Klik op het rode driehoekje () om de link te volgen naar het artikel.

Deze tekst is een gedeelte van het Contactblad "Relatie Mens en Dier" met toestemming overgenomen van de stichting Rechten Voor Al Wat Leeft.

 

Onderwerpen oktober 2007:

Open brief aan LNV over palingdodingsmethode
Vogelonvriendelijk stemgedrag Europarlementariërs
Jacht op wilde ganzen in Zuid-Holland
Gwwd

   

PALING
Deze keer eens extra aandacht in ons contactblad voor de paling, met name voor de manier waarop deze dieren worden gedood voor de consumptie, omdat wij met dit onderwerp in de afgelopen tijd intensief bezig zijn geweest:
In het aprilnummer 2007 van ons contactblad schreven we over een bijeenkomst op 2 maart van dit jaar bij IMARES (RIVO), het Rijksinstituut voor Visserij Onderzoek, te IJmuiden. We woonden daar een presentatie bij over het elektrisch doden van o.a. paling, en geconcludeerd werd dat er nog apparatuur op praktijkschaal ontwikkeld en uitgetest zou moeten worden voordat alle palingverwerkende bedrijven in staat zouden zijn de miljoenen palingen elektrisch te doden, om zodoende de afschuwelijk wrede methode van het z.g. "doodkruipen in het zout", een lijdensweg die tot langer dan een uur kan duren, tot het verleden te laten behoren.
Het wachten was nu dus tot palingverwerkingsbedrijven zélf het initiatief zouden nemen hierin te willen investeren.
Onze teleurstelling was groot: welk bedrijf zou vrijwillig hier het voortouw willen nemen en daar zoveel geld in willen steken? Het bleef dan ook enkele maanden stil. Wél sloegen in mei van dit jaar pers en media groot alarm over het dreigende uitsterven van de paling door overbevissing. Natuurlijk, als zo'n lekker hapje dreigt te verdwijnen, komt men in beweging! Maar niets over de wrede methode waarop deze dieren aan hun eind komen!

Open brief
Het leek ons goed om nu, terwijl de paling volop in de aandacht stond, al was het dan om een andere reden dan waar wíj ons druk over maken, een open brief naar landbouwminister mevrouw Verburg te schrijven met een kopie naar alle betrokken instanties zoals Productschap Vis, IMARES (RIVO), de Vaste Commissie voor Landbouw in de Tweede Kamer, en natuurlijk naar de pers en media.
Hieronder volgt de volledige tekst van onze open brief, gericht aan de minister van LNV, gedateerd 13 juni 2007:

"Onderwerp: Paling - dodingsmethode
De paling dreigt uit te sterven. Wanneer de hieronder beschreven martelingen door de palingindustrie bij het doden van palingen niet snel worden beëindigd, dan zou men voor de paling bijna wensen dat de soort uitsterft......

Geachte mevrouw Verburg,
Het grootste dierenleed is zonder twijfel de weerzinwekkende wijze waarop vissen nog steeds aan hun einde komen op vissersboten en in de visverwerkende bioindustrie (vnl. paling en meerval).
De verantwoordelijke instanties (overheid voor regelgeving en sector voor uitvoering) hullen zich in een voortdurend stilzwijgen.

Onderstaand een overzicht van conclusies van enkele publicaties van de laatste 10 jaar over de verwerking van paling:

  • RIVO-DLO-Rapport nummer C037/96 van augustus 1996: "Bij het doden van levend aangevoerde paling bleek dat bij het strooien van zout over paling in een bak zonder water (het zgn. 'doodkruipen') na een half uur nog meer dan de helft van de dieren reageerde op prikkels, en na het verwijderen van de ingewanden (het zgn. 'strippen') de dieren 5 minuten later ook nog reageerden op prikkels".
    Dus de bestaande praktijkmethoden voldeden absoluut niet aan de uitgangspunten van de nader in te vullen Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren, en nader onderzoek is nodig.
  • In mei 1997 verscheen een onthutsend artikel in Hervormd Nederland onder de titel "Kan het een tikje humaner?" Het artikel legde o.a. de praktijk van de verwerking van paling bloot, en het verwees onder meer naar het bovengenoemde RIVO-rapport. Het Productschap Vis zei de RIVO-aanbevelingen te onderschrijven, maar wilde toch "nader onderzoek" doen om te zien of het allemaal zo erg was. Vanwege de "vele ingrijpende consequenties" moeten bedwelmingsregels in Europees verband worden uitgevoerd. Verder moet "rekening gehouden worden met de rentabiliteit van de Nederlandse vissector en haar concurrentiepositie."
  • Op 3 juli 2001 schreef Mw Faber (toenmalig staatssecretaris LNV) in een brief aan een aantal dierenbeschermingsorganisaties (naar aanleiding van acties bij het Nederlands kampioenschap palingroken te Kortenhoef): "Uit een nog niet geheel afgerond onderzoek van het RIVO en ID-Lelystad is een experimentele methode voortgekomen voor het doden van paling. Deze methode zal nog voor de praktijk verder ontwikkeld moeten worden. Ik verwacht dat in het jaar 2002 regelgeving in procedure kan worden genomen. In de loop van dit jaar zal ik een nota omtrent welzijn van vis aan het parlement zenden."
  • Op 1 november 2001 verscheen RIVO-rapport C063/01 over o.a. de ontwikkeling van een protocol voor beoordeling bedwelmings- en dodingsmethoden bij paling. In dit rapport werd vermeld hoe paling in water "welzijnsvriendelijk" kon worden bedwelmd.
  • In 2002 werden bovengenoemde onderzoekingen in o.a. Aquaculture Research, 2002.33 1-10 gepubliceerd onder de titel: "Een geschikte methode voor humaan slachten van paling".
    Dus zou de sector hiermee eindelijk aan de slag kunnen gaan.
    Maar er gebeurde niets.
  • In mei 2003 verscheen een o.i. volmaakt overbodig boekwerkje van de Raad voor Dieraangelegenheden over criteria waaraan het doden van o.a. paling diende te voldoen. Dit soort criteria zijn jaren geleden ook al beschreven door o.a. de AVMA Panel on Euthanasia, JAVMA, 1986; 188 (3):256-257. Dit zijn dezelfde criteria zoals die vermeld zijn bij de Europese Conventie voor de Bescherming van Dieren en de EEG-Richtlijn 93/119/EG.
    In de aanbiedingsbrief zegt de Raad dat "de voorgestelde criteria met ingang van 1 januari 2006 op paling van toepassing kunnen worden verklaard".
  • In april 2005 verscheen een persbericht van Stichting Wakker Dier, gebaseerd op een enquête onder 18 wetenschappers op het gebied van dierenwelzijn met als conclusie: "Het grootste dierenleed in de vee- en vissector is de manier hoe vissen worden gedood; paling wordt vaak gedood in een bak met zout; de doodsstrijd kan uren duren en regels ontbreken in het geheel; recent onderzoek heeft aangetoond dat vissen pijn en stress kunnen ervaren".
  • Op 2 maart 2007 werd een bijeenkomst gehouden op IMARES (RIVO) te IJmuiden, waar behalve "Rechten voor al wat leeft" nog diverse andere dierenbeschermingsorganisaties aanwezig waren. Er werd een presentatie gegeven over het elektrisch bedwelmen van paling. Medegedeeld werd o.a. dat er in Nederland 5 partners zijn in het bedwelmingsonderzoek van vissen, en internationaal meer dan 10 instituten of organisaties!
    Eén van de conclusies was, dat het mogelijk is o.a. paling onmiddellijk te bedwelmen en te vermijden dat de vuissen daarna weer bij bewustzijn komen.
    Toch zou nog 1 tot 2 jaar onderzoek nodig zijn voordat er commerciële apparatuur kan worden geproduceerd. Doorvragen leerde echter, dat een onderzoeker meedeelde dat "de onderzochte methoden in theorie kunnen, maar in de praktijk niet praktisch zijn".
    Het wachten is nu op een verwerkingsbedrijf dat het initiatief neemt om te proberen de paling op een verantwoorde wijze te doden, eventueel in samenwerking met onderzoeksinstellingen om gebruik te maken van de mogelijk aanwezige kennis.

Onze conclusie is dat er thans in Nederland nog geen enkele verbetering is ten opzichte van 10 jaar geleden, of erger nog: de paling komt nog steeds aan zijn einde zoals reeds geschiedde bij de palingvangst in de Zuiderzee, echter nu gaat het ook nog eens over enorme aantallen dieren uit de bioindustrie; ongeveer 4500 ton per jaar (= ongeveer 32 miljoen dieren)! Hoe zit het met de INTRINSIEKE WAARDE ook van deze dieren??

We willen hier nog het volgende aan toevoegen: Op markten ziet men steeds hoe de z.g. 'stoofpalingen' zich in het zaagsel liggen 'dood te kruipen'. Omdat palingen behalve door de kieuwen ook via de huid ademhalen, liggen de dieren dus langzaam te stikken doordat de huid uitdroogt. De kop, die er vervolgens afgesneden en weggegooid wordt, blijft daarna nog in leven. Men zou dus kunnen spreken van 'ontlichaming' i.p.v. 'onthoofding'. O.i. zou ook hiervoor een andere dodingsmethode moeten worden gevonden, en anders zou er een verbod moeten komen op aanvoer van levende palingen op markten.

Eindconclusie: Het wordt tijd, dat de consument beter wordt voorgelicht over de producten die men kan kopen, zodat men weloverwogen kan beslissen of men deze producten nog wel wil consumeren.

Wij vragen u dan ook dringend om een verbod op zeer korte termijn op de traditionele wijze van doden van paling. De verwerkingsbedrijven zouden verplicht dienen te worden over te gaan op het elektrisch bedwelmen van deze vissen. Misschien is, in afwachting van een definitief verbod, etikettering mogelijk voor producten van dieren die wél op een verantwoorde wijze zijn gedood. Aan marktvishandelaren zou niet langer toegestaan mogen worden levende paling aan te voeren op de markt.

In afwachting van uw spoedige reactie...."

Tot zover onze open brief.

Antwoord van het ministerie van Landbouw
Circa een maand na het versturen van onze brief kregen we al een antwoord! Dat zijn we niet gewend! Meestal duurt het enkele maanden in plaats van de voorgeschreven 6 weken, binnen welke periode ministeries een brief dienen te beantwoorden. En vaak mag men dan nog blij zijn dát men antwoord krijgt! Maar nu kregen we een antwoord zélfs binnen de gestelde tijd. We laten het hieronder volgen:

"Uw open brief over dodingsmethode van paling is in goede orde ontvangen. Zoals u ook aangeeft, is in de afgelopen periode veel onderzoek verricht naar een diervriendelijke dodingsmethode. Om praktische redenen is het onderzoek allereerst gericht op een methode voor het doden van kweekvis. Hierbij is een prototype van installaties voor het op een diervriendelijke wijze doden van kweekvis ontwikkeld. Voor het testen van een apparaat in de praktijk is overleg gaande met de sector en het onderzoeksinstituut.

Twee bedrijven, die in totaal circa 50% uitmaken van het volume aan gekweekte vis in Nederland, hebben aangegeven te willen starten met het laten bouwen en testen van een apparaat in hun bedrijf. Ik juich dit initiatief van de bedrijven, die hiermee blijk geven zelf de verantwoordelijkheid te willen nemen, zeer toe. Hiermee is de volgende fase van het traject, om te komen tot een methode voor het diervriendelijk doden van paling, tilapia en meerval, ingegaan."

Tot zover het antwoord van het ministerie. Uiteraard zijn we verheugd over deze reactie. Al heeft het allemaal al veel en veel te lang geduurd, er is in elk geval weer een belangrijke stap gezet. Wat de rol van onze open brief daarbij is geweest weten we niet, maar het zou best eens kunnen dat instanties als Productschap Vis en IMARES (RIVO) n.a.v. onze brief visverwerkende bedrijven hebben aangespoord tot deze stap. In elk geval hebben we weer een klein steentje mogen bijdragen. Maar... we blijven sceptisch. Want als we bedenken hoe veel jaren er met het onderzoek gemoeid zijn geweest, moeten we maar weer afwachten hoe lang het nog gaat duren voor het elektrisch doden van paling, en natuurlijk ook van meerval en tilapia, werkelijk in de praktijk toegepast gaat worden!

NOG MEER BRIEVEN
Dit contactblad staat min of meer in het teken van brieven. En dan vooral brieven die wíj hebben geschreven en waarin wij dringend om een antwoord vroegen, maar de antwoorden op de volgende brieven moeten wij u tot nu toe helaas schuldig blijven, eenvoudig omdat er geen antwoord komt!

Tweede-Kamerlid H.J. Ormel, CDA-woordvoerder Landbouw
Laten we beginnen met de inmiddels 3e en tevens laatste aflevering van onze berichtgeving over onze brieven aan dhr Ormel over het ritueel slachten en het castreren van biggen, (zie het april- en julinummer 2007 van ons Contactblad) en waar hij maar geen schriftelijk antwoord op wilde geven, en ons slechts tevreden wilde stellen met een vriendelijk gesprekje, waar wij niets tastbaars aan zouden overhouden. In ons julinummer hebt u kunnen lezen dat wij na diverse vergeefse schriftelijke én telefonische verzoeken van onze kant om een schriftelijke reactie uiteindelijk, op 14 mei 2007, een brief hebben geschreven naar de CDA-fractievoorzitter in de Tweede Kamer, dhr P. van Geel. De tekst van deze brief stond in genoemd nummer afgedrukt. Ook op deze brief hebben wij nooit meer iets gehoord. Na nog eén telefonische poging naar het CDA-Partijbureau, dat ons weer terugverwees naar een medewerker van dhr Ormel, met wie wij een zoveelste vruchteloos telefoongesprek hadden, was voor ons de maat vol.
Op 1 augustus 2007 schreven wij de volgende brief aan dhr Ormel:

"Aan de heer Ormel,
Dat wij negen maanden na onze brief van 31-10-2006 nog steeds geen inhoudelijke schriftelijke reactie van u hebben ontvangen, n.b. na herhaalde verzoeken van onze kant en diverse toezeggingen van uw medewerkster mevrouw T. Hoeve, stelt ons zeér teleur. In een telefoongesprek op 9 juli jl. met uw medewerker de heer Van Vliet kwam opnieuw naar voren dat u té druk bezet zou zijn om een brief aan ons te schrijven, en dat bovendien in een gesprek beter de verbanden tussen e.e.a. konden worden gelegd.
Beide argumenten zijn in onze ogen zeér òngeloofwaardig!
Wat het eerste argument betreft vragen wij ons af: Is het gebruikelijk dat kamerleden briefschrijvers alleen maar mondeling willen antwoorden? Of zijn wij van "Rechten voor al wat leeft" soms lagererangsburgers die geen recht op een schriftelijk antwoord hebben? En dat terwijl een goed gesprek veel meer tijd in beslag neemt dan het schrijven van een brief!
Het tweede argument achten wij (evenals het eerste trouwens) een zwaktebod, en wordt door ons als volgt vertaald: In een gesprek kunnen gevaarlijke klippen wellicht handig worden omzeild, en bovendien wordt er niets vastgelegd van het gesprek, zodat later altijd ontkend kan worden dat iets zo en zo is gezegd, of er kan worden gesuggereerd dat wij e.e.a. verkeerd zouden hebben begrepen of geïnterpreteerd. Op hetgeen in een brief wordt vastgelegd kan de schrijver later worden aangesproken. En dat, meneer Ormel, wilt u nu juist liever niet.

Dat u als volksvertegenwoordiger én als dierenarts kennelijk niet in staat bent tot het schrijven van een adequaat antwoord, waar u achter kunt staan en verantwoordelijkheid voor durft te nemen, vinden wij verbijsterend en diep-treurig!
O.i. is het CDA, als het om dierenleed gaat, geen knip voor de neus waard!

P.S. Aangezien onze achterban al maandenlang uitkijkt naar uw reactie op onze brief van 31-10-2006, zullen wij bovenstaande tekst publiceren in het oktobernummer van ons Contactblad.
Een kopie van deze brief zenden wij aan de fractievoorzitter van het CDA, de heer P.L.B.A. van Geel."

De minister van Landbouw, mevrouw G. Verburg
Onze brief over het ritueel slachten aan LNV-Minister mevr. G. Verburg (volledige tekst in Contactblad april 2007) is de tweede brief waar wij nog steeds geen antwoord op hebben gehad.
Op 25 mei jl. zonden wij een officiële klacht aan het ministerie, met de volgende inhoud:
"Op 5 maart 2007 stuurden wij u een schrijven betreffende het ritueel slachten, en wij gaven hierin aan dat wij gaarne een antwoord zouden ontvangen.
We zijn inmiddels bijna 3 maanden verder, en aangezien de overheid altijd binnen 6 weken dient te reageren (al is het maar om mede te delen dat een antwoord meer tijd in beslag neemt) vragen wij ons af wanneer wij dit mogen verwachten!
Indien wij vanaf heden binnen 6 weken geen antwoord ontvangen zien wij ons helaas genoodzaakt de Nationale Ombudsman in te schakelen."

Na 6 weken wachten op antwoord hebben wij nog een telefonische poging gedaan, waarover u kunt lezen in onderstaande brief aan de Nationale Ombudsman van 21 juli 2007:

"Geachte Ombudsman, Hierbij wenden wij ons tot u met het volgende:
Op 5 maart 2007 zonden wij een schrijven aan de Minister van LNV, mevrouw G. Verburg (zie bijlage 1). Toen wij na ruim 11 weken nog geen reactie hadden ontvangen, zonden wij op 25 mei 2007 een klacht aan het Ministerie van LNV (zie bijlage 2).
Op 9 juli 2007, toen er inmiddels weer ruim 6 weken waren verstreken, hebben wij, alvorens onze klacht direct aan u voor te leggen, eerst nog eens telefonisch contact gezocht met genoemd ministerie, en wel met het secretariaat van de Minister. Men bood excuus aan dat wij nog steeds geen antwoord hadden gekregen, en ons werd gevraagd om kopieën van beide brieven nog eens per fax toe te zenden. Wij zouden dan zo snel mogelijk daarna teruggebeld worden. De faxen hebben wij direct verstuurd. Maar wij werden niet teruggebeld. Aan het eind van de dag belden wij zelf op naar dezelfde dame die ons had gevraagd de brieven te faxen. Deze zei dat ze ons zou doorverbinden met iemand die daar verder over ging. Deze tweede mevrouw deelde ons mee dat beleidsmedewerker Dierenwelzijn de heer Bours hier over ging, maar deze was er die dag niet. Morgen, 10 juli, echter wel, en dan zou hij ons zéker opbellen. Op 10 juli kwam er echter géén telefoontje van de heer Bours. Op 11 juli hebben we zelf weer gebeld en gevraagd naar de heer Bours. Deze was echter weer niet aanwezig. Op onze vraag waarom de heer Bours ons op 10 juli niet had gebeld, terwijl het toch zó was beloofd, kregen we te horen dat de heer Bours op 10 juli ook niet aanwezig was geweest, omdat hij een paar dagen in het buitenland was. Maar op 12 juli zou de heer Bours er weer zijn, en we zouden hem dan tussen 12.00 en 14.00 uur kunnen bereiken. Toen wij echter de volgende dag tussen 12.00 uur en 14.00 uur opbelden, vernamen we dat de heer Bours in bespreking was, maar men had een notitie bij hem neergelegd, dus wij zouden worden teruggebeld. Nu is het inmiddels 21 juli, en nog nooit zijn wij teruggebeld.....
Nu er zó met ons is gesold leek ons het moment aangebroken waarop wij onze klacht aan u willen voorleggen. Ons verzoek is dan  ook: Zou ú ons kunnen helpen? Wij zouden toch echt graag een inhoudelijk antwoord willen ontvangen op onze brief van 5 maart 2007!"

Van de Nationale Ombudsman vernamen wij kort daarna dat men onze brief had doorgestuurd naar het Ministerie van LNV "met het dringende verzoek uw klacht alsnog volgens de wettelijke voorschriften te behandelen en mij (de Nationale Ombudsman - red.) een afschrift te sturen van de brief waarmee de klacht wordt afgedaan."
Al kort daarop ontvingen wij een excuusbrief van het ministerie, met de toezegging dat men er naar streefde (rekbaar dus - red.) onze klacht binnen vier weken te behandelen. Dus afwachten maar weer......

   

NEDERLANDSE EUROPARLEMENTARIËRS
Om u een idee te geven van wat er zo al huist onder onze Nederlandse politici in het Europarlement (en in Den Haag is dat niet anders!) als het gaat om dier(on)vriendelijkheid, nemen we het volgende bericht van circa een half jaar geleden voor u over, dat we vonden op de website van Stichting De Faunabescherming:

Europarlement neemt motie aan tegen de (zang)vogeljacht op Malta
(22 maart 2007)
Veel Nederlandse Europarlementariërs (van VVD, CDA en D66) stemden juist vóór handhaving van de vogeljacht.
Meer dan 5 miljoen vogels worden er ieder jaar geschoten. In strijd met de eigen EU-regels.
Over de vogeljacht op Malta is gestemd in het Europarlement. Zes van de 27 Nederlandse parlementsleden vonden de stemming niet belangrijk genoeg om er aan deel te nemen. Vóór de resolutie stemden leden van de SP, de Christen Unie/SGP, PvdA, Groen Links en Europa Transparant. Maar tegen de resolutie en dus vóór de jacht stemden: Sophia in 't Veld (D66), Jules Maaten, Toine Manders en Jan Mulder (VVD), Bert Doorn, Maria Martens, Lambert van Nistelrooij, Ria Oomen-Ruijten en Corien Wortmann-Kool (CDA). Deze vogeljacht is met geen enkel fatsoenlijk argument te verdedigen, en daarom vindt De Faunabescherming de opstelling van genoemde Europarlementariërs schandalig. (En wij ook! - red.)
Ondanks de tegenstemmen van de groep Evangelische Volks Partij (EVP) in het Europese Parlement waartoe behalve het CDA ook de Italiaanse jachtgezinde aanhang van Berlusconi behoort, is de stemming toch gunstig uitgevallen. Met 300 stemmen vóór - en 253 tegen heeft de voor de zangvogels positieve resolutie het gelukkig toch gered. 

   

WILDE GANZEN
Wat zeggen wetten nog in dit land?
Er is een Flora- en Faunawet. Hierin staat de bescherming van wilde dieren voorop. Er staat o.a. in dat bepaalde diersoorten, w.o. de wilde gans (een beschermde diersoort!), alleen mogen worden afgeschoten als 1. echt is aangetoond dat de dieren (landbouw-)schade of overlast veroorzaken, 2. alle alternatieve methoden om de dieren te verjagen zijn uitgeprobeerd en niet blijken te werken, en 3. er controle wordt uitgeoefend op de jacht.(Van handhaving van deze eis is in de praktijk bijna nooit sprake als het om jacht gaat)
Wat echter niet in de Flora- en Faunawet staat is, dat afschot niet helpt het aantal ganzen werkelijk terug te brengen. Integendeel! Het is als bij de duiven en vele andere diersoorten: wegvangen of afschot leidt altijd tot intensievere voortplanting. Bovendien worden de opengevallen plaatsen al gauw ingenomen door jongere soortgenoten elders uit de omgeving.

Zuid-Holland
Half augustus  van dit jaar konden we in de pers lezen dat de provincie Zuid-Holland ontheffing had verleend tot het afschieten van 12.000 wilde ganzen, zonder dat er aan de genoemde voorwaarden was voldaan. En dat terwijl er wel degelijk geschikte alternatieven bestaan. Zo loopt er in Noord-Holland een proef met mechanisch verjagen om te voorkomen dat de ganzen het gras uit de weilanden wegkapen of het graan van de akkers (Trouw 15-08-'07). Ook kunnen landbouwgebieden onaantrekkelijk worden gemaakt voor deze dieren en kunnen in de buurt van natuurgebieden foerageerterreinen worden gecreëerd. Dit soort mogelijkheden zijn in Zuid-Holland niet uitgeprobeerd. Men grijpt liever direct naar het geweer.

Van de nood een ondeugd
Wat doet nu het ministerie van Landbouw? I.p.v. de Flora- en Faunawet te handhaven en Zuid-Holland te sommeren eerst alternatieve mogelijkheden uit te proberen alvorens tot afschot over te gaan, gaat men een totaal andere richting uit dan welke de wet aangeeft. Wilde ganzen schijnen nl. lekker te smaken. En waarom dan niet van de nood een deugd gemaakt, of liever gezegd een òndeugd? Samen met de provincie Zuid-Holland onderzoekt het ministerie nu of het een goed idee is afgeschoten ganzen te verwerken tot natuur- of streekproduct. Iets dergelijks, in de vorm van vleespakketten, bestaat ook al van wilde zwijnen, herten en moeflons uit nationale parken in Nederland, en van z.g. "wilde" runderen uit de natuurgebieden van Staatsbosbeheer.
Met de wilde gans gaat de overheid dus bewust tegen de Flora- en Faunawet in, probeert geen alternatief uit, en laat massaal afschieten, heel goed beseffend dat afschot niets helpt om de populatie te verkleinen, maar u zult begrijpen dat dit laatste nu ook helemaal de bedoeling niet meer is. Zo zullen de jagers jaar-in-jaar-uit steeds genoeg ganzen kunnen bejagen, z.g. om "landbouwschade" te voorkomen, maar eigenlijk om de Nederlandse burger aan het ganzenvlees te krijgen, om zo het draagvlak voor de jacht binnen de samenleving te vergroten. Een soort verkapte ganzenfokkerij dus! Het mes snijdt dan aan twee kanten immers? Want, wet of geen wet, ook de jager moet aan z'n gerief komen, toch? En zo zit onze overheid in elkaar!

 

   

GEZONDHEIDS- EN WELZIJNSWET VOOR DIEREN
Als klap op de vuurpijl het jongste staaltje van gesjoemel met dierenwetten: De Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren wordt afgeschaft en zal opgaan in een groot geheel van allerlei wetgeving op het gebied van dierproductie. Wij schreven hierover in ons contactblad van januari van dit jaar. Door vele protestbrieven, w.o. die van ons, is het voor korte tijd uitgesteld, maar nu is het dan tóch zover. Het nieuwe ontwerpwetsvoorstel  Dieren ligt klaar. Door een nalatigheid van het ministerie zijn wij niet op tijd in kennis gesteld en hebben het concept te laat ontvangen om een gedegen commentaar daarop te kunnen geven. En dat terwijl het ons in april 2006 nadrukkelijk was toegezegd. In een volgend contactblad willen we nader ingaan op de nieuwe dierenwet.