Homepage

Wachten tot een ander beweegt

Groen als vermomming

Boeren zeggen graag dat er niets mankeert aan de natuur. Op het eerste gezicht lijken ze gelijk te hebben. Overal waar je kijkt is het groen. Weides met Engels raaigras zien er strak uit, weelderig zelfs, alsof de grond niets liever doet dan laten groeien. De brandnetel en de braam zijn planten die het beste gedijen op overbemesting en dus zijn zij overal. Wat je niet ziet als je over het land uitkijkt, is dat die weelde eigenlijk een verarming is: een handvol snelgroeiende soorten heeft honderden trager groeiende soorten verdrongen, zoals orchideeën en kruiden die van een schraler bestaan hielden. Hoge biomassa, lage biodiversiteit. Een groen laken als vermomming.

De rekening in het water

De rekening voor die weelde wordt elders gepresenteerd. Het slootwater aan de rand van datzelfde weiland ziet er grauw uit en er leeft weinig meer in. Het teveel aan meststoffen dat niet door het gras is opgenomen, spoelt daarheen af, voedt algen en kroos en dat verstikt wat eronder kan leven. Het is dezelfde overvloed die op het land wordt gecamoufleerd door een dominante winnaar, maar die in het water niets heeft om zich achter te verschuilen. Wie alleen naar het weiland kijkt, ziet uniforme overvloed. Wie naar en in de sloot kijkt, ziet wat die overvloed heeft gekost. Maak daarvan maar eens aantrekkelijk drinkwater.

Een verwijt dat niemand raakt

Dat water vervuilt zichzelf niet. Er moeten dus keuzes zijn gemaakt die tot deze uitkomst hebben geleid. Het ligt voor de hand om die rekening bij de boer te leggen. Maar "de boer is verantwoordelijk" is als verklaring even ontoereikend als het groene weiland zelf, want ze houdt op precies het punt op waar het interessant wordt. Bovendien is het een verwijt dat weinig mensen persoonlijk raakt. De teruggang van het aantal insecten, vaak genoemd als graadmeter van die verarming, is voor de meeste mensen geen gemis. Er zitten minder muggen op de slaapkamermuur, minder insecten op de voorruit van de auto. Wat ecologisch een verlies is, voelt voor wie er niet middenin staat als een verbetering. Een beroep op wat er verdwenen is, mist zijn doel bij wie niets mist.

De logica van de boer

De vraag die overblijft is dus niet wie de schuldige is, maar wat een boer ertoe zou brengen zelf voor duurzaamheid te kiezen: niet uit plichtsbesef, maar omdat het hem simpelweg meer oplevert. Elke boer die dat wél doet, terwijl het voor hem ook anders kon, zou eigenlijk dief van zijn eigen portemonnee zijn als hij het niet deed. Dat is geen hypothetische vraag. Het kost honderden miljoenen om de landbouw te verduurzamen, terwijl de maatschappelijke schade jaarlijks miljarden bedraagt. Dat is een bescheiden bedrag om de knop om te zetten.

Geen systeem, maar partijen

Waarom gebeurt het dan niet? Het gemakkelijke antwoord is dat het aan "het systeem" ligt, een verklaring die vriendelijk klinkt omdat ze niemand aanwijst. Maar wie doorvraagt, vindt geen abstractie. Hij vindt organisaties en instellingen die ieder hun eigen belang verdedigen. De landbouwvrijstelling stelt boeren al decennia vrij van belasting over de waardestijging van hun grond, een regeling die de schatkist tien jaar lang meer dan elf miljard euro heeft gekost en die grond aantrekkelijker maakt als vermogen dan als bedrijfsmiddel. Pogingen om haar af te schaffen zijn in de Tweede Kamer gestrand. De supermarkt, die de consument gemiddeld nog geen derde van de prijs aan de boer laat toekomen, wil geen harde afspraken maken over een hogere prijs voor wie duurzamer produceert. En de zuivelcoöperatie waarvan een melkveehouder lid is, verplicht hem in haar eigen statuten om al zijn melk aan haar te leveren en verbiedt hem uitdrukkelijk die zelf te verwerken tot yoghurt of kaas. Geen van deze partijen ontkent het probleem. Ze wachten alleen liever tot een ander de eerste stap zet, want wie als eerste in duurzame richting beweegt, verliest; wie wacht, wint, zolang de anderen ook wachten.

De sleutel van de eigen kooi

Het meest onthullende in dat patroon is misschien de coöperatie, want de boer is er geen slachtoffer van een vreemde macht, hij is er mede-eigenaar van. In theorie kan hij de statuten die hem binden gewoon laten wijzigen: hij en zijn collega's zijn de leden, de leden zijn de baas. In de praktijk stemt hij niet rechtstreeks over de regels die hem raken, maar kiest hij een districtsraadslid, dat een ledenraad kiest, die dan beslist. In de hele geschiedenis van een van de grote coöperaties is het welgeteld één keer voorgekomen dat een bestuursvoorstel werd weggestemd. Een groep ontevreden leden die zich verenigde tegen het bestuur, klaagde dat hun stem via die omweg nergens meer aankwam. Dat is geen samenzwering, het is een klassiek probleem van verspreide mensen tegenover een geconcentreerd bestuur: individueel heeft niemand er baat bij zijn tijd te steken in verzet, ook al zouden ze er gezamenlijk wél bij winnen. De boer bezit de sleutel van zijn eigen kooi. Alleen moet hij die samen met duizenden anderen omdraaien.

De lezer aan tafel

Dat mechanisme beperkt zich niet tot de landbouw. We gebruiken het zelf net zo gemakkelijk. Het zou te makkelijk zijn hier te stoppen, met de boer, de supermarkt en de coöperatie als de laatste schakel, want de lezer van dit stuk staat zelf ook in die keten. Wie vlees eet terwijl hij liever geen dier zou zien lijden, kent een eigen versie van hetzelfde uitstel. Psychologen noemen dat de vleesparadox en ze hebben ontdekt dat mensen die spanning oplossen met een vast repertoire aan (drog)redenen: vlees eten is natuurlijk, normaal, noodzakelijk. Het zijn dezelfde soort woorden waarmee ooit slavernij en de onderschikking van vrouwen werden verdedigd: woorden die een keuze laten klinken als een gegeven. Psychologen spreken van systeemrechtvaardiging, de neiging om iets te verdedigen simpelweg omdat het bestaat, ook wanneer het tegen onze eigen waarden ingaat. De reclame helpt daarbij een handje: in de populaire cultuur wordt het dier stelselmatig weggewerkt achter het vlees, zodat wie een schnitzel bestelt, niet meer aan een varken hoeft te denken.

Wachten als strategie

Wat er zo, laag na laag, aan het licht komt is dit: op elk niveau, van de fiscale wetgever tot de vleeseter aan tafel, oogt de status quo als iets vanzelfsprekends, iets waar niemand iets aan kan doen. Het is op elk niveau hetzelfde mechanisme: afzonderlijk lijkt wachten verstandig, gezamenlijk houdt het iedereen gevangen. Telkens blijkt er een partij, of een gewoonte, of een geruststellend woord te bestaan die precies dat gevoel van onvermijdelijkheid in stand houdt en er zelf wel bij vaart.
Niet-handelen lijkt vaak neutraal. In werkelijkheid is het meestal een keuze die de bestaande situatie laat voortbestaan. Het is zelf een strategie, gevoed door argumenten die op maat worden aangereikt: het moet nu eenmaal zo, het is nu eenmaal de markt, het is nu eenmaal natuurlijk. Het groene weiland waarmee dit stuk begon is misschien wel het beeld voor het geheel: wat er het meest vanzelfsprekend en gezond uitziet, is vaak precies de plek waar iets verzwegen wordt, terwijl de plek waar de schade zichtbaar wordt, zoals het donkere water in de sloot, wordt weggezet als bijzaak.

Een laatste vraag

Misschien is dat wel de hardnekkigste vorm van macht: niemand hoeft het bestaande systeem actief te verdedigen zolang iedereen wacht tot een ander begint. De vraag is dan niet alleen welk eigen "natuurlijk, normaal, noodzakelijk" ieder van ons paraat houdt om niet te hoeven bewegen, maar ook wie er belang bij heeft dat wij op elkaar blijven wachten.