Geschiedenis en problemen van de intensieve veeteelt

Dit is een uitgebreid artikel. Het is opgebouwd als een route: acht haltes langs de hoofdlijn, met onderweg zijsporen voor wie zich verder wil verdiepen.

Hoe wil je lezen?
  1. 1Van gemengd bedrijf naar bio-industrie
  2. 2Wat is bio-industrie?A · Verschillende soorten boeren
  3. 3Economie en subsidiesB · Waar blijft de melkprijs?
  4. 4Sociale gevolgen
  5. 5Mest, stikstof en klimaatC · Ammoniak en planten
  6. 6Gezondheid en dierziektenD · De tijdlijn van uitbraken
  7. 7Waarom zoveel levend vee?E · Parmaham
  8. 8Oplossingen en schaalvergrotingF · De wildgroei aan merknamen

De groene lijn is de hoofdlijn van het artikel. De gele aftakkingen zijn zijsporen: verdieping die je kunt overslaan zonder de draad kwijt te raken. Klik op een halte of zijspoor om er direct heen te gaan; met de terugknop van je browser (vorige pagina) kom je weer hier bij de kaart.

Halte 1 van 8 · Van gemengd bedrijf naar bio-industrie

Van gemengd bedrijf naar bio-industrie

Vroeger werd de landbouw in Nederland bedreven door gemengde bedrijven. Dit waren kleine bedrijfjes, met wat koeien, een paar varkens voor vlees en paarden als trekdier. De akkerbouw was gericht op het produceren van voer voor de eigen dieren. De rest van de productie werd op de lokale markt verhandeld of was bestemd voor eigen consumptie. Het was vrij moeilijk voor deze bedrijfjes om het hoofd boven water te houden. Vooral op de arme zandgronden hadden de boeren het zwaar.

Na de Tweede Wereldoorlog was het regeringsbeleid gericht op het herstel van de economie en de industriële productie. Om de koopkracht te vergroten werd de prijs voor het voedselpakket laag gehouden. Maar de boeren hadden wel een goed inkomen nodig. Daarom moest de landbouwproductie fors omhoog. Dat werd bereikt door te mechaniseren: met veel minder arbeid kon hetzelfde werk worden verzet. De opbrengst werd verhoogd met kunstmest, bestrijdingsmiddelen en krachtvoer.

De Nederlandse landbouw raakte zo afhankelijk van het buitenland: van de import van grondstoffen voor veevoer en van de export van producten. Het landbouwbeleid van de Europese Unie kreeg steeds meer invloed op de ontwikkelingen in eigen land.

Het resultaat: Nederland is een van de meest veedichte landen ter wereld. In 2025 telde ons land bijna 10 miljoen varkens, ruim 3,6 miljoen runderen, bijna 600.000 geiten en ruim 80 miljoen kippen. Omdat vleeskuikens en varkens meerdere keren per jaar worden afgeleverd, worden er elk jaar ruim een half miljard dieren geslacht, waarvan 518 miljoen kippen. We produceren veel meer dan we zelf eten: bijna drie keer zoveel varkensvlees en anderhalf keer zoveel kippenvlees. Het meeste gaat naar het buitenland.

In 1950 waren er ruim 300.000 landbouwbedrijven. In 2025 waren dat er nog 49.077. Het werk is door mechanisatie, automatisering en robotisering lichter geworden. De verschillen tussen grote en kleine bedrijven worden steeds groter.

Halte 2 van 8 · Wat is bio-industrie?

Wat is bio-industrie?

Bio-industrie of intensieve veehouderij is het houden van dieren op een fabrieksmatige manier, waarbij het streven is om dieren zo snel, efficiënt, grootschalig en veel mogelijk te laten produceren. Verzorging en welzijn van het dier zijn gericht op het maximaliseren van de productie. Alles wat een dierenleven zou veraangenamen maar de productiviteit verlaagt, wordt achterwege gelaten. Veevoer wordt betrokken van de leverancier die het goedkoopst kan leveren. Mest wordt afgevoerd op de manier die het minst geld kost.

De industriële bedrijfsvoering gaat gepaard met eenzaamheid en verveling voor het dier. Een dier wordt niet langer in productie (lees: in leven) gehouden dan economisch verantwoord is, daarna wordt het geslacht. Terwijl een koe gemakkelijk 20 jaar kan worden, wordt ze vaak al na 5 of 6 jaar geslacht. Een leghen gaat na ruim een jaar naar de slacht, ver voor haar natuurlijke levensduur.

Scharrelen is niet per definitie veel beter voor het dier of het milieu: het is een compromis tussen economie en dierenwelzijn. Wanneer het dier echt de gelegenheid krijgt om natuurlijk gedrag te vertonen en de mineralenbalans op het bedrijf ecologisch verantwoord is, spreken we van biologisch vlees.

Zijspoor A · Verschillende soorten boeren (± 1 min)

Verschillende soorten boeren

Onder de verzamelnaam "boeren" vallen landbouwers met alleen akkerbouwproducten, agrariërs met een gemengd bedrijf van landbouw en veeteelt en de niet-grondgebonden veehouders. Varkens- en kippenhouders hebben vaak geen eigen landbouwgrond waarover ze de mest kunnen uitrijden.

Met name deze groep veehouders, die vroeger niet bestond, is omstreden. Hun bedrijfsvoering verstoort de (inter)nationale mineralenbalans: ze hebben te veel dieren op te weinig ruimte, produceren voornamelijk voor het buitenland en vervuilen het milieu in eigen land. Vaak wonen ze niet op hun bedrijf, net zo min als de eigenaar van een fabriek op het industrieterrein. Hun aanwezigheid is door de automatisering overbodig geworden en door de lelijkheid van de gebouwen, de stank en het lawaai is het aantrekkelijker om elders te wonen. Je zou deze boeren onderaannemers van de vleesverwerkende industrie kunnen noemen.

Dit geldt ook voor veehouders met een gemengd bedrijf die meer dieren houden dan met zelf verbouwd voer en de mestruimte op het eigen land mogelijk is. Deze twee categorieën vormen samen de bio-industrie. Ze zijn meer ondernemer dan boer, aangetrokken door de mogelijkheid om veel geld te verdienen en alleen begrensd door de overheid en de banken.

Halte 3 van 8 · Economie en subsidies

Economie en subsidies

Andermans verenDe huidige landbouwmethodes leveren problemen op die niet in de prijs van ons voedsel zijn opgenomen. Ze worden via de belasting over alle burgers omgeslagen. Problemen voor het milieu, de gezondheid, het dierenwelzijn en de boeren zelf. Elders zetten we de 5 bezwaren tegen de bio-industrie op een rij.

De Europese Unie stuurt het aanbod en de prijzen van landbouwproducten via het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Lange tijd gebeurde dat met garantieprijzen, heffingen en exportsubsidies. Daardoor groeide de productie fors en ontstonden de bekende boterbergen, melkplassen en graanoverschotten. Om die buiten Europa kwijt te raken werden exportsubsidies gegeven, waardoor boeren in andere werelddelen maar een schamele prijs voor hun producten kregen. De melkquota, die de productie van melk begrensden, zijn in 2015 afgeschaft. Daarna groeide de melkveestapel opnieuw.

Nog steeds gaat ongeveer een derde van de Europese begroting naar landbouw. Nederlandse boeren ontvangen in de periode 2023-2027 jaarlijks ongeveer 790 miljoen euro uit Brussel, met de nationale bijdrage zo'n 1,1 miljard euro per jaar. Tegelijk is de bijdrage van de landbouw aan onze economie bescheiden: de primaire land- en tuinbouw is goed voor ongeveer 1,4 procent van het bruto binnenlands product, het hele complex rond de intensieve veehouderij voor 0,9 procent. Het gaat er niet om dat voedsel goedkoper moet. De prijzen moeten eerlijker en oneigenlijke subsidies moeten stoppen.

Een ander gevolg van dit beleid is dat landen in het Zuiden, zoals Brazilië, steeds meer gewassen voor veevoer verbouwen, vooral soja. Dit levert die landen geld op, maar het gaat vaak ten koste van regenwoud en van voedsel voor de eigen bevolking.

Zijspoor B · Waar blijft de melkprijs? (± ½ min)

Waar blijft de melkprijs?

In de Volkskrant van 24 februari 2001 werd berekend hoe de prijs van 10 liter melk in de keten tot stand kwam. Het opvallendste: de winkel verkocht melk onder de inkoopprijs. De marge voor de melkveehouder was uiterst klein. Een simpele verhoging van de winkelprijs zou hier niet helpen. Ook de concurrentie met het buitenland maakte het moeilijk om de marge voor de boer te vergroten. De vrije markt houdt de boer gevangen en daarmee ook zijn dieren.

Prijs van 10 liter melk in 2001gulden
Inkoopprijs winkelier15,50
Prijs in de winkel13,50
Inkoopprijs groothandel12,30
Productiekosten zuivelcoöperatie10,25
Inkoopprijs zuivelcoöperatie4,60
Productiekosten melkveehouderij4,00
Verkoopprijs veevoer0,80

2,20 gulden = 1 euro.

Halte 4 van 8 · Sociale gevolgen

Sociale gevolgen

Door de veranderde landbouweconomie na de oorlog kon alleen nog een voldoende inkomen worden verdiend op een vernieuwd, grootschalig bedrijf. Daardoor is het aantal boeren sterk afgenomen. Op hetzelfde landbouwareaal passen minder grote bedrijven en de bedrijven die de groei niet konden bijhouden, zijn weggeconcurreerd. De grondprijzen zijn sterk gestegen.

De overgebleven boeren moeten hard werken om de concurrentie voor te blijven. Dat leidt tot stress. Het werken met bestrijdingsmiddelen kan gezondheidsproblemen met zich meebrengen. Zie ook de column Brabant Blues, een impressie van de achtergrond en beweegredenen van varkensboeren uit Brabant.

Tenslotte is de boer zo verstrikt in het net van leningen, subsidies, regels en afspraken met afnemers dat er van zelfstandigheid nauwelijks sprake is. Investeringen van miljoenen euro's zijn in de intensieve veehouderij geen uitzondering. Wie zo diep in de schulden zit, kan moeilijk omschakelen.

Halte 5 van 8 · Mest, stikstof en klimaat

Mest, stikstof en klimaat

Landbouw draagt het meest bij aan de uitstoot van stikstofDe meeste milieuproblemen in de landbouw zijn ontstaan doordat de kringloop van voedingsstoffen niet gesloten is. Planten groeien met energie van de zon, kooldioxide uit de lucht en voedingsstoffen uit de bodem. Mensen en dieren eten de planten. De resten komen als mest terug op de bodem en worden weer voeding voor nieuwe planten.

Op wereldschaal gebeuren deze stappen steeds vaker op verschillende plaatsen. In Zuid-Amerika wordt soja verbouwd. Die gaat als veevoer naar Europa. Hier produceren de dieren er mest van, die niet terugkeert naar de grond waar de voedingsstoffen vandaan kwamen. Het gevolg is uitputting van de grond daar en een overschot aan mest hier.

Het bekendste milieuprobleem van de Nederlandse veehouderij is het mestoverschot. In 2024 produceerden de dieren in ons land 74 miljard kilo mest. Daarin zat 449 miljoen kilo stikstof en 147 miljoen kilo fosfaat. We hebben de aantallen dieren per diersoort per provincie voor u in kaart gebracht. Er wordt veel meer mest geproduceerd dan de bodem nodig heeft. Omdat boeren de mest nergens kwijt kunnen, wordt een groot deel toch over het land uitgereden. Vooral waar de veeteelt geconcentreerd is, zoals in Brabant, ontstaan problemen.

Voor de bemesting van landbouwgrond zijn er vier mogelijkheden:

  1. er is te weinig bemest: de productie blijft achter bij het haalbare;
  2. er wordt voldoende bemest: de productie is maximaal;
  3. er wordt extra bemest: de productie is maximaal en de extra bemesting is net niet schadelijk;
  4. er wordt overbemest: de productie is minder, slechts enkele gewassen kunnen nog worden geteeld en de mineralen spoelen uit naar het grondwater.

Op de grond van veehouders geldt vaak situatie 3 of 4. Daarom zie je zoveel maïs: het is veevoer en een van de weinige gewassen die overbemesting nog verdraagt. Voor de regels rond het uitrijden van mest, klik hier. Wanneer in het vroege voorjaar de mest over het kale land wordt uitgereden, hebben omwonenden vaak last van prikkeling van de luchtwegen.

Uit mest ontsnapt ammoniak, een stikstofverbinding. De landbouw is de grootste bron van stikstofuitstoot in Nederland. In mei 2019 oordeelde de Raad van State dat de overheid de vergunningen voor stikstofuitstoot niet langer kon baseren op beloften voor de toekomst (het Programma Aanpak Stikstof). Sindsdien staat de stikstofcrisis hoog op de politieke agenda. De veehouderij draagt daarnaast bij aan de opwarming van de aarde, vooral door de uitstoot van methaan door koeien en de ontbossing voor veevoer.

Voor een overzicht van publicaties over milieu en landbouw, kijk op de site van het Centrum voor Landbouw en Milieu. Voor de juridische strijd van milieuactiegroepen, klik hier.

Zijspoor C · Ammoniak en planten (± ½ min)

Ammoniak en planten

Blootstelling van planten aan ammoniak kan zowel negatieve als positieve gevolgen hebben. Hoge concentraties zijn giftig en leiden tot verkleuring en afsterven van bladeren. Zulke concentraties zijn zeldzaam en ontstaan meestal bij ongelukken bij de productie of het vervoer van ammoniak.

Bij lagere concentraties werkt ammoniak eerst als meststof: de plant groeit sneller. Toch gaan deze positieve effecten meestal gepaard met ernstige veranderingen die de vitaliteit van de plant verminderen: een verstoorde balans van voedingsstoffen, eerdere blad- of naaldval, slechter uitlopende knoppen en minder mycorrhiza's (de samenwerking tussen schimmels en plantenwortels die de opname van voedingsstoffen en water mogelijk maakt). Daardoor worden planten gevoeliger voor droogte, vorst, insectenplagen en ziektes. Snelgroeiers als brandnetels en gras verdringen zo de planten van schrale grond, zoals heide.

Halte 6 van 8 · Gezondheid en dierziekten

Gezondheid en dierziekten

In mest zitten dode bacteriën met endotoxinen. Die kunnen griepachtige klachten veroorzaken bij mensen die met mest of veevoer werken. Ook mycotoxinen kunnen leiden tot klachten als chronische verkoudheid, benauwdheid, astma, een verstopte neus, geïrriteerde ogen en hoofdpijn. Het veelvuldig gebruik van antibiotica in de veehouderij draagt bij aan resistente bacteriën. Vlees kan dioxine en resten van bestrijdingsmiddelen bevatten. Zie ook het overzicht van schandalen rond de bio-industrie.

Waar veel dieren dicht op elkaar leven, verspreiden ziektes zich snel. Sinds het midden van de jaren negentig wordt de Nederlandse veehouderij steeds weer getroffen door besmettelijke dierziekten. Daarbij zijn tientallen miljoenen dieren voortijdig gedood, de meeste zonder zelf ziek te zijn. Een aantal van die ziektes is ook gevaarlijk voor de mens.

Zijspoor D · De tijdlijn van uitbraken (± 1 min)

De tijdlijn van uitbraken

  • 1997, varkenspest. Bang voor een vervoersverbod brachten boeren hun varkens snel het besmette gebied uit, waardoor het virus zich verder verspreidde. De epidemie kostte bijna tien miljoen varkens het leven.
  • 1997, BSE (gekkekoeienziekte). Na jaren in Groot-Brittannië kwam de ziekte ook in Nederland. Het eten van besmet vlees kan bij mensen de dodelijke hersenziekte Creutzfeldt-Jakob veroorzaken. Bedrijven werden "preventief geruimd", een mooi woord voor het doden van de hele veestapel.
  • 1999, dioxine. In België werd dioxine gevonden in kip en eieren, via vervuild vet in het veevoer. Ook in Nederland moesten honderden producten uit de winkels.
  • 2001, mond- en klauwzeer. Uiteindelijk bleken 26 bedrijven besmet, maar om verspreiding tegen te gaan werden 265.000 dieren gedood op zo'n 2.500 bedrijven. Veel boeren waren woedend dat hun gezonde dieren moesten worden afgemaakt.
  • 2002, MPA-hormoon. In veevoer werd een hormoon gevonden dat varkens onvruchtbaar maakt. Twintigduizend varkens werden vernietigd.
  • 2003, vogelpest. In de Gelderse Vallei brak vogelgriep uit. Ongeveer 30 miljoen kippen werden gedood.
  • 2006 en 2023, blauwtong. Deze virusziekte wordt overgebracht door een knut, een klein insect. Bij de uitbraak van 2023 stierven meer dan 50.000 schapen, ruim 5 procent van de Nederlandse schapen.
  • 2007-2010, Q-koorts. De ziekte sprong van geitenbedrijven over op mensen. Ruim 4.000 mensen werden ziek gemeld en meer dan honderd overleden uiteindelijk aan de gevolgen. Tienduizenden drachtige geiten werden geruimd.
  • 2014 tot nu, vogelgriep. Sinds 2014 keert vogelgriep bijna elk jaar terug. Steeds weer worden hele stallen met kippen gedood en moeten kippen met vrije uitloop binnen blijven.

Halte 7 van 8 · Waarom zoveel levend vee?

Waarom wordt er zoveel levend vee vervoerd?

Het vervoer van levende dieren verspreidt ziektes zoals mond- en klauwzeer over Europa. Toch worden er jaarlijks enorme aantallen dieren levend vervoerd. In 2024 voerde Nederland 366 miljoen stuks pluimvee, 9,5 miljoen varkens en een half miljoen runderen levend uit. Volgens onderzoekers van het LEI heeft dit vervoer economische redenen, waarbij geschiedenis, consumentengedrag en Europese regels een belangrijke rol spelen.

Rond 1960 werd in Nederland ontdekt hoe je uit wei en ondermelk goedkoop kalvervoer kunt maken. Vanaf dat moment konden veehouders hun stierkalveren te gelde maken, die tot dan toe een overbodig bijproduct waren. Er ontstonden speciale kalvermesterijen. Toen in 1984 de melkquota werden ingevoerd en er minder kalfjes werden geboren, gingen de mesterijen kalveren importeren. Nog steeds komen veel kalveren uit het buitenland naar Nederlandse mesterijen.

Biggen en vleesvarkens gaan vooral naar Duitsland. Daar worden ze afgemest of geslacht en als Duits varkensvlees verkocht. Duitse consumenten eten het liefst Duits varkensvlees en een in Duitsland geslacht varken geldt als Duits.

Zijspoor E · Parmaham (± ½ min)

Parmaham

In een eerdere versie van dit artikel stond dat Parmaham van Nederlandse varkens afkomstig kon zijn. Het Consorzio del Prosciutto di Parma liet ons weten: "Parmaham mag en kan bij wet alleen gemaakt worden van Italiaanse varkens. De Italiaanse dieren krijgen na geboorte een tatoeage die tot en met de winkel op de ham traceerbaar blijft. Dit sluit gebruik van geïmporteerd vlees of dieren voor het maken van Parmaham uit. Er worden in Spanje en Italië vele vleeswaren van Nederlands vlees gemaakt, juist Parmaham echter niet".

Halte 8 van 8 · Oplossingen en schaalvergroting

Oplossingen en schaalvergroting

De kosten van de problemen zijn niet in de prijs inbegrepen, het voedsel uit deze vorm van landbouw is dus goedkoop. Toch zijn steeds meer consumenten kritisch, vooral op vlees. Dat komt door de dieronvriendelijke productie, het gebruik van antibiotica en de uitbraken van dierziekten. Daardoor is de vraag naar milieu- en diervriendelijker producten ontstaan. De gangbare veeteelt speelt daarop in. Maar niet alles wat "groen" genoemd wordt, is ook diervriendelijk.

Ook omgekeerd niet: doordat dieren buiten kunnen lopen, is de uitstoot van meststoffen groter. Om redenen van milieubelasting is een kleinere veestapel daarom ook bij omschakeling naar biologische veeteelt een goede zaak.

Emissiearme stallen (vroeger Groen Label)

Om de milieubelasting te verminderen worden emissiearme stallen gebouwd, vroeger Groen Labelstallen genoemd. Er komt minder ammoniak, stank en geluid naar buiten. De mest blijft natuurlijk bestaan. De dieren hebben soms iets meer ruimte, maar minder dan een scharreldier. De welzijnseisen zijn minimaal: de aandacht gaat vooral naar het milieu in de directe omgeving. Een oplossing voor een milieuprobleem is niet automatisch een oplossing voor het gebrek aan welzijn.

Zo ontstaan grote mesterijen die alleen nog door hun lelijkheid opvallen, maar niet meer door stank. Er is dan meer dierenleed dat minder aandacht krijgt, omdat een deel van de protesten verstomt. Een ander gevolg is dat steeds meer dieren permanent op stal staan. Ook melkkoeien worden vaak het hele jaar door op stal gehouden, om de productie te verhogen.

Biologische landbouw

Europees biologisch keurmerkDe biologische landbouw probeert methoden te gebruiken die niet schadelijk zijn voor natuur, dier of mens. Ze richt zich op een vruchtbare bodem, gebruikt geen kunstmest en geen chemische bestrijdingsmiddelen en onkruid wordt mechanisch of met de hand bestreden. Landbouwhuisdieren hebben meer ruimte en kunnen naar buiten. De regionale kringloop van veevoer en mest is gunstig voor milieu en energie. Sinds juli 2010 draagt biologisch voedsel in de hele Europese Unie verplicht het Europese biologische logo. In Nederland controleert SKAL. Het bekende EKO-keurmerk bestaat nog als extra keurmerk met strengere eisen.

Nog iets verder gaat de biodynamische landbouw, gebaseerd op de ideeën van Rudolf Steiner. De producten daarvan dragen het Demeter-keurmerk.

Zijspoor F · De wildgroei aan merknamen (± 1 min)

De wildgroei aan merknamen

Er is ook vanuit de landbouw onvrede ontstaan over de dieronvriendelijkheid van de bio-industrie. Daaruit ontstond het scharrelvlees: de dieren hebben meer ruimte en kunnen soms naar buiten. Pas wel op: in de supermarkt is een wildgroei ontstaan van merknamen die klinken alsof het product de milieu- en diervriendelijkheid zelve is, terwijl het vaak gewoon vlees uit de bio-industrie is.

Houvast geeft het Beter Leven-keurmerk van de Dierenbescherming, sinds 2007. Het werkt met één tot drie sterren. Eén ster is een kleine stap vooruit ten opzichte van de bio-industrie, drie sterren komt in de buurt van biologisch.

Bij eieren geldt hetzelfde. De kooi is in Nederland verboden, maar ook de meeste scharrelkippen komen niet buiten. Eieren van kippen met vrije uitloop of biologische eieren zijn een betere keuze. Op elk ei staat een code: 0 is biologisch, 1 vrije uitloop, 2 scharrel en 3 kooi.

Schaalvergroting

De schaalvergroting gaat gestaag door. In 2003 telde Nederland nog 85.501 landbouwbedrijven, in 2025 waren dat er 49.077. Het aantal grote bedrijven groeit. Door woningbouw, bedrijventerreinen, wegen en natuurontwikkeling neemt de landbouwgrond langzaam af, maar de 1,79 miljoen hectare cultuurgrond beslaat nog steeds ruim de helft van ons land. Ongeveer twee derde daarvan is grasland en voedergewassen voor de veehouderij.

Recente ontwikkelingen

Rond de eeuwwisseling, toen de meeste artikelen op Animal Freedom werden geschreven, was nog niet zo bekend dat vleesproductie en vleesconsumptie grote bijdragen leveren aan de opwarming van de aarde.

Het overmatig gebruik van bestrijdingsmiddelen draagt bij aan de achteruitgang van het aantal insecten. Voor mensen die last hadden van besmeurde autoruiten of prikken in de natuur leek dat een voordeel, maar de achteruitgang van de biodiversiteit is breed doorgezet.

Vleesvervangers waren in het begin nog niet zo lekker en veel duurder dan vlees uit de bio-industrie. Dat hielp niet mee om het gedrag van mensen te veranderen. Inmiddels is het aanbod veel groter en beter.

De veeboeren die stopten, hadden vaak relatief kleine veestapels. De boeren die overbleven, namen hun rechten om vee te houden over. Hun financiële belangen en die van de banken die de uitbreiding financierden, werden zo groot dat het verleidelijk werd om het niet meer zo nauw te nemen met de natuur. Weidevogels die niet meer broeden op een grasland, daar hoef je geen rekening mee te houden. Dat bespaart tijd en daarmee geld.

Veehouders worden zo weinig gecontroleerd, door een tekort aan menskracht bij de instanties die dat moeten doen, dat de negatieve gevolgen van de te grote veestapel nog veel groter zijn dan gevreesd.

Meer over de kosten van het vleeseten. Meer over de ideale oplossing voor de veehouderij in Nederland. Voor actuele ontwikkelingen in de agrosector kijk op dierenrechten.blogspot.com.

Einde van de route

Bronnen: CBS, landbouwtelling 2025, Dierlijke mest en mineralen 2024 en export van levende dieren 2024; Staat van Landbouw, Visserij, Voedsel en Natuur 2025; Wageningen Economic Research; RIVM (Q-koorts); NOS en Nieuwe Oogst (blauwtong 2023); Volkskrant 3 maart 2003 (tijdlijn dierziekten tot 2003).