Hoe veehouders onwil verheffen tot een vetorecht |
Het stikstofdilemmaDe onwil van de veehouderijsector om mee te werken aan een kleinere veestapel is op zichzelf begrijpelijk: niemand levert graag in op zijn bedrijf, zijn inkomen of zijn manier van leven. Maar begrijpelijk is iets anders dan legitiem als politiek uitgangspunt. De boeren hebben een direct belang bij geen ingrijpen en dat belang mag niet verward worden met een argument over wat goed beleid is. Wie wacht tot de sector "ja" zegt, wacht op een instemming die structureel onwaarschijnlijk is, omdat elke krimp van de veestapel per definitie tegen het eigenbelang van de zittende boeren ingaat. Boeren willen alle vrijheid om nog meer dieren te houden.
Dat plaatst de regering voor een schijndilemma en dat dilemma werkt in het voordeel van de boeren, hoe het ook uitpakt. Pro eist een plan met tanden, de boeren eisen een plan zonder tanden en de verleiding is om ergens het midden te zoeken tot beide partijen morren maar niemand woedend wordt.
Houden Pro of de PvdD de poot stijf en blijft steun voor de slappe aanpak van de stikstofuitstoot uit, dan verandert er simpelweg niets, precies wat de verzettende boeren willen.
Geeft Pro toe aan een verwaterd plan, dan lost dat het probleem niet op, hoe voorzichtig de politiek ook manoeuvreert.
Een maatregel die nauwelijks effect heeft op de mestproductie is voor de boeren nauwelijks een offer, terwijl hij toch het risico op een trekkerprotest met zich meebrengt.
Symboolpolitiek ontketent vaak evenveel weerstand als een echte maatregel. Het gevoel van bedreiging blijft hetzelfde, ook al is het effect verwaarloosbaar. Zo'n compromis kost bovendien het vertrouwen van Pro. En dat verlies van vertrouwen is precies wat de zich verzettende boeren goed uitkomt.
De conclusie is dat de regering zich niet moet laten sturen door de vraag of de boeren instemmen, maar door de vraag of de maatregel het probleem daadwerkelijk aanpakt.
Natuurherstel rond kwetsbare gebieden is geen onderhandelingspunt waarbij elke partij een stuk van de koek krijgt; het is een ecologische noodzaak met een deadline die door de rechter is afgedwongen, omdat ingrijpen is al jaren geleden afgesproken. Dat betekent niet dat de hele sector over één kam geschoren moet worden.
Er is een verschil tussen boeren die willen omschakelen en boeren die al jarenlang willens en wetens illegaal bezig zijn of zonder vergunning zitten: de eersten verdienen steun en tijd om mee te bewegen, de laatsten weten zelf al lang dat ze de regels overtreden en moeten domweg verplicht wijken, zonder dat daar een beloning tegenover staat. Onnodig tegen de haren instrijken van de bonafide boer -door hem op één hoop te vegen met de notoire overtreder- verhardt het verzet zonder dat daar iets tegenover staat.
Kortom: het is niet aan de boeren om te bepalen of het beleid streng genoeg is, want zij zijn partij, geen scheidsrechter. Wie hen wél als scheidsrechter behandelt (zoals een slager zijn eigen vlees laten keuren), ruilt een oplosbaar probleem in voor een onoplosbaar patroon: elke poging tot verandering wordt dan afgezwakt tot het de kern van de zaak niet meer raakt en de crisis blijft -jaar na jaar- liggen en de boeren leert dat terreur en demagogie lonen.
|
