Over Schiphol, de veehouderij en de grenzen van de vrijheid van meningsuiting
Het Schiphol-voorbeeld
Tijdens de boerenprotesten weerklinkt een oude leuze: haal de stikstof maar weg bij Schiphol. De redenering lijkt eenvoudig: als de luchtvaart ongestraft mag uitstoten, waarom zou de veehouderij dan wel worden aangepakt?
Wie die vergelijking ontleedt, ziet direct wat eraan ontbreekt. De uitstoot van Schiphol vermindert de uitstoot van de veehouderij niet. Beide dragen bij aan hetzelfde probleem. De leuze is een klassiek voorbeeld van tu quoque (jij ook): niet het eigen aandeel weerleggen maar de aandacht verleggen naar het aandeel van een ander.
Welke groep spreekt?
Toch is dat niet het meest interessante eraan. Een individuele boer of sympathisant behoort tegelijk tot meerdere groepen en die groepen zijn geen vaststaand gegeven. Een veehouder is zowel lid van “de agrosector die wel economisch bijdraagt” als van “de sector die te veel mest produceert”. Beide zijn waar, tegelijk, zonder tegenspraak, vergelijkbaar met een burger die het ene moment voor zijn gemeente stemt en het andere moment voor Europa zonder dat een wisseling van partij hem dat als opportunisme aanrekent. Het wisselen van laag is op zich dus geen probleem.
Het wringt pas wanneer die wisseling systematisch dezelfde kant op wijst: telkens de laag kiezen die het minst pijn doet zodra het over lasten gaat en de laag die het meest oplevert zodra het over erkenning gaat.
Kat en muis
Bij de boeren op de snelweg gebeurt precies dat en wel zichtbaar. Onlangs reden tractoren met afgeplakte kentekens de snelweg op. De politie filmde de stoet, dirigeerde de tractoren van de weg en gaf achteraf toe dat er niemand beboet kon worden omdat de kentekens niet leesbaar waren. Dat afplakken was geen toevallige omissie maar een vooraf ingecalculeerde ontsnappingsroute en het opvallende is dat de politie niet wordt overrompeld door een sluw trucje: ze weet dat de truc is toegepast en zegt dat ook hardop. Dat maakt het geen gewone ontduiking meer maar een geritualiseerd spel waarvan beide partijen de regels kennen. De boeren weten dat ze wegkomen, de politie weet dat zij dat weet en toch wordt het spel gespeeld alsof het een handhavingsmoment is. Niemand hoeft de boeman te spelen, de overtreding was klein genoeg om te laten gaan en de boeren hielden hun media-aandacht over. De boodschap is dan onvermijdelijk: het kost gewoon te veel moeite om deze sector aan te pakken en de opbrengst weegt er niet tegenop.
Dat beeld wordt nog scherper wanneer je bedenkt dat ook de instanties die wél op controle zijn gericht, zoals de handhavers van mestregels, al jaren worden geplaagd door een afgeknepen geldstroom. Handhaving verzwakt dan niet alleen door gedoogbeleid op straat, maar ook door een structureel gebrek aan middelen om de eigen taak uit te voeren.
Dat plezier is de kern van de onwil die dit essay aan de kaak wil stellen. Niet stiekem profiteren maar publiekelijk, met een spandoek of een afgeplakt kenteken, tonen dat de greep van de regulerende autoriteit weer eens niet sloot. Winnen betekent hier niet “mijn standpunt heeft gewonnen” maar “ze konden ons weer niet pakken”. Wat de camera niet vastlegt, is het plezier dat achteraf in de kroeg wordt nagenoten, ver van de beelden van boze boeren die het nieuws halen. Dat verklaart ook waarom herhaling niet vermoeit maar juist bevredigt bij wie de strategie toepast, in schril contrast met een publiek dat er wél moe van wordt.
Als het verzet doorschiet
Wie zich hieraan ergert, reageert soms met evenveel onmacht als verontwaardiging. Op het kentekenincident volgden felle reacties: sommigen riepen op om het leger in te zetten. Zulke uitspraken zijn geen serieus voorstel, ze zijn een uitroep van frustratie die precies laat zien dat er geen proportioneel instrument voorhanden is. Daarmee wordt de overdrijving koren op de molen van de boeren: die reactie is makkelijker belachelijk te maken dan het oorspronkelijke incident en het slachtofferschap verschuift van “wij plakten onze kentekens af” naar “kijk hoe wij nu belaagd worden door mensen die het leger op ons af willen sturen”. De boeren hoeven niet eens meer te verdedigen wat ze deden, ze hoeven alleen te wijzen op de reactie van hun tegenstanders.
Dat maakt de vertragingsstrategie sterker dan zij uit zichzelf zou zijn. Niet alleen het publiek en de handhaving raken vermoeid en geven zo de ruimte, ook het verzet voedt de strategie doordat het ontbreken van een proportioneel instrument mensen naar disproportionele taal drijft. Wie de drogredenaar wil ontmaskeren, doet er daarom goed aan de eigen neiging tot overdrijving te herkennen als iets waar de strategie zelf garen bij spint.
Van overtuigen naar vertragen
Een gewone drogreden probeert iemand nog ergens van te overtuigen, hoe gebrekkig ook. Bij het boerenprotest werkt de leuze anders. Het doel is niet om aannemelijk te maken dat Schiphol het echte probleem vormt, het doel is de discussie te vertragen. Zolang de aandacht verschuift, hoeft niemand het nog over de nadelen van de te grote veehouderij te hebben.
De inhoud van de leuze is dan bijna bijzaak. Zij hoeft alleen maar steeds opnieuw de discussie open te breken. Dat is geen klassieke leugen maar een efficiënte vorm van tijd winnen. Doordat het publieke debat voortdurend nieuwe nieuwscycli kent, begint dat proces telkens opnieuw. Zeker in komkommertijd.
Wat overtuigen niet kan
Wie op deze manier discussie voert, is niet uit op een eerlijk debat. Inhoudelijke weerlegging levert dan vooral op wat juist gezocht wordt: vertraging. Ook het publiek speelt hierin een rol. Veel mensen zoeken eerder bevestiging van hun bestaande overtuigingen dan een argument dat hen geld of gemak kan kosten.
Met argumenten alleen valt dus weinig te winnen. Wie niet uit is op een eerlijk debat, is met argumenten nauwelijks te bereiken. Je kunt zo iemand hooguit zichtbaar maken als iemand die de discussie ontwijkt en dat is iets anders dan hem inhoudelijk weerleggen. Een dwangmiddel dat die ontwijking zou kunnen tegenhouden, mag in een vrije samenleving niet bestaan: zodra een instantie zou mogen bepalen welke vormen van afleidingsretoriek de kop worden ingedrukt, verandert de bescherming van het debat in censuur. Juist de vrijheid van meningsuiting verhindert dus een dwangmatige oplossing. Dat is geen zwakte van de democratie maar een noodzakelijke consequentie van een vrije samenleving.
De vraag wordt daardoor: bestaat er een ander middel dat dezelfde functie vervult, zonder dwang?
Herkenning als alternatief
Vertragingsretoriek werkt alleen zolang zij telkens opnieuw als een verrassend argument verschijnt. Zodra mensen het patroon herkennen, “dit is opnieuw een afleidingsmanoeuvre”, verliest de volgende leuze een deel van haar kracht. Niet omdat zij inhoudelijk is weerlegd maar omdat haar werking zichtbaar is geworden.
Herkenning is daarom geen zwak surrogaat voor dwang maar een heel ander instrument dat dezelfde functie vervult: het ontnemen van bewegingsruimte. Niet door dwang maar door bewustwording.
Wat cijfers niet kunnen en voorbeelden wel
De eerste ambtstermijn van Donald Trump laat zien hoe moeilijk dat in de praktijk is. Factcheckers hielden nauwkeurig bij hoeveel onwaarheden hij verkondigde. Uiteindelijk liep dat op tot vele tienduizenden.
Toch veranderden zulke cijfers het publieke debat nauwelijks. Een getal van die omvang wordt vrijwel onbevattelijk. Veel mensen ervaren het eerder als een politieke overdrijving dan als een bruikbaar inzicht. Bovendien leer je van een totaal aantal niets herkennen. Sterker nog, het droeg bij aan het imago van ongrijpbaarheid van de slimme vos.
Waarschijnlijk was een uitleg van de typologie van misleiding effectiever geweest. Niet “hij loog 30.000 keer” maar “zoveel keer loog hij op deze manier, zoveel op die manier”: “dit is een ongefundeerde bewering”, “dit is een verzonnen statistiek”, “dit is een afleidingsmanoeuvre”, telkens voorzien van een concreet voorbeeld en statistiek. Zo leert een burger zelf patronen onderscheiden, ook bij andere politici.
Juist hier zou kunstmatige intelligentie een nieuwe rol kunnen spelen. Niet als scheidsrechter die bepaalt wat waar is maar als hulpmiddel dat terugkerende patronen in het taalgebruik van publieke figuren zichtbaar maakt. De burger blijft zelf oordelen maar krijgt beter gereedschap om misleiding te herkennen.
Een eerlijke conclusie
Wie hoopt op een sluitend antwoord tegen onwil, komt bedrogen uit. Dat is de prijs van een vrijheid die we niet willen opgeven. Er bestaat geen instituut dat de waakzaamheid van burgers kan overnemen. Er kan alleen een gezamenlijke en voortdurende inspanning worden gedaan om patronen te blijven herkennen en benoemen en om de eigen neiging tot overdrijving daarbij niet uit het oog te verliezen.
Drogredeneren is daarom meer dan een retorische misstap. Het is een strategie die leeft van afleiding, herhaling en collectief vergeten, gedragen door het plezier van wie telkens weer ontsnapt. Een vrije samenleving kan zich daar niet met dwang tegen verdedigen zonder haar eigen uitgangspunten aan te tasten.
Wat overblijft is misschien minder spectaculair maar uiteindelijk krachtiger: burgers die leren onderscheiden wat een eerlijk argument is en wat slechts een afleidingsmanoeuvre. Dat vraagt voortdurende oefening, van schrijvers, journalisten, politici, docenten en iedereen die aan het publieke debat deelneemt. Niet omdat het de enige weg is die te bedenken valt, maar omdat een vrije samenleving gebaat is bij groeiend bewustzijn.
|