Koe in de wei: verdient de boer een vergoeding voor weidegang?

Koe voor het eerst weer in de weiIn dit artikel leggen we uit waarom boeren hun koeien steeds vaker het hele jaar op stal houden. We stellen de vraag wie moet (mee)betalen aan een vergoeding voor de moeite die een boer doet voor de natuur op zijn bedrijf en voor het welzijn van zijn dieren.

Waarom blijven koeien binnen?

Vroeger, toen de landbouwtechniek nog niet zo ver was dat een boer alles uit zijn land kon halen, was het vanzelfsprekend dat een koe 's zomers in de wei liep. Die weiden waren ook een stuk natuur, met veel verschillende planten, vogels en andere dieren.

De techniek maakte het mogelijk om nog meer uit de koe te halen door haar op stal te houden. De wei dient dan alleen nog als voedselbron. Met de maaimachine wordt een stuk gemaaid en naar de stal gebracht. Voor de boer is het economisch aantrekkelijk om de wei in te zaaien met een snel groeiende grassoort die alle andere planten verdringt. Toen de koe nog in de wei liep, zorgden haar lopen en haar mest voor een gevarieerde plantengroei. Ook de broedende weidevogels hadden weinig te vrezen van de koe, in tegenstelling tot de mestinjecteurs en maaimachines. Het gevolg is een uniform, diepgroen grasland waar vooral kraaien, roeken, meeuwen en spreeuwen zich thuis voelen. Die vogels broeden buiten het weiland en hebben het minst last van het "moderne" weidebeheer. De grutto, onze nationale vogel, telde rond 1975 nog zo'n 120.000 broedparen in Nederland. In 2025 waren dat er nog ongeveer 26.000.

Gezonder worden het vlees en de zuivel van zo gevoerde koeien ook niet. Koeien die in de wei grazen, geven gezondere melk dan koeien die altijd op stal staan. Dat bleek uit onderzoek van Wageningen Universiteit. Koeien die vers gras eten, hebben meer rumeenzuur en vacceenzuur in hun melk. Die twee stoffen remmen kanker en verminderen het risico op aderverkalking.

Hoeveel koeien lopen nog buiten?

  • In 2006 liep nog ongeveer 83 procent van de melkkoeien buiten. Adviesbureau CLM voorspelde toen dat in 2016 al 57 procent van de melkkoeien permanent op stal zou staan.
  • Zo erg werd het niet. In 2012 sloot de zuivelketen het Convenant Weidegang: minstens 81,2 procent van de melkveebedrijven moet weidegang houden, het niveau van 2012. Volledige weidegang betekent: minstens 120 dagen per jaar, 6 uur per dag.
  • In 2024 liet 80,1 procent van de melkveebedrijven de koeien naar buiten. Toch kwamen 464.280 melkkoeien nooit in de wei: 31 procent van alle melkkoeien. Een jaar eerder waren dat er nog 413.772.
  • Een koe op een biologisch bedrijf liep in 2024 gemiddeld 202 dagen in de wei, een koe op een gangbaar bedrijf 150 dagen. Voor biologische koeien is weidegang verplicht.
  • Voor gangbare koeien bestaat geen wettelijke plicht. In 2025 vroeg de Tweede Kamer het kabinet met een motie (Holman en Grinwis) te onderzoeken hoe de afspraken over weidegang wettelijk kunnen worden vastgelegd.

Hoe groter het bedrijf, hoe vaker de koeien binnen blijven. Lees daarover De koeienkathedraal, over megastallen voor koeien in Friesland.

Het is godgeklaagd dat boeren het op stal houden van koeien verdedigen met het argument dat het goed zou zijn voor het milieu. Een koe die niet in de wei mest, zou de milieudruk verlagen. Door de mest eerst in de stal te verzamelen, zou je beter kunnen bepalen waar die moet worden uitgereden. Natuurlijk is dat waar. Bij een gezonde balans tussen de periode op stal en de periode in de wei verzamelt een veehouder genoeg mest om die te gebruiken waar het nodig is. Maar de veestapel in ons land is zo groot geworden dat er meer mest wordt geproduceerd dan nodig is voor de bemesting van gewassen. In de praktijk wordt overbemest tot of over de grens van wat het land kan verwerken. Of er wordt gezocht naar toepassingen als verbranding en energieopwekking. Daarvoor is mest niet bedoeld en dat kan zeker niet duurzaam of milieuvriendelijk worden genoemd.

Wie gaat dat betalen?

Door op natuur en welzijn te bezuinigen, ziet de boer een kans om de kostprijs van vlees en zuivel te verlagen en zo meer inkomen over te houden.

Het lijkt voor de hand te liggen om de kosten voor weidegang en natuurbeheer door te berekenen aan de consument. Maar hoe moet dat worden geregeld? Moet weidegang wettelijk verplicht worden, waarna de markt zorgt voor doorberekening? Werkt een keurmerk beter, dat aangeeft dat de koe in de wei heeft gelopen? Of is het redelijk als de boer een vergoeding van de overheid krijgt voor natuurbeheer? Op dit moment gebeurt een beetje van alles: zuivelbedrijven betalen een toeslag voor weidemelk, op melk staat soms het logo van weidemelk en boeren kunnen via een agrarisch collectief een vergoeding krijgen voor natuurbeheer. Toch blijven steeds meer koeien binnen.

Een lastige omstandigheid is dat Nederland het grootste deel van zijn vlees en zuivel exporteert. Kiest de overheid een oplossing waaraan een deel van de boeren niet wil meedoen, dan wordt het paard achter de wagen gespannen. En als Nederland alleen zijn eigen boeren zou verplichten en het buitenland niet, dan komt daar natuurlijk verzet tegen. Dit lijkt op een patstelling. Omdat de overproductie ook op andere terreinen tot een patstelling leidt, is een van de stellingen van Animal Freedom dat de Nederlandse overproductie het beste kan worden gesaneerd.

Een redelijk antwoord op deze vragen is dat de overheid, zonder op het buitenland te wachten, alle boeren verplicht om minimale welzijnseisen na te leven. De koe dus verplicht in de wei, bij voorkeur met een aantal bomen ter bescherming tegen felle zon, wind en regen.

Hoe de boer kan worden gebracht tot natuurbeheer, is een vraag van een andere orde. Bij natuurbeheer is alles mogelijk, van minimaal beheer tot flink ingrijpen. Op de weiden, in en langs de sloten van een veehouderij kunnen veel planten en dieren een plek vinden. Ze zijn het kwetsbaarst in de lente, als vogels broeden, dieren jongen krijgen en planten bloeien.

mestinjecteur

Ondanks de grote inzet van boeren en vogelbeschermers worden de weidevogels nog steeds ernstig bedreigd. Niet alleen natuurlijke vijanden als de vos, de das, buizerds, eksters en kraaiachtigen vormen die dreiging. Ook de mestinjecteurs zaaien dood en verderf onder de weidevogels. De weidevogelwerkgroep Brummen, Eerbeek en Hall zag het liefst een totaalverbod op mestinjecteurs en anders een injecteerverbod tussen 1 maart en 1 juli. "De mestinjecteerder is een dood- en verderfzaaier op grote schaal. De gruwelijke naweeën zijn nog barbaarser dan die van de dierlijke moordenaars. Zowel direct als indirect wordt onnoemelijk veel dierenleed en schade aangebracht. Direct worden veel eieren en jonge vogels om zeep geholpen. Indirect verdwijnt het leven in de grond, waarmee ook het voedsel (pieren, larven enz.) voor de weidevogels verdwijnt. De grond wordt steriel en de structuur verpest." Tot zover de werkgroep in de Apeldoornse Courant.

Het eenvoudigst zou zijn als de boer wordt verplicht om een deel van zijn land ongebruikt en ongemoeid te laten, bijvoorbeeld slootranden. Zo kan de natuur haar eigen gang gaan in haar eigen tempo. Regels kunnen de planten en dieren dan beschermen in de kwetsbaarste tijd van het jaar, bijvoorbeeld door geen sloten te maaien of uit te diepen in het broed- en bloeiseizoen. Wil je dat een boer meer doet voor de natuur, dan wordt het een kwestie van onderhandelen. Meer doen dan sloten ongemoeid laten kost tijd en moeite en iemand zal dat moeten betalen.

Een natuurlijke wei kan deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland, tot 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd. Dat netwerk verbindt natuurgebieden, zodat planten en dieren zich kunnen verspreiden. Het is óf grond aankopen en toevoegen aan het Natuurnetwerk óf boeren betalen om hun wei natuurlijker te maken. Dat laatste gebeurt sinds 2016 via agrarische collectieven: een boer krijgt bijvoorbeeld een vergoeding als hij later maait, zodat de weidevogels hun jongen groot kunnen brengen. Het geld komt uit het Europese landbouwbeleid en van de provincies. Betalen kan dus de overheid doen of de consument. De biologische sector kan daarbij een voorbeeld zijn. De overheid steunt die ontwikkeling het beste door de intensieve veehouderij onaantrekkelijk te maken en af te bouwen.

Willen we dat ons land duurzaam en natuurlijk is ingericht, dan moeten we kiezen. Of een groter nationaal product door de bio-industrie te behouden, met een uitgewoond land en milieu als gevolg. Of een ietsepietsje kleiner nationaal product, maar een gezond milieu en schoon drinkwater. De lasten worden het beste verdeeld als de consument iets meer voor voedsel betaalt en de boer een hoger inkomen krijgt, op voorwaarde dat hij zich laat reguleren.

Wie het onderste uit de melkkan wil, krijgt het lid op de neus. Dat blijkt ook uit het gebrek aan schaduw in de wei.

Geen schaduw in de wei

Dansende koe in de weiIn 2005 onderzocht Stichting Wakker Dier bijna 2.000 weilanden in heel Nederland. 69 procent van de koeien kon bij heet weer geen schaduw opzoeken. In 2022 telde Wakker Dier in Friesland 5.400 koeien: 71 procent had geen schaduw. Er is in al die jaren dus weinig veranderd.

Koeien krijgen al vanaf ongeveer 22 graden last van hittestress. Behalve de directe hinder krijgen ze daardoor vaker uierontsteking, problemen met de vruchtbaarheid en andere ziektes. Een koe met hittestress geeft ook minder melk. De boer heeft er dus zelf ook belang bij om voor schaduw te zorgen, bijvoorbeeld door bomen en houtwallen te planten.

Schaduw is ook een wettelijke plicht. Volgens het Besluit houders van dieren moet een veehouder dieren in de wei beschermen tegen extreme weersomstandigheden. De NVWA zegt het duidelijk: wie bij hitte geen schaduw biedt, is in overtreding, ook als de dieren (nog) geen hittestress laten zien. In april 2024 gaf de hoogste rechter op dit gebied, het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Wakker Dier gelijk: de NVWA moet beter handhaven bij dieren die in de volle zon staan.

Ook in de dichte stallen van de bio-industrie, waar altijd schaduw is, hebben dieren veel last van hitte. Vleeskuikens zijn zo doorgefokt op snelle groei dat ze onnatuurlijk veel lichaamswarmte produceren. Aan het eind van hun leven zitten ze met zo'n twintig dieren per vierkante meter zo dicht opeen dat ze hun warmte niet kwijt kunnen. Op een warme zomerdag sterven er dan duizenden extra. Dankzij de campagne van Wakker Dier verkopen de supermarkten sinds 2020 geen vers vlees meer van de snelst groeiende rassen, maar in restaurants en in bewerkte producten zit het nog wel. Ook in varkensstallen sterven bij hitte of als de ventilatie uitvalt nog steeds veel dieren.

Lees ook: Heroverweging landbouwsubsidies: boeren als publieke dienstverleners.

Bronnen: CBS, Aantal koeien dat permanent op stal staat toegenomen (15 augustus 2025); ZuivelNL, Convenant Weidegang; motie Holman en Grinwis (2025); Sovon, 2025: een beter jaar voor jonge grutto's; Natuurmonumenten, Grutto; Natuurnetwerk Nederland; NVWA, Regels voor veehouders bij hitte; Wakker Dier over de uitspraak van het CBb (25 april 2024); Hart van Nederland (12 augustus 2022). Bijgewerkt in oktober 2026.