Homepage

Een bruikbaar kader voor dierenwelzijn in Nederland

De lege kern van ons dierenbeleid

Nederland heeft een Wet Dieren. Nederland heeft een Dierenbescherming. Nederland heeft zelfs een politieke partij die uitsluitend voor dieren opkomt. En toch ontbreekt er iets wezenlijks: een samenhangende gedachte. Een principe dat richting geeft wanneer belangen botsen. Een antwoord op de vraag: waarom tellen dieren eigenlijk mee?
Wie die vraag stelt, stuit al snel op een ongemakkelijke waarheid. De Wet Dieren beschermt in de praktijk vooral de mensen die professioneel met dieren werken: dierenartsen, veehouders, handelaren, fokkers. De Dierenbescherming grijpt in wanneer de buurman zijn hond verwaarloost, maar laat de bio-industrie grotendeels ongemoeid. En de overheid bemoeit zich met huisdieren pas wanneer omwonenden er last van hebben: geluidsoverlast, stank, uitwerpselen op straat. Niet het dier staat centraal. De mens staat centraal. Het dier is gedoogd, zolang het niet stoort.
Dit is geen dierenbeleid. Dit is ordeningsbeleid waarin dieren als dingen en variabelen voorkomen.

Het verkeerde uitgangspunt

De fout ligt dieper dan slechte wetgeving of gebrek aan politieke wil. De fout ligt in het uitgangspunt. In vrijwel alle discussies over dieren -van de veehouderij tot het huisdier, van de beheers- en plezierjacht tot de biodiversiteit- wordt stilzwijgend aangenomen dat dieren geen aanspraken kunnen hebben tenzij ze die verdienen. Dieren moeten iets bewijzen: bewustzijn, pijn, gehechtheid, intelligentie. Pas dan worden ze serieus genomen.
Maar dit is precies de redenering die we bij mensen al lang hebben verlaten. We vragen een pasgeboren kind niet om zijn bewustzijn te bewijzen voor we het beschermen. We verlangen niet van mensen met een verstandelijke beperking dat ze hun vrijheid verdienen. Het uitgangspunt bij mensen is omgekeerd: vrijheid is de norm, en wie die vrijheid wil beperken, moet dat rechtvaardigen.
Waarom geldt dat principe niet voor dieren?
Niet dieren zouden moeten bewijzen dat ze vrijheid verdienen. Mensen moeten bewijzen dat het beperken van die vrijheid gerechtvaardigd is. De bewijslast verschuift. En daarmee verschuift de hele morele logica.

De vraag die we niet stellen

Wanneer belangen botsen -tussen mensen en dieren, of tussen dieren onderling- stellen we doorgaans de verkeerde vraag. We vragen: wat is het goedkoopst? Wat is het meest praktisch? Wat past binnen de bestaande bedrijfsvoering?
De juiste vraag is: welke oplossing schaadt de vrijheid van alle betrokken partijen het minst?

Dit klinkt abstract, maar het heeft zeer concrete gevolgen. Neem een paar voorbeelden.

De veestapel.

Nederland herbergt een van de relatief grootste veestapels ter wereld, voornamelijk voor export. Miljoenen dieren leven hun hele bestaan in ruimtes die hun bewegingsvrijheid, sociale leven en natuurlijk gedrag volledig onderdrukken. De vraag is niet: kan de boer dit veroorloven anders te doen? De vraag is: rechtvaardigt het economische belang van export de volledige ontneming van vrijheid aan levende wezens? Als dat niet zo is -en het is moeilijk vol te houden dat het dat wel is- dan is de conclusie niet dat we moeten wachten tot de markt verandert. Dan is de conclusie dat dit systeem moreel onhoudbaar is, ongeacht de kostprijs.

De huisdierhouder.

Veel mensen houden van dieren door dieren te houden. Dat is een paradox die zelden wordt uitgesproken. Een kat die zijn hele leven binnen zit omdat de eigenaar zich geen zorgen wil maken over verkeer of buren. Een hond die uren alleen is omdat de eigenaar werkt. Een konijn in een kooi van zestig bij veertig centimeter. De Dierenbescherming grijpt niet in zolang het dier niet zichtbaar lijdt en de buren geen klachten indienen. Maar vrijheid is meer dan de afwezigheid van zichtbaar lijden. Ook hier geldt: wie een dier houdt, beperkt zijn vrijheid en moet die beperking kunnen rechtvaardigen, niet slechts minimaliseren.

De biodiversiteit.

Buiten de bebouwde kom verdwijnen weidevogels, insecten en kleine zoogdieren in hoog tempo. Binnen de bebouwde kom verliezen zangvogels jaarlijks grote aantallen jongen aan loslopende katten. Roeken, gaaien en eksters -beschermd- maken nesten leeg. De natuur kent haar eigen conflicten. Maar ook hier dwingt de vrijheidsvraag tot precisie: welke ingreep is proportioneel? Het massaal verjagen of doden van beschermde soorten is een andere afweging dan het beperken van de bewegingsvrijheid van huiskatten in broedseizoen. De vraag is niet wie wint, maar hoe de schade aan vrijheid -aan alle kanten- zo klein mogelijk blijft.

De Partij voor de Dieren en haar kiezers.

Het is opmerkelijk dat de grootste politieke partij die zegt voor dieren op te komen, haar kiezers grotendeels vindt onder mensen die dieren houden. Dat is geen verwijt, het is een uitnodiging. Wie oprecht van dieren houdt, is bereid om de liefde te laten toetsen aan het belang van het dier zelf, niet alleen aan het eigen gevoel van verbondenheid. Een dierenpartij die dat gesprek durft aan te gaan, is geloofwaardiger dan een die enkel de sentimenten van houders vertegenwoordigt.

Een nieuw moreel kompas

Vrijheid als uitgangspunt is geen romantisch ideaal. Het is een praktisch en principieel kader dat helderheid schept waar nu willekeur heerst.
Het betekent niet dat dieren nooit mogen worden beperkt. Het betekent dat elke beperking moet worden gemotiveerd en dat de motivatie zwaarder moet wegen naarmate de beperking ingrijpender is. Een hond aan de lijn in de binnenstad: te rechtvaardigen. Een koe die haar hele leven op een betonnen vloer staat: niet.
Het betekent niet dat menselijke belangen nooit mogen prevaleren. Het betekent dat menselijk gemak, economisch voordeel of culturele gewoonte op zichzelf geen toereikende rechtvaardiging zijn voor ernstige inbreuken op dierlijke vrijheid.
En het betekent dat we bij conflicten -tussen predator en prooi, tussen boer en natuur, tussen huisdierhouder en vrije vogel- systematisch vragen: wat schaadt de vrijheid het minst? Niet als vrome wens, maar als leidend criterium in beleid, wetgeving en persoonlijke keuze.

Onszelf en dieren serieus nemen

Nederland heeft behoefte aan een samenhangende gedachte achter zijn dierenbeleid. Die gedachte bestaat al, ze wordt alleen nog niet consequent toegepast. Dieren zijn aan mensen intrinsiek evenwaardig in recht op vrijheid en op een natuurlijk leven. Wie dat betwist, draagt de bewijslast. Wie dat erkent, aanvaardt de consequenties.
De vraag is niet langer of we dieren serieus nemen. De vraag is of we bereid zijn onszelf serieus te nemen en te leven naar de principes die we zeggen te onderschrijven.

Deze tekst is vrijgegeven onder CC BY-ND 4.0. Vrij te delen, mits ongewijzigd en met bronvermelding: Animal Freedom.