Een eenheidservaring met een dier
Gustaaf Rutgers was 22 jaar toen het gebeurde. Hij had jarenlang gewerkt aan één ding: het loslaten van alles wat hem was opgelegd: geloof, angst, de stem van zijn vader. Niet uit rebellie, maar uit een bijna wanhopige honger naar waarheid. Hij noemt het zelf ont-worden: de beweging waarbij je alles wat je bent geworden, afpelt, totdat er alleen nog openheid overblijft.
En in die openheid ontmoette hij een koe.
Twee kijkers, schrijft hij, die samenvloeiden. Vloeibare ogen die zich verbonden. Mens en dier werden één. Door die ontmoeting brak iets open wat hij later beschreef als thuiskomen: in God, in liefde, in iets wat altijd al was geweest.
Ik sprak Gustaaf tien jaar geleden. Wat me bijbleef, was niet de mystiek als zodanig, het was de poort. Niet een leraar, niet een tempel, niet een heilig boek. Een koe.
Liefde verschijnt niet door te willen. Ze stroomt waar ruimte is, waar blokkades zijn weggenomen. Dat is geen romantisch idee, het is een waarneming. Wie ooit iets van die stroom heeft gevoeld, herkent het: het is er niet door toedoen, maar door openheid.
Rutgers had die openheid gecreëerd. En het dier ontmoette hem precies daar.
Een koe vraagt niet om jouw taal. Ze wacht niet op jouw begrip. Ze is er: aanwezig, zonder agenda, zonder de behoefte begrepen te worden in menselijke categorieën. In dat opzicht is een dier misschien wel de meest eerlijke ontmoetingspartner die bestaat.
Rutgers schrijft later, als hij terugkijkt op wat hem in dat moment openbaarde: in de eenwording was hij niet alleen zijn medemens, maar ook het dier, de boom, de steen. Niet als metafoor. Als waarneming. De grens tussen subject en object was werkelijk verdwenen en het dier stond daar niet buiten, maar middenin.
Dat roept een vraag op die hij zelf niet stelt, maar die er onvermijdelijk uit volgt: als het dier kan fungeren als poort naar de diepste menselijke ervaring -als mens en dier in dat moment werkelijk één kunnen worden- welke blokkades leggen wij dan op tussen onszelf en dieren? Niet alleen buiten ons, in de manier waarop wij ze houden en slachten. Maar ook van binnen. In hoe we kijken.
Evenwaardigheid betekent niet gelijkheid. Een koe is geen mens. Maar een koe is ook geen ding. Ze is er, op haar eigen manier, met eigen belangen, eigen waarneming, eigen aanwezigheid. En soms, als wij open genoeg zijn, kijkt ze ons aan.
Rutgers was open genoeg.
De vraag is of wij dat ook kunnen zijn.
|