoerd met veevoer uit het buitenland. Ook kan de verwerkende of aanleverende industrie de schadelijke producten niet of nauwelijks verdunnen of verdoezelen door grootschalige productie. Tevens kan de bio-industrie haar nadelen omzetten in discutabele voordelen door de dieren achter gesloten staldeuren te houden en de mest te vergisten in plaats van in de kringloop te houden. Hiermee worden dierziektes, confrontaties met het publiek en stankoverlast vermeden.

Tenslotte de taal van de reclame- en imagomakers bij het communiceren van het publiek. Termen als “duurzaam”, “gezond”, “bewust” worden geplakt op productiewijzen die eigenlijk het tegendeel zijn van de oorspronkelijke betekenis.
 
Hoe de voedselindustrie een consument verleidt tot het kopen van producten:
 

Wat staat de goedwillende consument te doen?

Wie dierlijke producten wil eten staat voor een onaantrekkelijk dilemma. Diervriendelijker geproduceerde voeding is duurder, maar nauwelijks of niet gezonder.

Het loont veel meer voor de gewetensvolle consument om zoveel mogelijk af te zien van de consumptie van dierlijke producten en om te investeren in de bereiding van smakelijke, diervrije maaltijden. Deze kunnen verantwoord, betaalbaar, gezond en smakelijk geproduceerd worden.