Waarom is mest uitrijden een probleem?
De Nederlandse veehouderij is niet circulair: er wordt meer mest geproduceerd dan binnen de milieuregels en landbouwkundig verantwoord op het land kan worden gebracht. Bovendien mag drijfmest van september tot half februari niet worden uitgereden. Vlak na de winter zitten veel boeren dus met overvolle mestkelders die leeg moeten. Lees meer over het mestprobleem.
Sinds 1 januari 2026 is het nog lastiger geworden. Tot dan mochten Nederlandse melkveehouders met een Europese uitzondering (derogatie) meer mest op hun grasland uitrijden dan boeren in andere landen. Nu geldt voor iedereen de Europese norm van 170 kilo stikstof uit dierlijke mest per hectare. Daardoor is het mestoverschot veel groter geworden.
Bij het uitrijden van mest kan het op verschillende manieren misgaan:
- De mest wordt uitgereden op tijden dat het niet is toegestaan.
- De mest wordt uitgereden op plaatsen waar dat niet mag, zoals langs sloten.
- De mest heeft een schadelijke samenstelling.
- Het uitrijden geeft overlast of doodt broedende vogels en jonge dieren.
- Er wordt te veel uitgereden, waardoor de mest uitspoelt of een gewas schade lijdt.
- Er wordt te vaak op dezelfde plaats uitgereden.
Als een bedrijf ecologisch in evenwicht is, produceert een boer ongeveer evenveel mest als zijn land nodig heeft. Maar in ons land wordt te veel mest geproduceerd door een te grote veestapel die vooral voor de export werkt. Mest is geld waard omdat het land er vruchtbaarder van wordt, denken we, maar er is veel meer mest dan goed is om uit te rijden.
Dat levert de vreemde situatie op dat wie mest over heeft geld moet betalen om ervan af te komen en wie te weinig mest heeft geld krijgt om het op zijn land te laten uitrijden. Normaal zou een akkerbouwer zonder dieren mest moeten kopen en zou de veehouder met te veel mest die moeten verkopen. Het gevolg is dat beide boeren in de verleiding komen om te frauderen.
De boer met te veel mest kan frauderen door de mest in zijn administratie op te geven als afgevoerd, terwijl hij die toch op zijn eigen land uitrijdt. De boer met te weinig mest kan frauderen door meer mest op zijn land te laten uitrijden dan is toegestaan. In beide gevallen komt er meer mest op het land dan het kan verwerken en spoelt het overschot uit naar het grond- en oppervlaktewater.
Wie vermoedt dat mest niet volgens de regels wordt uitgereden, weet meestal niet waar de mest vandaan komt en wat precies de schadelijke gevolgen zijn. Je kunt alleen een instantie inschakelen. De controleur kan dan vaak alleen iets doen met wat er is waargenomen. De kans is klein dat hij monsters neemt of er op tijd bij is om het zelf te zien.
Te vroeg uitrijden
Zodra een veehouder in het nieuwe jaar mest mag uitrijden, zal hij dat willen doen, omdat zijn mestkelders vol raken. Maar drijfmest die vroeg in het jaar wordt uitgereden, heeft maar weinig bemestingswaarde. Door het koude weer is er nog weinig bacteriële activiteit, zodat de mest nauwelijks wordt omgezet in stoffen die planten kunnen opnemen. De boer snijdt zich daarmee deels in eigen vlees, maar te lang wachten kost hem meer geld.
Te vroeg uitrijden is verboden en geeft hinder voor de omgeving. De mest spoelt uit naar het grondwater en het nitraatgehalte in het drinkwater stijgt. De drinkwaterbedrijven moeten veel moeite doen om schoon water te maken en berekenen die kosten door aan hun klanten.
Wanneer mag mest worden uitgereden?
| Soort mest | Grasland | Bouwland |
| Drijfmest | 16 februari tot en met 31 augustus | 16 maart tot en met 31 juli |
| Vaste mest | 1 februari tot en met 31 augustus (zand en löss), tot en met 15 september (klei en veen) | 1 februari tot en met 31 augustus (zand en löss), het hele jaar (klei en veen) |
| Stikstofkunstmest | 1 februari tot en met 15 september (met uitzonderingen voor onder meer groenten en bloembollen) |
- Nooit op een bodem die (deels) bevroren is, waar sneeuw op ligt of die verzadigd is met water.
- Drijfmest moet emissiearm worden uitgereden. Op grasland moet de mest direct in de grond worden gebracht; op klei en veen mag dat niet meer met de sleepvoet over het gras. Op bouwland moet de mest in één werkgang worden ondergewerkt, zodat er niets meer van te zien is.
- Sinds 2023 mag langs sloten en andere waterlopen op een bufferstrook geen mest worden gebruikt. Hoe breed die strook is, hangt af van de waterloop.
Bron: RVO, Wanneer mest uitrijden en Hoe mest uitrijden (stand 2026). Kijk daar voor de actuele regels.
Wat zijn de gevolgen voor de planten?
- Door overbemesting loopt de biodiversiteit terug, maar gaan deze planten juist beter groeien: bramen, ridderzuring, smeerwortel, zevenblad, grote of kleine brandnetel, kleefkruid, kruipende boterbloem, vogelmuur, akkerdistel, paardenbloem en pitrus. Op overbemeste zandgronden: driekleurig viooltje, ruige klaproos, spurrie en schapenzuring.
- Bladgroenten als spinazie, sla en raapstelen reageren slecht op overbemesting.
- Knol- en wortelgewassen als bieten reageren goed. De andere gewassen (ook aardappelen) zitten daartussenin.
- Bij een hoog stikstofgehalte in de grond kleuren de bladeren donkerder.
- Veel mosgroei wijst op een verzuurde grond.
Tijdelijke opslag van vaste mest
Een stal met vleeskuikens wordt elke zes à zeven weken uitgemest, want dan zijn de kuikens al slachtrijp. De stal moet schoon en de mest moet weg. Akkerbouwers die deze mest afnemen, kunnen die niet altijd meteen uitrijden en onderwerken. Dan wordt de mest tijdelijk op het land opgeslagen. Als hij niet goed is afgedekt, is zo'n hoop een bron van stank, vliegen en ongedierte en kan er mestvocht in de bodem en het water lopen.
Ligt de mest er korter dan twee weken, dan geldt alleen de algemene zorgplicht: de boer moet voorkomen dat het milieu schade lijdt. Wordt er langer of steeds opnieuw meer dan 3 kubieke meter vaste mest opgeslagen, dan gelden de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Omgevingswet). Dat moet dan minstens vier weken van tevoren worden gemeld. Voor meer dan 600 kubieke meter is een vergunning nodig.
Eigenlijk zouden akkerbouwers (alleen of samen) een vaste opslag voor vaste mest moeten hebben: een betonnen bak waar geen mestwater uit kan lekken en die bij voorkeur kan worden afgesloten.
Mest en gezondheid
(Uitgereden) mest kan op minstens vier manieren de gezondheid beïnvloeden:
- De stank kan leiden tot onwelbevinden, met mogelijk allerlei stressverschijnselen zoals hoofdpijn.
- Bij hoge intensiteit kan stank direct lichamelijke afkeerreacties oproepen, bijvoorbeeld misselijkheid.
- Prikkelende stoffen uit de mest (onder meer ammoniak, aminen en fenolen) kunnen bij overgevoelige mensen leiden tot astma-achtige reacties.
- Prikkelende stoffen in hoge concentraties kunnen bij iedereen de slijmvliezen irriteren, met prikkende of tranende ogen, een verstopte neus en luchtwegklachten.
Daarnaast zijn er nog drie risico's denkbaar, die in de praktijk minder vaak spelen:
- De mest trekt vliegen aan die ziektekiemen uit de mest overbrengen op mensen.
- Bij het uitrijden komen zoveel micro-organismen of resten daarvan in de lucht dat het inademen schadelijk is.
- Sommige mensen ontwikkelen een allergie voor stoffen in de geur.
Er zijn veel stoffen bekend die bijdragen aan de stank van mest, zoals fenol, indol, skatol, p-cresol, waterstofsulfide, boterzuur, ammoniak en diverse vluchtige vetzuren. Hoe hoog de concentraties na het uitrijden in de omgeving zijn, is nog weinig onderzocht. Wel bleek uit het grote onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (RIVM en universiteiten, 2009 tot en met 2024) dat mensen die dicht bij geitenhouderijen wonen vaker longontsteking krijgen. Ook vond het onderzoek dat de longfunctie van omwonenden lager is als er in de buurt veel ammoniak in de lucht zit. Lees meer bij de bezwaren tegen de bio-industrie.

Wat te doen als u het niet vertrouwt?
Wie het uitrijden van mest niet vertrouwt, kan het beste noteren: de datum, de hoeveelheid, de soort grond (bouwland of grasland), de plek en de grootte van het perceel. Maak zo mogelijk foto's. Ligt de mest zichtbaar op het land terwijl die direct ondergewerkt had moeten worden, of wordt er uitgereden buiten de toegestane periode of op bevroren grond, neem dan contact op met:
- de boer of loonwerker, als u verwacht daar goed mee te kunnen praten;
- de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA): 0900-0388;
- de politie, voor milieuhandhaving: 0900-8844.
Is er een redelijk vermoeden dat er te veel mest is uitgereden, dan kunnen er bodemmonsters worden genomen, mits dat op tijd wordt gemeld. De NVWA kan de gegevens vergelijken die de boer bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft opgegeven over het vervoer en gebruik van mest.
Bronnen: RVO, regels voor mest uitrijden (2026); IPLO, Opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie; RVO, Bufferstroken; RIVM, Resultaten Veehouderij en Gezondheid Omwonenden. Bijgewerkt in oktober 2026. |