Achtendertig dagen nadat Anja, Marja en Tanja als gouden kuikentjes uit het ei zijn gekropen snijdt een volautomatisch mes hun kelen door. Ze zijn inmiddels vetgemest tot twee kilo en hebben geen daglicht gezien. Uiteindelijk belanden ze als fileetjes in de schappen van de supermarkt.

Vraag het de Nederlanders en ze zeggen dat hun kippen een beter leven verdienen. Maar in de winkel blijven ze kiezen voor de aller-goedkoopste aanbiedingen. ‘Theoretisch zitten er aan de Nederlandse kip te veel poten’.

 

Journalist Gerard van Westerloo († 2012) volgde Anja, Manja en Tanja door de hele Nederlandse kippenketen. Van broederij, via mesterij en slachterij tot vleesverwerkings- en verpakkingsindustrie.

Het artikel verscheen december 2006 in M, het maandblad van de NRC. Gerard van Westerloo ontving begin april 2007 een Tegel, de vakprijs in de categorie ‘Dag- en weekbladen, achtergrond’.

     

Een officiële roepnaam kregen ze niet. We noemen ze Anja, Manja en Tanja. Hun borstfiletstukjes zijn inmiddels bij Albert Heijn uit het schap gevlogen. Het vlees van hun poten is in de buik van een Duitser of een Rus beland. Hun vel is in de worst verdwenen. Hun staartstukjes zijn naar Afrika geëxporteerd waar ze voor een delicatesse doorgaan. En het karkas waar hun vlees omheen zat is vermalen tot diervoeding.
Voor ze in een dier- of mensenmaag belandden, hadden de drie vleeskippetjes Anja, Manja en Tanja precies achtendertig dagen geleefd. In de nacht van donderdag 21 op vrijdag 22 september tikten ze zich te Groenlo in de Achterhoek los uit hun eischaal. Een goede maand later, in de nacht van zondag 29 oktober op maandag 30 oktober, werden ze te Dirksland op Overflakkee opgehaald uit hun meststal. Daar hadden ze zich, in die achtendertig levensdagen van ze, van een veertiggrams donzig kuikentje volgegeten tot een vleesklomp in verenpak van bijna twee kilo.
In de vroege ochtend van die 30ste oktober sneed een mes te Dedemsvaart in de kop van Overijssel machinaal hun halsslagader door. Anderhalve minuut later waren Anja, Tanja en Manja leeggebloed. En dood.
Dit verhaal is het verhaal van hun korte leven. Dat hebben ze, van begin tot eind, gedeeld met een massa identieke soortgenoten. In de stal waar hun vaderhaan hun moederhen bevruchtte, rollen om de week zeventigduizend broedeieren op de lopende eierband. In de broedfabriek waar ze uit het ei kropen, kruipen elke week een miljoen zevenhonderdduizend kuikens uit hun ei. De stal waarin ze gemest werden, deelden ze met tweeëntwintigduizend precies dezelfde kuikens. En in de slachterij waar ze stierven, sterven elke week zevenhonderdvijfentwintigduizend van zulke vleeskippen.
Behalve van Anja, Manja en Tanja is dit ook het verhaal van de mensen met wie ze tijdens hun leven in aanraking kwamen. Van de fokker die hun voorouders net zo lang gekruist heeft tot Anja, Manja en Tanja als vrijwel identieke borstvlees kwekende halfzusjes ter wereld konden komen. Van het boerenechtpaar dat hun directe ouders tot geslachtelijke omgang en tot de productie van zoveel mogelijk bevruchte eieren stimuleerde. Van de directeur van de broedfabriek, praktiserend Zen-mediteerder, die ze na achttien warme dagen als eendagskuiken ter wereld bracht. Van de vingervlugge dames die ze, vlak na hun geboorte, langs een lopende band op gebreken controleerden en ze, als die er waren, bij het afval deponeerden. Van de vrachtwagenchauffeur die de gezonde exemplaren van Groenlo naar Dirksland reed. Van de boerenbroers bij wie ze volgemest werden. Van de dierenarts die ze tegen pseudovogelpest inentte. Van de zeven mannen uit Friesland, die in een busje uit Harkema naar Overflakkee reden om Anja, Tanja en Manja midden in de nacht bij hun poten te pakken en in containers te proppen. Van de chauffeur die ze naar de slachterij reed. Van de mannen aan de slachtlijn die toekeken of het mes wel goed gesneden had. En van de lopende bandwerkers die Anja, Tanja en Manja kort na hun dood in delen uiteensneden.
In dit verhaal komen ze allemaal aan het woord. Ze zeiden het allemaal op hun eigen manier. Dat ze er `geen moeite' mee hebben. Want dat ze er `niet bij stil' staan. En dat ze zelf best `een kippetje lusten'. Maar als het gesprek wat langer duurde, zeiden ze vaak ook iets anders. Dat je `er niet bij na moet denken'. Want als je er wél bij nadenkt `kan je dit werk niet doen'.

Er schijnen in Nederland jongvolwassenen rond te lopen die op de vraag waar de kip vandaan komt antwoorden: uit het derde schap, tweede plank van onderen bij de Albert Heijn of de Jumbo. Uit onderzoek blijkt dat de Nederlander graag kip eet, maar dan het liefst kip die er zo weinig mogelijk als kip uitziet. En dat hij er geen idee van heeft hoe zijn satéstukjes, zijn kipblokjes, zijn halve gebraden haan en zijn drumsticks hun dagen bij leven en welzijn hebben doorgebracht. Dit verhaal vertelt u hoe: de biografie van drie doorsnee Hollandse vleeskippen.
     

Woensdag 16 augustus
Op het zomerse terras van café Riche in Boxmeer ontmoet ik Paul van Boekholt, vleeskuikenfokker. Van Anja, Tanja en Manja valt, zonder kennis van hun voorouders, niet veel te begrijpen.
Paul van Boekholt vertelt met het hem eigen fokkersenthousiasme dat er op de hele wereld nog maar vier vleeskuikenfokkers over zijn. Een kleinere, Hybro, is Nederlands, de andere drie, Ross (Brits), Cobb (Amerikaans) en Hubbard (Frans/Amerikaans) zijn samen goed voor 85% van de wereldproductie aan vleeskuikens. Van Boekholt werkt zelf voor Hubbard.
Hij noemt het moderne vleeskuiken `een soort Ferrari'. Dankzij uitgekiende foktechnieken, kruisingen tussen vier zuivere kippenlijnen, zijn de hybride nakomelingen begiftigd met het vermogen om binnen enkele weken schoon aan de haak net zo veel te wegen als een `normale' kip na enkele maanden.
Het zou nog beter kunnen, denkt Paul van Boekholt. Sinds ruim een jaar is het hele erfelijke materiaal van de kip volledig in kaart gebracht. Technisch zou het nu al mogelijk zijn om nóg vleziger vleeskippen te produceren via genmutaties. Maar dat zal voorlopig nog niet gebeuren. Dat ligt bij het publiek te gevoelig.
Nu moet het nog van klassieke fokmethodes komen. Die zorgen er bijvoorbeeld voor dat bijna alle vleeskippen wit zijn. Waarom? Omdat bruine kippen donkere puntjes op het vlees maken bij de vleugelpennen. Dat vindt de consument geen smakelijk gezicht.

Een paar dagen later maak ik kennis met de ouders van Anja, Tanja en Manja. Ze wonen achter Delden en ze zijn, blijkt dan, geen Hubbards maar Rossen. Ergens ver weg in Schotland wordt het vleeskuikentype Ross 308 gefokt. Dat geldt over de hele wereld als het ideale vleeskuikentje. De Nederlandse vertegenwoordiger van de firma verzekert dat een doorsnee Ross 308, om een kilo vlees rond de botten te vormen, niet meer dan 1,65 kilo voedsel nodig heeft. En dat het betreffende kuiken desondanks een kwart tot dertig procent méér borstfilet aankweekt dan welk concurrerend typetje ook. Bij de kippen van Hubbard, voegt hij daar vilein aan toe, ligt het percentage borstvlees nóg lager.

     

Maandag 29 augustus 2006
Aan de keukentafel van hun boerderij achter Delden in Overijssel, zitten Henny en Marianne Koebrugge, kuikenvermeerderaars, aan de koffie en de koek. Over een half uurtje, zeggen ze, is het zover. Dan gaan ze de ochtendeieren rapen, waar ik er drie van uit mag zoeken om er een A voor Anja, een M voor Manja en een T voor Tanja op te zetten. Henny en Marianne hebben vier stallen waarin bij elkaar twintigduizend hennen en tweeduizend hanen op natuurlijke wijze en in de vorm van broedeieren voor zo'n zeventigduizend nakomelingen per week zorgen. De ouders van Anja, Manja en Tanja blijven net geen jaar bij de Koebrugges aan de leg (de vrouwtjes) of aan het bespringen (de mannetjes). Zodra ze voor het eerst in de rui gaan, verdwijnen de vrouwtjes in de soep en de mannetjes naar Frankrijk waar ze dol zijn op taaie hanen. Kort daarop worden de hennen en de hanen achter Delden vervangen door verse ouderdieren.
Henny zegt dat het werk van een kuikenvermeerderaar topsport is. `Ja', beaamt Marianne. `Je probeert het optimale uit die dieren te halen. Als je het zo'n dier niet naar de zin maakt, trekt het zijn gaatje dicht en dan houdt het op'.

Een half uur later zet Henny de lopende band aan die de zojuist gelegde eieren uit zijn vier stallen naar een centrale ruimte transporteert waar ze in kratten gelegd en opgestapeld worden.
De eieren van Anja, Manja en Tanja komen uit stal drie, een daglichtloze ruimte waarin circa vijfduizend vader- en moederdieren wonen.
Henny gaat me voor naar die stal. De meeste hennen staan, lopen of zitten op een verhoogd rooster. Daarboven hangen de voerbakken met spleten waar de kop van een haan niet doorheen kan. De meeste hanen lopen op de grond van stro daarnaast. Ze pikken net voldoende voer op uit hun eigen bakken om in leven te blijven, maar niet voldoende om een aanhoudend gevoel van trek te onderdrukken. Een hongerige haan `treedt' -het vakwoord voor bespringt- een hen een stuk potenter.
Henny vangt een haan en onderzoekt de streek rond het geslachtsdeeltje. `Mooi rood', zegt hij. `Actief beestje'. Het kruis van de volgende haan die hij onder de vleugels optilt ziet er bleek en droog uit. `Die doet niets meer. Die moet ik de nek omdraaien.'
Henny kijkt er wat hulpeloos bij. `De natuur zelf is ook bikkelhard', zegt hij. `Wat niet goed is wordt anders wel door de anderen uitgeschakeld'.
Een beetje haan, zegt Henny bewonderend, kan overdag `heel veel treden'. Met name tussen vier uur en zes uur in de middag. Dan kan je als hennetje je kuisheid wel vergeten.
De eieren van Anja, Tanja en Manja zijn in stal drie door een onbekende vader bevrucht bij een onbekende moeder die haar eieren in een donkere nis legt waaronder de lopende band schuil gaat. `Vergis je niet hoor', zegt Henny als ik sommige van zijn hennetjes voddenbaaltjes noem wier verenpak er nogal uitgewoond bijhangt. `Mijn mooiste dieren presteren het minste'.
Terug in de woonkeuken spreekt Marianne Koebrugge de zin uit die ik door de hele keten heen als overtuigend bewijs van diervriendelijkheid zal horen. `Als onze dieren', zegt ze, `het optimale aantal eieren leggen, dan kan het niet anders of ze verkeren onder optimale omstandigheden in een optimale gezondheid'.
Het is de redenering die door de hele bedrijfstak heen wordt aangehangen. Zolang het met de productie goed zit, zit het met de dieren zelf ook goed. Boerbelang is kipbelang en kapbelang is boerbelang.
Of gaat het hier om een cirkelredenering? Zoals Nederland ooit groot geworden is door het wijs bestuur van onafhankelijke waterschappen die begrepen dat ze elkaar nodig hadden, zo floreert de vleeskuikenindustrie hier als een keten van zelfstandige bedrijven die niet zonder elkaar kunnen. In vleeskuikenmolochen als Amerika en Brazilië verzorgen enorme geïntegreerde grootbedrijven de integrale productie van ei tot boutje. In Nederland gaat het zo niet. Hier is sprake van een aaneenschakeling van bedrijven en bedrijfjes waarin elke boer, elke fokker, elke broeder en elke slachter zijn eigen baas is. En toch vormt ook hier die hele keten een soort van integratie. Onderweg valt de herkomst van elk kuiken nauwgezet te traceren. Op de eischaal staat het stempel van de boer bij wie het ei gelegd werd. Al die eieren van die ene boer worden inde broederij in dezelfde broedkamers bij elkaar gelegd. Samen ondernemen ze, als eendagskuiken, de verre tocht naar de boer die ze vet mest. Samen reizen ze vandaar naar de slachterij die ze onthalst. En als ze op een filetbakje bij een filiaal van Albert Heijn op het schap liggen, weet de winkelier precies waar het vlees vandaan komt dat hij in de kuip heeft.
Nederlandse kuikenkwekers kijken neer op de Amerikaanse of Braziliaanse grootbedrijven. `Als ik in dienst van zo'n gigant moest werken', is het adagium van de mestboeren, `dan was ik geen pluimveehouder, maar babysitter'.
Op alle plaatsen waar ik in de stal, in de broedkamer of naar de slachthaken mocht kijken stond één aspect centraal: de vrees dat hun kip u ziek maakt. Ik geloof niet dat ik ooit, in zo weinig weken, zo vaak onder een fabrieksdouche gestaan heb, mijn schoenen moest ontsmetten, witte kapjes over mijn hoofdhaar diende te plooien, rubberen klosschoenen over schone sokken aan heb getrokken en beide handen met sterk desinfecterende zeep heb gewassen.
De hele productie van Nederlandse vleeskuikens is, kortom, gericht op de gezondheid van de kippeneter. En in de hele keten is het geloofsartikel nummer een dat een vleeskip die voor u gezond is, zichzelf dus ook senang voelt.

     

Donderdag 31 augustus
De zon is net boven de horizon uitgekomen. Over de velden achter Delden hangt een deken van dauw. Op het erf voor de stallen staat een deugdelijk verwarmde en geventileerde vrachtwagen klaar om Anja, Manja en Tanja in eivorm naar hun broedkamer onder de rook van Groenlo te brengen. Ze maken de reis met ruim tweeëntwintigduizend collega-kippen-embryootjes, onder wie honderdtwintig tweelingen.
Op de vrachtwagen staat in geel en rood dat een ei van Cobroed altijd beter uitkomt. En naast de vrachtwagen staat Roel, de zoon van Henny en Marianne Koebrugge, die op de broedfabriek in Groenlo werkt als schouwmeester. Ook is hij parttime vrachtwagenchauffeur. Hij laadt de eieren in en vertrekt. Onderweg vertelt hij dat hij geregeld naar Duitsland rijdt, tot tegen de Poolse grens aan, om eieren op te halen of om eendagskuikens af te leveren. En dat het maar goed is dat van de vaderhanen het kleine teentje afgehakt en de snavel bewerkt wordt, want dat de hanen anders tijdens het bespringen de nek van de hennen tot bloedens toe stuk zouden pikken en snijden.
Om tien voor half negen die ochtend staat hij met zijn eieren voor de ingang van de broederij. Niet lang daarna rijden mannen in ontsmette kledij Anja, Tanja en Manja naar de computergestuurd verwarmde, geventileerde en bevochtigde voorbroedkast 422. Ze hangen aan de deur een kaartje waarop vermeld staat dat de eieren tot 19 september in voorbroedkast 422 moeten blijven. Daar liggen ze op rekken die om de zoveel tijd omhoog en omlaag bewegen, zodat de ongeboren vruchten het overal even warm hebben.
Zo liggen te Groenlo, in tal van voorbroedkasten langs eindeloos lange gangen, samen met Anja, Manja en Tanja, nog eens vijfeneenhalf miljoen vleeskuikentjes op het uur van hun geboorte te wachten.
Paul van Boekholt, de fokker van Hubbard wiens vleeskuikentjes volgens de fokker van Ross een kwart minder borstfilet aankweken, praat bevlogen over het project van `de Boerenkip'. Zijn fokkerij is dat, samen met de universiteit van Wageningen, een aantal supermarkten, waaronder Jumbo, Albert Heijn en Jan Linders, samen met de dierenbescherming bezig op te zetten. Die zogenaamde boerenkuikens leven geen 38 dagen zoals de industriekippetjes Anja, Tanja en Manja, maar 56 dagen. En ze zitten niet in een stal zonder daglicht. Hun behuizing heeft een opening naar buiten waar het licht doorheen valt. Als ze willen kunnen ze op een overdekte veranda van dat daglicht genieten.
Wageningen heeft onderzocht of het boerenbelang inderdaad overeenkomt met het kippenbelang. Als vleeskuikens er 56 dagen over mogen doen om twee kilo zwaar te worden, zijn ze dan ziekelijker, net zo gezond of gezonder als beesten die dat in 38 dagen moeten klaarspelen?
De resultaten van dat onderzoek, neergelegd in een dikke bundel Perspectieven voor een alternatieve kuikenvleesketen, laten weinig ruimte voor een vrolijke kijk op het snelgroeiend vleeskippetje. Het blijkt wetenschappelijk aantoonbaar dat die van 38 dagen in een donkere stal, vergeleken met hun langzamer groeiende broertjes en zusjes in een stal met daglicht, veel vaker (2,09 tegen 0,36%) acuut dood neervallen omdat hun hartje het begeeft. En dat ze bijzonder veel vaker (43,4% tegen 13,1%) moeite hebben met lopen. Ook hebben ze extreem veel meer (92,8% tegen 12,5%) te lijden van lichte tot matige irritaties aan hun voetzolen. En ze komen veel vaker (5,58% tegen 1,49%) tijdens de mestperiode, door welke oorzaak dan ook, voortijdig te overlijden.

     

Dinsdag 19 september
`Ik heb geen verstand van kippen hoor'. Cobroedmedewerker Sjoerd loopt in straf tempo richting broedkast 422, opent de deur en rolt het rek met de eieren van Anja, Tanja en Manja erop naar buiten. Een vervaarlijk stinkend gasei ploft op de vloer voor onze voeten uiteen. `Lik maar op', grapt Sjoerd.
De eieren van kast 422 hebben daar achttien dagen liggen broeden. Nu moeten ze `de schouw' in. Op een lopende band sukkelen ze langs een elektronisch oog dat meedogenloos vaststelt of ze wel bevrucht zijn. Zo niet, dan tillen zuignapjes ze als loze eieren uit het rek om hun inhoud uit te kotsen in een vergaarbak, waarvan de inhoud naar de shampoo gaat. Op het rek van mijn drie verhoopte borelingen liggen 150 eieren. Als de zuignapjes hun werk gedaan hebben zijn dat er nog 120. Ik haal opgelucht adem. De eieren met de A, de M en de T erop zijn op het rek blijven liggen. Sjoerd rolt de kuikens naar kast 48, hun verloskamer. Als alles goed gaat zullen Anja, Manja en Tanja daar over twee dagen het levenslicht aanschouwen.
In een rijkbelommerde Wageningse laan waaraan aan de landbouw- en de veeteeltprofessoren wonen, houdt Peter van Horne kantoor in een kast van een wetenschapsgebouw. Hij is de vleeskuikenexpert van het Landbouw Economisch instituut, het LEI.
Het staat nu wel vast, zegt hij, dat de dieren beter af zijn als ze er wat langer over mogen doen om op gewicht te komen. `Ik zal niet zeggen dat zo'n snelgroeier niet kan lopen. Maar een boerenkip loopt beter. En een biologische kip kan rennen.' Het probleem, legt van Horne uit, is dat de Nederlander geen hele kip meer koopt en ook bijna geen poten meer, maar het liefst alleen filet. `Economisch gezien hebben we in Nederland te veel poten aan een kip.'
Zo wordt de waarde van de kip bepaald door de prijs van de borstfiletjes. En die gooien de supermarkten graag in de aanbieding., zodat de kip, in de beleving van de koper, voor goedkoop doorgaat.
Er is een hoop onderzoek naar gedaan, met telkens dezelfde uitkomst. De kippeneter wil maar een heel klein beetje méér voor zijn filetjes te betalen, als hij de dieren daarmee een beter leven kan bezorgen. In feite interesseert het de Nederlander geen klap hoe de kip die hij op tafel zet geleefd heeft.
Het liefste zou Peter van Horne de hele kippenteelt in Nederland op zijn Amerikaans concentreren in een paar grote ondernemingen met alles van fokkerij tot mesterij onder één dak. `Wat je dan aan transportkosten bespaart is gigantisch.' Hij weet ook wel dat zijn ideeën geen schijn van kans maken. Nederlandse kippenboeren willen dolgraag de schijn ophouden dat ze zelfstandige ondernemers zijn. Maar dat zijn ze volgens van Horne toch al nauwelijks meer. Bijna elke mester zit met handen en voeten contractueel gebonden aan een broederij, een slachterij of een voedingsleverancier. `De kippenboer in Nederland', zegt hij, `zit strak vast aan een touwtje'.

     

Vrijdag 22 september, vroeg in de morgen
Om zes minuten voor zeven gaat de deur van verloskamer 48 open. Even later voel ik, door hun geeldonzen vachtje heen, de hartjes van Anja, Manja en Tanja heftig kloppen. Ik zet de drie kuikentjes terug in de groene krat die ze met een zwerm soortgenoten en de zojuist gebroken eierschalen delen. Ze verdringen elkaar met hun gitzwarte kraaloogjes voor de openingen. Sommige steken er een pootje doorheen. Een enkeling raakt licht bekneld met het zojuist geboren hoofdje. In de krat van Anja, Manja en Tanja vind ik twee dode kuikentjes. Dan brengt een hefapparaat ze naar de ruimte waar drie vrouwen en twee mannen de kuikentjes van de eierschalen scheiden en de beestjes op een lopende band tillen. In één greep kunnen ze met beide handen vijftien of twintig kuikentjes aan. Die glijden vervolgens, nog steeds op de band, langs een controleur, wiens taak het is om de al te schriele diertjes tussen de gezonde uit te halen. Kuikens met open buikjes, lamme pootjes of van onvoldragen groei verdwijnen, samen met de eierschalen, tussen de scherpe messen van de destructor. De goeie kuikens mogen door en glijden een razendsnelle band op die ze eerst telt en daarna met tachtig tegelijk via een steile roetsjbaan in gereedstaande rode kratten laat tuimelen.

Sylvia en Karen werken allebei als kuikenpakster part time bij de broedfabriek van Cobroed. Meestal beginnen ze om zes uur in de ochtend. Ze houden met werken op als alle kuikens van die dag uit het ei gekropen, op hun levensvatbaarheid beoordeeld en in kratten verpakt zijn. Op hoogtijdagen zien ze een half miljoen kuikens langs zich heen komen.
Als het werk gedaan is en als Karen en Sylvia hun salmonellavrije witte werkkleding verruild hebben voor hun eigen spijkerbroek en T-shirt, schuiven ze in de koffiekamer aan voor een korte evaluatie. `Kuikens die niet helemaal goed zijn hebben vaak iets verlegens', zegt Karen. `Je ziet het aan hun oogjes', zegt Sylvia. `Als je twijfelt gooi je ze niet weg'. `Alleen als ze echt niet goed zijn, moeten ze bij het afval.'
`Ik heb er geen moeite mee'.
`Ze zijn niet zwaar. Je pakt ze gewoon.' `Gevoel heb ik er niet bij."
`Over zes weken liggen ze bij de slager.' `Niet bij stilstaan!'
`Eigenlijk moeten ze klein blijven'. `Ik heb dat ik niet verder denk.'
`Nog even en ze zijn echt niet mooi meer.' `Dan hoef ik ze niet meer te zien.' `Ja. In de diepvries'.
`Wij zien alleen nummers. Er staan geen namen bij.'
`Daarom. Daarom doet het ons weinig.' Dan drinken ze hun koffie en gaan ze naar huis om de kinderen van school te halen.

Jan van Harn is als vleeskuikenspecialist verbonden aan de Universiteit van Wageningen, dependance Lelystad. Ook hij is betrokken bij het project `Boerenkip'. Een tijdje terug is hij daarvoor, samen met twaalf andere vleeskuikenspecialisten, in Frankrijk geweest, waar de mensen hun geld wel graag uitgeven aan een doorleefde kip. In Engeland ook. Sinds de gekke koeienziekte smaakt het industriekippetje de Brit veel minder.
In Frankrijk lieten Jan van Harn en zijn medespecialisten een erkende kippenkok drie boutjes en filetjes op exact dezelfde manier klaarmaken. Een van een industriekuiken. Een van een kip die 56 dagen geleefd heeft. En een van een waarachtig biologisch vleeskippetje. Ze moesten zeggen welke portie ze het lekkerst vonden. `De scheiding', zegt Jan van Harn, lag bij veertig jaar.' Iedereen die ouder was vond het doorleefde kippetje het lekkerste. En iedereen die jonger was gaf de voorkeur aan het industriële kuikentje. Ze moesten ook vertellen waarom. De jongeren zeiden dat het vlees van hun industriekippetje veel malser en zachter was. En dat ze er met hun mond `niet zo hard op hoefden te werken'.

Vrijdag 22 september, halverwege de middag
Als we Dirksland naderen neemt Gerrit Tuten, de eendagskuikenschauffeur, mobiel contact op met de gebroeders van der Baan, kippenboeren op Overflakkee. Hij komt graag bij de van der Banen, zegt hij. Vriendelijke mensen. Je krijgt er altijd koffie.
Jan van der Baan antwoordt mobiel dat hij de kuikens tegemoet komt rijden. Rond Dirksland zijn de wegen een ramp. De hoofdweg is al weken afgesloten.
Gerrit Tuten stuurt zijn kuikens, warm gehouden op 38 graden, behendig over smalle weggetjes die dwars door de uitgestrekte aardappel- en bietenvelden lopen. Met de kippenboer als voorrijder bereiken we gezond en wel zijn erf. Twee groene voedersilo's verraden de aanwezigheid van een vleeskippenstal. De enige, zegt Jan van der Baan trots, op het hele eiland. De vloer van de stal is bedekt met vers en mooi droog stro.
Samen met zijn broer en compagnon Lou en met enkele helpers kiept jan de kuikentjes uit de kratten op de grond. Anja, Tanja en Manja krijgen een plekje achteraan in de stal, links tegen de muur aan. Daar zullen ze de komende 38 dagen, verdwenen in de massa, nauwelijks meer vandaan komen.
De beide broers laten de voederbakken, pannen zeggen ze zelf, naar beneden zakken zodat de kuikentjes erbij kunnen. De vlugsten springen door de tralies heen begerig af op hun eerste vaste maaltijd. Vers water komt uit nippels, die de kuikens met gestrekte nek en gesperde snavel open duwen.
Tweeënvijftig kuikens hebben de rit van Groenlo naar hier niet overleefd. De overige Rossjes 308 zouden bij wijze van spreken ook het vliegtuig naar Abu Dhabi, Manilla of Sao Paulo hebben kunnen nemen. In hun dooierzak zit voldoende leeftocht voor drie dagen. Daar teren ze op als ze niet naar Dirksland gaan, maar naar ergens achteraan in Duitsland.
Als alle kuikens binnen zijn, is het stro bedekt met een gele donsgloed. Achter in de stal slaan de helpers met stokken op een stuk hout, in de hoop dat de kuikens erop afkomen en zich zo door de hele stal heen verspreiden. Jan zet de verwarming op 38 graden. Lou doet de staldeur dicht.
In het halve uur van hun binnenkomst hebben Anja, Tanja en Manja het enige daglicht gezien dat ze in hun levensdagen zullen opvangen. Jan van Harn, kuikenonderzoeker te Lelystad, heeft uitgerekend dat er in Nederland nog 750 kippenmesters over zijn van de 1800 die er in 1980 praktijk aan huis hielden. Van die 750 bedrijven werken er circa tien op biologische grondslag. `Je kan gerust zeggen dat het Nederlandse vleeskuiken, op een enkele uitzondering na, een geboren bodybuilder is.'

     

Vrijdag 29 september
Anja, Tanja en Manja, een week oud inmiddels, zien er nog steeds geeldonzig uit, maar ze hebben al kleine vleugelpennen met witte veertjes eraan. In hun eerste week zijn ze een ons gegroeid.
Honderdzestig andere kuikens hebben de eerste week niet overleefd. `Niks om je zorgen over te maken', zegt Jan van der Baan terwijl hij zijn laarzen aantrekt om de stal door te lopen. Honderd dooien op de eerste dag is normaal. Bij duizend dooien belt hij naar de broederij in Groenlo. Die zegt dan, sorry Jan. Dat vergoeden wij je. Hij is al zestien jaar klant bij de broederij van Cobroed.
In de hoek van Anja, Manja en Tanja liggen de kuikens op hun buik in het stro dat inmiddels vermengd is met hun eigen uitwerpseltjes. Tot nu toe hebben ze dag en nacht in kunstlicht geleefd. Vanaf vandaag zorgt een tijdklok ervoor dat ze afwisselend drie kwartier schemer krijgen en een kwartier kunstlicht. In dat kwartier staan ze op en gaan ze eten. `Wakker dier', zegt jan van der Baan wat hulpeloos, `wil dat we ze een normaal dag- en nachtritme geven.' Maar dan krijgt hij ze nooit op tijd op twee kilo.
In hun woonkeuken heeft Anneke van der Baan, de vrouw van boer Jan, de koffie en de koekjes al klaargezet. Jan draait zijn zoveelste halfzware van Nelle. Hij heeft, zegt hij, wel kuikens gekweekt waarvan zeven procent de afhaaldatum niet levend haalde. Gemiddeld komt hij uit op vier procent voortijdige dooien. Je hebt er kuikens bij, zegt hij, die lopen op je af, springen omhoog en vallen dood neer op hun rug. Altijd op hun rug. Maar dat heb je bij mensen ook, dat ze pats, boem in één keer weg zijn. Het gaat altijd om de wat zwaardere beesten, de doodgroeiers. Hun hartje kan het groeitempo niet aan. Als hij veel doodgroeiers heeft zet hij de stal wat donkerder. Dan gaan ze eerder rusten en dan groeien ze minder hard. Een paar doodgroeiers moetje er altijd wel tussen hebben. Die wijzen op een goed gemiddelde.
Het zijn, zegt de kippenboer, natuurlijk geen normale beestjes. `Als je ze buiten in een regenbuitje zet, blijft er niet veel van ze over.'

Aan de balie van zijn praktijk te Oude Tongen staat dokter Schilder, dierenarts, mij ijzerenheinig op te wachten. Duidelijk geen man die het afgesproken persbezoek als het vrolijke hoogtepunt van zijn dag ziet. Mijn vragen beantwoordt hij zo eenlettergrepig als hij kan. Ja inderdaad, twee keer per jaar controleert hij de stal van Van der Baan op de aanwezigheid van salmonella's en campylobacters. En een keer per mestronde bespuit hij uit een bus op zijn rug de kuikens met entstof tegen de pseudovogelpest. Zelf doet de boer er nog twee entingen bij. Een tegen gumboro. En een tegen bronchitis.
Heeft het dierenwelzijn, vraag ik hem, te lijden onder de eisen van voedselveiligheid? `Nee, juist niet.'
Biologische kippen, zegt hij, hebben veel meer uitval - het vakwoord voor doden. Hij vraagt zich af of de biologische kippenboer wel goed bezig is met zijn vak.
Vindt u dat zulke snelgroeiende kippen een acceptabel leven hebben?
`Jazeker. Want anders konden ze nooit zo snel zo zwaar worden.'
U vindt het normale kippen?
`Wat is normaal?'
Dokter Schilder zegt dat hij niet één dierenarts kent die vegetariër is.
En dat de kuikens geen dag- en nachtritme kennen?
`Zie ik geen probleem in.'
U ziet helemaal geen bezwaar in deze vorm van vleeskuikenkwekerij?
`Nee', zegt hij. `Het dier moet zijn nut hebben.'

     

Vrijdag 6 oktober
Twee weken oud wegen Anja, Manja en Tanja al 450 gram, ruim tien keer zoveel als toen ze de stal in Dirksland binnenkwamen. Het dodental staat inmiddels op driehonderd.
Jan van der Baan laat me een penstukje aan een vleugel voelen. Als je dat eraf haalt, zegt hij, kunnen ze nooit meer vliegen. Maar dat doen ze toch al niet.
Ik vraag hem naar het verschil tussen de hennen en de hanen. Dat is er eigenlijk niet. Of ze nu van het mannelijke geslacht zijn of van het vrouwelijke, allemaal hangen ze aan de slachthaak voordat hun hormonen op beginnen te spelen. De hanen groeien iets sneller, dat vaak wel. `Je moet het zo zien', zegt jan van der Baan, `het is hier toch een soort vleesfabriek. Raar gezegd misschien, maar het is wel zo.'
Dit keer heeft Anneke de koffie in hun woonkamer klaargezet. Mijn oog valt op een stevig gebonden boek dat De geïllustreerde kippenencyclopedie heet en geschreven is door Esther Verhoef en Aad Rijs. Op de titelpagina staat een opdracht. Voor Jan en Anneke, van Marja en Ma,16-03-03. `Hebben we gekregen voor onze 25ste trouwdag', zegt Anneke. `Dat boek, daar zit Jan de hele avond in te lezen. Dat kent hij uit zijn hoofd.'
`Ach', zegt jan. `Het is een hobby.'
Hij neemt me mee naar de andere kant van zijn erf, naar achter het woonhuis, waar hij een paar mooie hokken met gaas ervoor heeft. Daar wandelen zijn sierkippen in rond. 'Wyandottes', zegt hij trots. `In allerlei kleuren'. In het boek staat dat ze rozenkammig, simpel handtam te krijgen en vol bevederd zijn.
Voor een van de hokken wandelt een jonge fazant rond. Die heeft jan als ei gevonden en dat ei heeft een van zijn Wyandottes uitgebroed. Het fazantje slaapt in een bloembak die tegen de stal met zijn Wyandottes aan hangt. `Die krijgen zo nu en dan een slablaadje', zegt jan van der Baan. `Dat krijgen mijn mestkippen natuurlijk niet.' Terug in huis vraag ik hem naar het verschil. `Je moet voor al je kippen goed zorgen', antwoordt hij.
Hij heeft een buurman die nertsen fokt. Dat zou hij niet willen. Als je tegen zo'n beestje zegt, kom eens hier vriend, dan heb je een hap te pakken. Maar het is waar, zegt hij. Vleeskippen mest je. Sierkippen houd je. En daar houdt hij van.

Als er iets mis is met zijn kuikens belt Jan van der Baan naar het bedrijf Agrifirm dat hem zijn kippenvoer levert. En dan komt Evert van den Brink, kuikenconsulent, langs om te kijken of hij er iets aan kan doen. Hem tref ik op een doorweekte herfstavond thuis in Drenten. Hij legt uit dat Anja, Tanja en Manja tijdens hun leven vier soorten voer krijgen. Ze beginnen met babyvoeding, fijn van structuur en vol sojaschroot en ze eindigen met meer oliën en vetten. Dat voer is een stuk goedkoper. Bij mensen is een potje Olvarit ook duurder dan een tarwebroodje.
Evert van den Brink houdt ervan om het dier in vergelijkende mensentermen te beschrijven.
De ventilatie in de stal is erg belangrijk, net als in kantoren. Zijn bezoekjes aan Dirksland hoeven maar kort te duren, gezonde baby's zijn ook zo weer weg bij het consultatiebureau. En ja, ze groeien erg snel, maar dat heb je bij schaatsers ook, die rijden ook rondjes 32 waar ze vroeger rondjes 40 reden. Vindt u vier procent dode dieren acceptabel? Ja, want mensen lopen ook eerder kans om lood te gaan tijdens de zwangerschap of in hun eerste levensjaren.'

     

Dinsdag 17 oktober
Op het erf van jan van der Baan ligt een onafzienbare berg bieten op vervoer te wachten. Behalve in kippen doen hij en zijn broer ook nog in aardappelen en tarwe, in suikerbieten en cichorei.
Uit zijn stal heeft de kippenboer inmiddels 579 dooien geborgen.
Anja, Tanja, Manja en al hun soortgenoten zijn nu bedekt met een dun wit verenpak. Alleen hun borstjes zijn nog bloot. Daar zie je de filets danig groeien. Ze wegen nu een kilo en vijfentwintig gram. Rond deze tijd kweken ze er een halve ons per dag bij.
En dan zie ik het voor mijn ogen gebeuren. Uit de hoek van Anja, Manja en Tanja loopt een kuiken op ons af. Het volgende moment schiet hij de lucht in en valt hij morsdood terug op de grond. Jan van der Baan raapt hem op. `Flinke borstgroei', zegt hij. `Daar was het om begonnen.'

In Nederland miegelt het van de onderzoekers die in opdracht van het landbouwministerie of van de kippenindustrie en doorgaans in wetenschappelijk groepsverband, uitvogelen wat er over het vleeskuiken maar uit te vogelen valt. Wat het effect is van de eischaaltemperatuur op de vleeskuikenprestaties (Wageningen 2000). Of het kappen van de achterste teen bij hanen, bij hennen leidt tot meer of minder veerbeschadingen op rug en dijbeen (Wageningen 2002). En of er deugdelijke alternatieven zijn voor het toedienen van antimicrobiële voerbespaarders aan het kippenmenu (Wageningen, 2004). Het is niet aannemelijk dat er ook maar iets omtrent de stalventilatie, de vloerdroogte, de tarwetoediening, de ammoniakuitstoot en de drinkwatersystemen aan de aandacht van de Nederlandse doctorandus kippenkweek ontsnapt.

Zo hebben ze ook uitgevonden dat Nederlanders in meerderheid vinden dat het `matig' tot `slecht' gesteld is met het dierenwelzijn in hun land. Maar dat vinden ze alleen als het bureau Marketresponse ze erom vraagt. Dan vinden ze ook dat de kippen meer ruimte moeten hebben (72%) en dat ze buiten moeten kunnen lopen (38%). Maar zodra de consument in de winkel voor het schap staat, is hij zijn bezwaren vergeten en stapt hij de winkeldeur uit met het goedkoopste bakje filet dat hij kan vinden. Bij een doorsnee Albert Heijn, voor de prijzenoorlog de ecologische koploper in Nederland, liggen 250 biologische producten op de planken, tegen 1100 bij een COOP in Zwitserland, 1000 bij een Tesco in Brittannië en 532 bij een Karstadt in Duitsland. Albert Heijn liet aan de onderzoekers weten dat hij weinig vertrouwen meer heeft in de toekomst van het diervriendelijk gekweekte vleeskippetje.
     

Vrijdag 27 oktober
Anja, Manja en Tanja naderen hun streefgewicht van twee kilo. Nog twee dagen en anderhalf ons en dan is het zover. De stal is inmiddels veranderd in een witte zee van fladderende veren. Op elke vierkante meter wonen 23, nu haast volgroeide kippen. Dat is ruim onder de norm die Europa aanvaardbaar vindt.
Voor de staldeur in Dirksland staat een auto met aanhangwagentje, waar Jan van der Baan een paar kratten met levende hanen op zet. Een particulier uit Ouddorp heeft ze voor twee euro per stuk gekocht. Hij is van plan om ze te mesten tot ze vier kilo wegen, en ze rond Kerst eigenhandig te slachten. Dat mag eigenlijk niet, zegt Jan. Maar ach, er mag zoveel niet.
Jan van der Baan is niet helemaal tevreden. Er lopen er naar zijn smaak teveel rond die te klein zijn gebleven. Die zal, vreest hij, de slachterij er wel tussen uit halen, wat hem zijn centen kost. Voor het eerst zie ik hanen die een begin van een kam op hun kop hebben en die boos op elkaar afvliegen. `De hormonen beginnen op te spelen', zegt Jan. `Het wordt tijd dat ze weggaan'.

Zaterdag 28 oktober
De hele ochtend is het op het erf van de Van der Baans een komen en gaan van Overflakkeese eilandbewoners. Als de ochtend voorbij is zijn er duizend hanen (hebben de mensen liever dan hennen) naar een particulier hok in de buurt verhuisd. Op Eerste Kerstdag zullen die als hoofdgerecht op de christelijke feesttafel belanden.

Zondag 29 oktober, tegen middernacht
In de huiskamer schuift de oudste zoon van Jan en Anneke van der Baan het gordijn opzij. `Daar heb je ze.' Een grote vrachtwagen waarop met koeienletters `Van der Veen Pluimveevangbedrijf` staat rolt het erf op, gevolgd door een personenbusje. Uit de vrachtwagen rolt een krachtige shovel te voorschijn en uit het personenbusje stappen zeven sterke mannen. Ze komen allemaal uit Friesland. En ze zijn van beroep kippenvanger.
Jan en Lou van der Baan gaan ze voor naar de stal, waar de Friezen zich omkleden in blauwe trainingspakken. Op hun hoofd zetten ze een muts met de naam van hun baas erop. Ondertussen rijden er drie enorme trucks met oplegger en aanhanger voor, die de kippen, sinds vijf uur die middag verstoken van voer, naar een slachterij in het Belgische Maasmechelen (13.336 stuks) respectievelijk naar een slachterij in het Overijsselse Dedemsvaart (6.480 stuks) zullen brengen.
En dan gaat het los. De shovel rijdt op volle snelheid vooruit de stal in met lege kratten en op volle snelheid achteruit de stal uit met kratten die door de jongens uit Friesland elk met 42 kippen volgestopt zijn. De Friezen pakken met beide handen zes of acht kippen tegelijk bij een van de poten en ze werpen hun vangst met een boogje in de krat. Als die voor de helft gevuld is duwen ze de inhoud stevig aan, om ruimte te maken voor weer een handvol fladderaars. In de duistere stal, slechts verlicht door zwakke blauwe lampen, liggen de kippen doodstil op hun buik hun beurt af te wachten. Door het blauwe licht zien ze weinig of niets van wat er om hen heen gebeurt. Nog voor Anja, Manja en Tanja, andere kippen in hun hoek, aan de beurt zijn neemt een der vangers, die door de anderen snelle Jelle genoemd wordt, mij terzijde. Hij vangt al zestien jaar kippen. `Het is maar goed', zegt hij, `dat de dierenbescherming er niet bij is. Erg diervriendelijk gaat het er niet aan toe. Maar ja.'
Tegen kwart over een die nacht verdwijnen ook Anja, Manja en Tanja in een krat, die door de shovel op de vrachtwagen voor Dedemsvaart wordt geladen. Om precies elf over half twee is de stal leeg. Een kop koffie, een plastic glaasje Fanta en een botercakeplak later zijn de jongens onderweg terug naar Friesland en de kippen op weg naar de slachthaken.
`Pas op', grapt jan van der Baan tegen de vrachtwagenchauffeurs. `Ze willen allemaal aan het raampje zitten.'

Als de kuikens vroeg in de ochtend te Maasmechelen of te Dedemsvaart arriveren, zal blijken dat 22 van hen de reis niet overleefd hebben. Bij 2349 kuikens worden bloeduitstortingen aan vleugels of poten geconstateerd.

     

Maandag 30 oktober, in de nacht
In de bochten onderweg naar Dedemsvaart mindert Rene Harbers zoveel vaart dat zijn lading kippen er niet van gaat schuiven. Je moet ze, vindt hij, wel een beetje mooi afleveren. Hij rijdt sinds zeven jaar met kippen, daarvoor was hij slager. Als kind is hij opgegroeid met het vleeskuiken. Zijn vader had er zestigduizend op stal staan. Toen was het allemaal nog een hoop gemoedelijker. Elke keer als je kippen op kwam halen kreeg je als chauffeur een gehaktbal of een karbonade. Als je nu in Duitsland komt krijg je niet eens koffie. In Nederland nog wel. In Nederland krijg je sowieso koffie.
We komen te spreken over de kip achter de vleeskip. `Moeilijke vraag', zegt hij. `Dat vind ik nou echt een moeilijke vraag. Of ik vind dat die kippen een beetje redelijk leven gehad hebben? Moeilijk. Ik weet het niet. Ik vind dat een moeilijke vraag. Zielig dat ze geslacht worden? Moeilijk hoor. Moeilijke vraag. Ik denk het niet. Nee, ik vind het niet zielig. Ik vind het mooi als er bij de mensen thuis een lekker stukje vlees op het bord komt. Maar of ik een kip leuk vind? Moeilijke vraag. Als ze klein zijn vind ik ze wel leuk. Zoals vroeger bij mijn vader. Als ik dan in de stal op mijn rug ging liggen en ik ging een liedje zingen, dan kwamen al die gele kuikentje over me heen lopen. Maar als ze wat groter zijn, nee. Dan vind ik het moeilijk worden. Dan heb ik eigenlijk niets meer met de kip.'
Om vijf voor zes staan we voor de poort van de slachterij. `Maar ik eet ze wel graag', zegt hij. `Die dochters van mij ook. Die zijn dol op kip.'

Maandag 30 oktober, rond zeven uur in de ochtend
Een heftruck tilt de kratten met Anja, Manja, Tanja en de kippen uit hun hoek van de vrachtwagen af en rijdt ze de met blauw licht stressbestendig verlichte voorhal van de Plukon-slachterij in. Dan gaat het snel. De kratten worden op een lopende band getild die ze voortschuift naar een trechter, het kiepstation. Als hun krat aan de beurt is worden Anja, Tanja en Manja, samen met driehonderd soortgenootjes, in die trechter omgekieperd. Ze vallen op een tweede lopende band die ze door een gat in de muur vervoert naar de slachtruimte. Daar vallen ze in een langzaam ronddraaiende carrousel, waar ze zich angstig tegen de wand aandrukken. Zeven mannen tillen de kippen onder hun vleugels op en klemmen hun pootjes vast in ronddraaiende haken. Zo zweven ze, met de kop naar beneden, richting het machinale slachtmes. Eerst maken de haken waar ze aan hangen nog een duik naar beneden, waardoor Anja, Manja en Tanja ondersteboven door een elektrisch geladen waterbad heengaan, waar ze verdoofd uit naar boven komen.
Dan snijdt het mes, berekend op 148 kippen per minuut, ze schuin en scherp de halsslagader door.
In een dun straaltje loopt het bloed ze langs de hals en uit de mond. Ze maken een bocht door wat `de bloedgoot' genoemd wordt en passeren een man die kijkt of de snee in hun hals diep genoeg is. Zo niet, dan geeft een man ze met een vlijmscherp mesje de genadehaal. In de bloedgoot stolt het rode vocht razendsnel, de dikke aangekoekte plak ziet er uit als een olievlek op het strand. Een enkel kippetje fladdert nog wat na met de vleugels.
Het is zeven uur en twaalf minuten. Dertig seconden later zijn Anja, Tanja en Manja uitgebloed.
En dood.

Gert Riemer is de man die ze aan de haken hing. Hij hangt al 25 jaar kippen aan de haken. Thuis heeft hij krielkippen. Een hond slachten? Daar moet hij niet aan denken. Maar kippen? Kippen zijn dom, daar merkje niets van. Met kippen krijg je geen binding. En zielig? Ja, voor zijn krielkippen. Want die zijn dit jaar door de vossen opgegeten.
Bertus Nomden is de man van de genadehaal. Hij noemt zich dierenvriend. Katten en honden, daar houdt hij van. Thuis heeft hij goudvissen. Maar kippen? Die ziet hij niet als dieren. Die ziet hij als producten die stomtoevallig levend zijn.

Maandagmorgen 30 oktober, rond acht uur in de morgen
Zodra ze dood zijn gaan Anja, Manja en Tanja, nog altijd aan hun haken, in een stoombad dat hun veren losweekt. Even later wordt hun kop van hun romp gescheiden. Dan snijden scherpe messen hun looppoten onder de knie af, een ander mes haalt de cloaca eruit, in hun onderlijf wordt een gaatje gemaakt, zodat lepels aan ronde zuigerstangen in een keer de darmen en alle organen uit de buik- en borstholte kunnen omhoogtrekken. Binnen de kortste keren belanden levertjes, magen en hartjes volautomatisch in gereedstaande aparte bakken. Een mensenhand is nergens aan te pas gekomen. Dan gaan de dode kippen door de neksnijder en de longzuiger en als het zover is verdwijnen ze, panklaar, in de koeling. Daar cirkelen ze twee uur lang en rijkelijk met water besprenkeld rond aan een ketting van drie kilometer lengte. Daarna is hun vlees stevig genoeg om verderop in het bedrijf in bruikbare delen uiteengenomen te worden.

Zoals er nog maar weinig tweeverdieners zijn die een bloemkool of een boerenkool uit het schap halen als die niet in roosjes of in repen gesneden onder plastic verpakt zitten, zo maakten Anja, Tanja en Manja ook weinig kans om als hele kip een plaatsje in het rek te bemachtigen. De moderne Hollandse afkeer van de hele kip heeft de slachterij van Plukon niet onberoerd gelaten. Enkele jaren terug stond het er met de verse ki.p.v.erkoop niet best meer voor. Nu gaat het weer goed met Plukon, omdat de slachterij op tijd de weg van de bloem- en de boerenkool heeft gekozen: de kip kant en klaar in het schap leggen. Of zoals ze het bij Plukon zelf uitdrukken: aan de kip een stuk onkluifbare toegevoegde waarde toekennen.
Vandaar dat Anja, Manja en Tanja, inmiddels in delen uiteengenomen, een dag na hun overlijden de reis naar Wezep ondernemen. Daar stond vroeger een slachterij van Plukon. En daar staat nu, in hetzelfde gebouw, een kantenklare kipmaaltijdenfabriek. Dat de kipfiletjes er van hun karkasje gesneden en op gele baktjes gelegd worden is nog tamelijk klassiek. Vernieuwend was het om van een onafzienbare hoeveelheid Anja's, Marja's en Tanja's succesproducten te gaan maken als daar zijn de stoommaaltijd met kipblokjes, de kipsparerib en het pingoworstje.
In de kantine te Wezep trakteert de bedrijfsleiding mij op een, uit eigen voorraad vervaardigde, warme lunch van Provençaalse kip in braadzak, kant en klare coq au vin, kipfilet met rozemarijn en kip in groen curry. `Wij doen hier de leuke dingen', zeggen ze. De topkok heeft diverse stoommaaltijden op tafel uitgestald, waar mijn tafelgenoten bijzonder enthousiast over zijn. De vraag die hen in de herfst van 2006 bezig houdt: wat gaat de Nederlander in de zomer van 2007 op zijn barbecue leggen?
Na de lunch leidt de productieleider mij, ruimschoots ontsmet, rond door de bedrijfshallen waarin enorme mengmachines de filets gemarineerd en wel naar hun bakjes persen. Een uur later heb ik kennisgemaakt met een ondenkbaar gevarieerd aanbod kipsoorten waaronder kruidige kipreepjes met groenten, kip massala, dunne kipworstjes, dikke kipworstjes, kip met soepgroenten, kip in Turkse kruiden, kipschnitzels, kipreepjes voor de bami of de nasi, kipcordonbleus, kiptournedootjes, kipsaté aan stokjes en voor de kinderen, om kip te leren eten, kiplollies of kipstukjes in de vorm van krokodillen, neushoorns en ander gevaarlijk wild. Het enige lichaamsdeel van Anja, Tanja en Manja waar niets mee gebeurt, aldus mijn rondleider, is de mest die er mogelijk nog in hun buik zit.

     

Woensdag 1 november
Jan van der Baan heeft alle stro en mest uit zijn stal geschept. Morgen gaat hij duchtig met de formaline in de weer. En nu zit hij in de huiskamer op kousenvoeten te relaxen naast de kooi met het parkietje dat onlangs verdwaald is komen aanvliegen. Hij bladert door de rekeningen die hij aan de broederij en de voederleverancier moet voldoen en door de slachtrapporten die hij zojuist uit Maasmechelen en uit Dedemsvaart heeft gekregen.
Anja, Manja en Tanja hebben, in de dagen dat ze bij hem waren, elk voor 72 eurocent aan voer opgeschrokt. Ook hebben ze voor 11 cent water gedronken, elektra verbruikt en inentingen gekregen.
Toen hij ze als kuikentje in Groenlo kocht, moest hij 28,5 eurocent voor ze neertellen. En toen hij ze als vleeskip naar Dedemsvaart liet gaan, leverden ze hem, BTW incluis, honderdveertig eurocent op. Hij telt op, trekt af, houdt rekening met rente en diverse posten diversen. Hij mag blij zijn, zegt hij, als hij aan Anja, aan Manja en aan Tanja een kwartje per stuk over zal houden.
Nog zes dagen. En dan komen er 21.000 verse eendagskuikentjes naar zijn stal in Dirksland.

Bij Van der Valk aan de rand van Arnhem ontmoet ik Hans van der Vleuten, praktiserend Zen-mediteerder en algemeen directeur van de broederij waar Anja, Manja en Tanja uit hun ei kropen. Later die middag heeft hij hier een zakelijke bespreking.
Onder het genot van een garnalencocktail met een glaasje wit bejubelt hij de zelfstandigheid in verbondenheid, die de Nederlandse vleeskuikenboer kenmerkt. Ik juich met hem mee over de bacterievrije productie van het Hollandse kippenvlees. Daar mag je niet op rekenen bij de diepgevroren bulkimporten kip die uit Thailand en Brazilië hierheen komen vliegen als grondstof voor het opwarmsateetje of de frituurnugget. Hans van der Vleuten denkt dat veel mensen zichzelf opgesplitst hebben in een deel burger en een deel consument. Het deel burger ziet de kip het liefste scharrelen in een boomgaard. Maar het deel consument wil het vlees graag voor minder dan drie euro de kilo uit het schap halen.
Dan komen we te spreken over het diervriendelijke en het dieronvriendelijke in de bedrijfstak. Ik zeg dat Zen-aanhangers voor zover ik weet een tedere omgang met dieren voorstaan. Hans van der Vleuten beaamt dat. `Als ik één fase in de keten niet mooi vindt', zegt hij, `dan is dat het doden en in stukken snijden van de dieren. Voor mij is het geboorteproces, waar ik me mee bezig houd, veel mooier.'
Dat loopt binnen de kortste keren uit op het slachthuis, zeg ik.
`Misschien verdring ik dat wel, persoonlijk.' De maatschappij, zegt hij, bepaalt nu eenmaal de economische kaders waarbinnen hij met veel plezier aan zijn broederij leiding geeft. Uw kuikens, houd ik aan, mogen, als ze bij u weg zijn, geen nacht doorslapen. `Verdringing is onbewust. Als ik er bewust over nadenk zeg ik: nee. Dan zie ik geen bezwaren.'

Ook al groeien ze zichzelf soms dood? `Misschien verdring ik wel te veel.'