De Duitser Immanuel Kant was de belangrijkste filosoof van de Verlichting en leefde in de 18e eeuw. Hij onderzocht de aard, oorsprong en reikwijdte (grenzen) van kennis en het weten. Wat kunnen we weten over wat goed is voor dieren? We zullen deze vraag proberen te beantwoorden op basis van wat Kant schreef over de menselijke situatie. Kant vond dieren niet van moreel belang omdat zij volgens hem geen rationele wezens zijn. Dat maakt zijn opvattingen niet minder van toepassing, temeer omdat Kant betoogde dat mensen die dierenleed veroorzaken dit mogelijk ook kunnen gaan toepassen op mensen, zodat er een soort verharding tov. andere mensen ontstaat.

In zijn kennisleer onderscheidt Kant de categorische imperatief van de hypothetische imperatief. De hypothetische imperatief is het praktische voorschrift dat in de praktijk werkzaam is. Dit voorschrift doorgetrokken naar onze tijd: in het geval van bijvoorbeeld zwerfdieren, die een gevaar voor zichzelf en anderen zijn, kan men het beste de dierenambulance bellen.
Onder de categorische imperatief verstaat Kant de leidraad van het zedelijk bewustzijn, dat zich zowel van zijn eigen menselijke vrijheid bewust is als van de zedelijke vrijheid van anderen; daarnaast moet het volgen van deze leidraad los staan van elke voorstelling van een te bereiken praktisch doel (want dat is bij Kant de sfeer van de hypothetische imperatief); het is bij Kant immers een zuivere voorstelling en geen praktische.
Je moet handelen op de manier waarvan je zou willen dat iedereen zo zou handelen. Dat is ook de boodschap van de (tien geboden in de) Bijbel of de Koran. Hoewel Kant ontkent dat er logisch sprake kan zijn van religie en het Godsbestaan, knoopt hij het bestaan van God wel vast aan de categorische imperatief. Mensen hebben een zedelijk bewustzijn en de mens kan door zijn morele vrijheid de zintuiglijke wereld overstijgen en deelhebben aan een hogere, morele wereld. De mensheid dient volgens Kant nooit slechts als middel maar tegelijkertijd altijd als doel beschouwd te worden.

Centraal in Kants ethiek staat de zedelijkheid en centraal binnen de zedelijkheid staat de "goede wil". "Het is geheel en al onmogelijk om in de wereld en zelfs ook daarbuiten iets te bedenken dat zonder restrictie voor goed gehouden kan worden, behalve dan een goede wil" en "(de categorische imperatief) ... betreft niet de materie van de handeling en hetgeen er uit moet volgen, maar de vorm en het principe waaruit zij zelf voorkomt en het wezenlijk goede ervan bestaat in de gezindheid, wat ook het resultaat moge zijn.
In gewone woorden zou die vorm en dat principe kunnen zijn: dat wat tegelijk de vrijheid van jezelf en van anderen vergroot, is goed.
Je kunt echter ook gevangen zijn in teveel vrijheid (ineens). Een voorbeeld is de zwaar geestelijk gehandicapte die zelfstandig woont in een gewone wijk. Deze loopt het risico te vereenzamen. Een voorbeeld met dieren: een nerts, die opgegroeid is in een kooi, zal het zondermeer losgelaten worden in de vrije natuur waarschijnlijk niet lang overleven.

De meeste mensen zijn van goede wil ten aanzien van dieren. Veel boeren zijn dit ook en willen dieren houden combineren met het verdienen van een "goede” boterham. Vreemd woord overigens "boter-ham”. Een boterham is plantaardig, maar het woord is samengesteld uit woorden die betrekking hebben op zuivel en vlees.
Zo is het ook met de samenstelling van de goede wil: niet alle handelingen, die mensen doen met het oog op het welzijn van dieren, pakken goed uit.
Een wild dier vangen met het oog om het te exploiteren in een circus is fout. Een dier (op)vangen om het te laten herstellen van een ziekte of het te laten overleven is goed op voorwaarde dat het uiteindelijk weer wordt vrijgelaten. Het maakt dan niet uit of het dier in vrijheid de kans loopt eerder dood te gaan dan in gevangenschap.
Het gaat om het resultaat: de handeling is gericht op het ondersteunen van de vrijheid van het dier. Daarmee is het verschil tussen een dierenbevrijder en een goede dierenbeschermer aangeduid: de een is slechts gericht op vrij laten, de ander op vrij maken.
Zo zou het ook moeten zijn met ons voedselkeuze: we zouden onszelf moeten aanleren te koken en te eten op basis van plantaardige voeding. De omweg van zuivel en vlees beperkt teveel dieren onnodig in hun vrijheid, niet alleen de landbouwhuisdieren, maar ook de dieren in het wild, omdat hun leefgebied wordt afgepakt ten behoeve van het verbouwen van (soja als) veevoeder. Het is de vrijheid van de vleeseter om vlees te eten en te bepalen of deze handeling in strijd is met zijn geweten. Het is een vrijheid van de dierenbeschermer om de vleeseter daarop aan te spreken.

Veeboeren kunnen in de inrichting van hun bedrijf te goeder trouw en van goede wil zijn en volledig gericht op de bewaking van minimale grenzen aan dierenwelzijn. Wanneer de sector vervolgens gericht is op de vergroting van dierlijke consumptie in binnen- of buitenland dan gaat het (te kwader trouw) over de grens van het betamelijke. Voedsel is middel en geen doel op zich. Omdraaiing van middel en doel om economische redenen leidt tot dierenleed, milieuvervuiling en overgewicht.

We kunnen niet vol-ledig weten wat welzijn is en wat goed is voor mens en dier. Voor beiden geldt dat we er naar zouden moeten streven om mens en dier in staat te stellen zelf uit te zoeken wat goed voor hen is. Dit kan alleen als dit betekent dat zij een zekere mate van vrijheid hebben (verworven) en kennen. Deze vrijheid is niet alleen de afwezigheid van onvrijheden als onvervulde fundamentele behoeftes, maar ook de mogelijkheid om zich te ontplooien. Kant vond respect voor de medemens enorm belangrijk. De ander is ook een mens met behoeften en wensen. Men moet de ander de ruimte geven om zijn doelen na te streven. Voor dieren betekent dit voldoende ruimte om aan hun natuurlijke behoeftes te voldoen. Wat het dier concreet met die vrijheid doet is, geheel in de lijn van Kant's kennisleer, niet aan de orde (bij de categorische imperatief).

De kennisleer van Kant lijkt soms tegenstrijdigheden te bevatten, maar dat is slechts schijn. Het gaat om de paradox van de vrijheid. Dat je rekening moet houden met de vrijheid van andere levende wezens is een van de weinige imperatieven die altijd en overal door de culturen heen gelden. Het tast niet jouw vrijheid aan, omdat rekening houden met elkaars grenzen wederkerig ook voor de ander (mens en dier) geldt.
Wanneer je ook nog eens gericht bent op de vergroting van (innerlijke) vrijheid dan maak je deel uit van een hogere, morele wereld.