Leo tho Neijenhuijs is lijstduwer voor de Partij voor de Dieren en reageert op een denigrerende ingezonden brief in de NRC.   Onderstaand artikel is een reactie op een ingezonden brief van de heer Guus van Ditzhuijzen in de NRC-Opinie van 24 november 2006.
     

Een nieuwe politieke beweging van intelligente mensen die het lef op konden brengen zich te verzetten tegen de toenemende uitbuiting en mishandeling van dieren in de Westerse Wereld "decadent" te noemen, gaat mij te ver. Ik begrijp niet dat een geheel nieuwe politieke partij die zich o.a. baseert op de 'Universele Verklaring van de Rechten van de Mens' en de 'Universal Declaration for the Welfare of Animals', ook maar iets uitstaande zou hebben met het toppunt van decadentie.

Integendeel, de leden van deze partij strijden tegen een decadente Westerse maatschappij, die meent alles te kunnen en mogen doen om zichzelf te verrijken. Uitbuiting van de bodemschatten van onze aarde, het leegvissen van onze wereldzeeën en het kappen van regenwouden (de longen van onze aarde), zonder rekening te willen houden met de desastreuze gevolgen voor alle bewoners van de aarde, dàt noem ik decadent. Het achteloos omgaan met levende, bezielde wezens zoals b.v. in de bio-industrie, alleen maar om daar massaal onze tanden in te kunnen zetten, dàt noem ik decadentie. En de schuld die wij ons hiermee op de hals halen, is alleen maar de klap. Het is de rente die ons straks de genadeklap toebrengt. Het is duidelijk dat opponenten van de PvdD niet de geringste moeite willen nemen om zich minimaal te oriënteren, zelfs niet op zoiets als de 'Beginselverklaring Partij voor de Dieren'. Neen, zij houden zich liever op met het slaken van ongefundeerde loze kreetjes als "vertegenwoordigers van poezenclubjes, schoothondjesclubjes" en wat dies meer zei om deze partij te bagatelliseren en onderuit te schoffelen.

Dan wordt óók nog eens een eindperiode van het Romeinse Wereldrijk uit zijn verband gehaald om aan te tonen hoe decadent deze partij wel zou zijn. Maar vergeten wordt dat niet alleen de Romeinen uit de Oudheid, maar ook de huidige welvarende Westerlingen zich volvreten met vis, vlees en vleesproducten uit de bio-industrie en zich te buiten gaan aan de vloeibare desocialiserende harddrug alcohol. Het gevolg is een toenemende, zorgwekkende belasting van de gezondheidszorg waardoor almaar meer gelden uit de belastingopbrengsten opgehoest moeten worden en de persoonlijke premies jaarlijks angstwekkend doen stijgen.
Waar blijft het mededogen in onze samenleving voor al het leven op onze aarde en waarom neemt de huidige mens zijn verantwoordelijkheid hiervoor niet in acht door ze af te schuiven naar volgende generaties?

Of zou de 19e eeuwse filosoof Schiller toch nog gelijk krijgen met zijn opmerking "Mit der Dummheit kämpfen Götter selbst vergebens"?