Een elektrische schok in Israël
Het beslissende moment in mijn leven was een bijna-doodervaring. Ik was drieëntwintig jaar oud en ik stond in een boomgaard in Noord-Israël grapefruits te plukken op een aluminium ladder. Opeens gleed die ladder weg en raakte een elektrische leiding die niet was geïsoleerd. Ik kreeg een zware elektrische schok en viel bewusteloos op de grond. Tenminste, ik leek bewusteloos, maar in werkelijkheid heb ik mijn hele leven niet zo intensief geleefd als die twintig minuten.
Ik herleefde alle ervaringen uit mijn leven die mij hadden gefrustreerd of die ik niet begreep. In een aanzwellende golf van opluchting na opluchting zag ik van al die zaken hoe het werkelijk zat. In een overweldigend besef van goedheid en geluk begreep ik opeens dat alle problemen in de wereld schijnproblemen zijn. Dat alles wat niet goed lijkt te zijn, slechts een kwestie is van misverstanden en onbegrip. Dat er geen mensen met slechte intenties bestaan, maar alleen onvoldoende inzicht. En dat wij mensen de aarde hebben gekregen als een kostbaar geschenk.
Toen ik bijkwam, was mijn eerste gedachte: jammer dat ik terug ben. Vervolgens dacht ik: nu ben ik vrij en er is niets om bang voor te zijn want doodgaan is prachtig. Omdat de ladder snel van de leiding was afgegleden, had de elektrische schok maar kort geduurd. Dat is mijn redding geweest. Lichamelijk was er niets met mij aan de hand: ik kon gewoon opstaan. Maar geestelijk zou ik nooit meer dezelfde zijn. Ik had ingezien hoe ongelofelijk mooi de wereld is en besloot voortaan mezelf en andere mensen altijd goed te behandelen en zo weinig mogelijk te doen om de aarde te schaden. Als mens krijg je elke dag gratis lucht, gratis schoonheid, de hele wereld, het hele heelal. Dat is zoveel! Waarom zou je dan als dank de boel verpesten?
Weinig afval, energie en water
Ik heb mijn leven daarna zo ingericht dat ik zo zuinig mogelijk op de aarde ben. Dat betekent dat ik maar twee vuilniszakken afval per jaar produceer. Ik koop in principe geen artikelen die in plastic of metaal verpakt zijn. Glas recycle ik en papieren zakken hergebruik ik. Ik doe mijn boodschappen op de markt en zorg dat ik altijd een tas en wat zakken bij me heb zodat ik, als ik onverwachts iets wil kopen, nooit een verpakking hoef te accepteren. Mijn huis is goed geïsoleerd en heeft zonnepanelen op het dak, die evenveel energie produceren als ik 's winters aan gas verbruik.
Mijn energieverbruik wordt verder nog verminderd doordat ik bijvoorbeeld geen televisie heb. Dat ding slurpt mij te veel aandacht op en daar houd ik niet van. Ik heb liever aandacht over. De wasmachine deel ik met de bovenburen, maar ik gebruik hem slechts tien keer per jaar omdat ik niet veel vuil maak en kleine wasjes met de hand doe. Mijn stookkosten kan ik beperken omdat ik gewend ben aan kou. Ik ben een echte buitenman, dus ik ga pas stoken als het kouder dan dertien graden wordt in huis. Behalve natuurlijk als ik bezoek heb, want vrienden laat ik niet in de kou zitten.
Verder verbruik ik maar acht kubieke meter water per jaar. De wc trek ik door met regenwater. Afwaswater hergebruik ik om de keuken schoon te maken en om de wc door te trekken als er geen regenwater voorhanden is. Voor de afwas gebruik ik biologisch afwasmiddel dat ik in de winkel aftap uit een grote jerrycan. Zo kan ik de fles lang hergebruiken. Iedereen denkt dat het veel moeite en tijd kost om zo te leven. Maar het kost mij geen minuut extra en ik lever aan leefplezier niets in.
Jeugd in Drenthe en Rotterdam
Ik ben om te beginnen heel zuinig opgevoed. Mijn ouders hadden de hongerwinter meegemaakt en dat zijn ze nooit meer kwijt geraakt. Ze waren bovendien streng christelijk en spaarden liever dan dat ze uitgaven. Ik groeide op in het Drentse Bovensmilde en zat bij veenarbeiderskinderen in de klas die 's winters zonder sokken op klompen liepen. Dat mijn ouders zuinig waren, viel mij dus niet op. Ik trok er vaak op uit, de natuur in. Ik kende alle planten en vogels, alleen wist ik de namen niet. Als kind vond ik al dat als mensen zich met de natuur gingen bemoeien het er eerder lelijker op werd dan mooier.
Toen ik tien jaar oud was, verhuisden we naar Rotterdam. Ik voelde me daar doodongelukkig. Geen natuur meer, maar huizen, straten en winkels vol spullen die grotendeels overbodig waren. Dat vond ik als kind al. Ik droomde van een leven als boer en als zeventienjarige ging ik naar de middelbare landbouwschool. Maar ik had er niet zo bij stil gestaan dat je alleen boer kon worden als je een boerderij bezat. Ik werkte nog wel een jaar als boerenknecht in Drente. Maar dat was niets voor mij, want ik houd er niet van als mensen mij vertellen wat ik moet doen.
Zorg voor het gezin en een reis door het Midden-Oosten
Dus besloot ik boswachter te worden en deed toelatingsexamen voor de bosbouwschool. Maar toen overleed mijn moeder. In het jaar voor haar dood was ons contact steeds beter geworden en toen ze er opeens niet meer was, leek alles onbelangrijk. Ik zocht een baantje via een uitzendbureau en nam het huishouden en de zorg voor mijn twee jongere broertjes over en dat hield ik bijna drie jaar vol. Toen werd het me teveel: ik besloot de wereld in te trekken.
Met vierhonderd gulden op zak reisde ik een jaar door Zuid-Europa en het Midden-Oosten. Ik sliep in hooibergen of huizen die in aanbouw waren. Ik leefde op water, brood en fruit en vond altijd wel ergens een baantje waardoor ik even voort kon. Die reis leerde mij dat je heel veel kunt beleven met heel weinig geld. Ik zag dat ik voor nop overal kon komen omdat veel mensen in de wereld gastvrij en goed zijn. |