Kippen met intacte snavels pikken elkaar half dood, zelfs als ze behoorlijk de ruimte krijgen. Eén op de acht hennen legt daardoor voortijdig het loodje. De vraag is: is dat pikgedrag vastgelegd in de genen of moeten de kuikens beter worden opgevoed.   Jeroen Trommelen in de Volkskrant van 8 april 2000.
     
Het is maar goed dat mensen die bij Albert Heijn biologische EKO-eieren kopen, niet de boerderij bezoeken waar ze vandaan komen. Ze zouden terecht kunnen komen bij een kippenhouder nabij Barneveld. In zijn stallen lopen legkippen rond, die precies krijgen wat de biologische wet voorschrijft: speciaal voer, een vierkante meter binnenruimte per zes hennen, zitstokken, legnesten, rustplaatsen en een uitgang naar buiten plus vier vierkante meter buitenruimte per kip.
Er is maar één probleem. De kippen pikken elkaar kaal en vreten elkaar op. Dat ziet er niet erg biologisch uit, en komt het welzijn van de dieren ook niet ten goede. Bijna allemaal vertonen ze voor de helft geplukt, terwijl het legseizoen nog lang niet voorbij is. Vermoedelijk haalt minstens 10 procent het einde van de legperiode niet.
     
Veel andere biologische kippenhouders hebben hetzelfde probleem, staat in het afgelopen maand gepubliceerde rapport Biologische Legpluimveehouderij van pluimveeonderzoekscentrum Het Spelderholt in Beekbergen en het Landbouw-Economisch Instituut in Den Haag. In het rapport verkent de kippensector de biologische markt omdat die de komende jaren waarschijnlijk snel zal groeien.
De Europese wetgeving verbiedt de legbatterij vanaf 2012 en in Nederland zouden vanaf 2011 geen snavels van kippen meer gekapt mogen worden. Dat is namelijk vaak géén pijnloze ingreep, zoals soms wordt gedacht. De kippen kunnen er hevig door lijden en kwijnen er dan door weg. Het snavelkapverbod geldt volgend jaar al voor boeren die een nieuw bedrijf beginnen of omschakelen op een ander staltype.
Maar daarbij zullen ze stuiten op een onopgelost probleem, stellen de onderzoekers vast.
 
Gemiddeld 12 procent van de biologische kippen haalt het einde van de legperiode niet. Dat komt grotendeels door het `verenpikken'; een verschijnsel dat onuitroeibaar lijkt bij kippen die hun snavel mogen houden. `Het is een kwestie van tijd voordat de consument hiervan op de hoogte wordt gebracht. De biologische sector moet dan antwoord hebben op kritische vragen die ongetwijfeld gesteld gaan worden', aldus het rapport.
Op dat antwoord zit de biologische sector inderdaad al even te broeden. In opdracht van het platform Biologica, dat de belangen van producenten en handelaars behartigt, houden onderzoekers van het antroposofisch georiënteerde Louis Bolk Instituut in Driebergen zich sinds februari vorig jaar ermee bezig
Het probleem bestáát, maar is niet onoplosbaar, concludeert ir. Monique Bestman van het instituut na een jaar onderzoek. Sommige biologische boeren hebben er nauwelijks last van. Maar vooral boeren die net zijn omgeschakeld van regulier naar biologisch, hebben het systeem vaak nog niet onder de knie.
     
Zulks is ook het probleem bij de pluimveehouder bij Barneveld, die zijn naam liever niet in de krant heeft. Zoals wel meer boeren is hij niet de eigenaar van zijn eigen pluimveestapel. Dat is de eierhandelaar. Aangespoord door de goede prijs van biologische eieren (twee kwartjes in de winkel; een kwartje voor de boer) besloot die afgelopen jaar zesduizend kippen onder `biologische' omstandigheden bij de boer te huisvesten.
De eerste fout is dat er verschillende koppels in zijn stal werden gezet, denkt de boer. Daardoor hebben de beesten een moeizame verhouding met elkaar.
De handelaar heeft ook een speciaal ras bij hem neergezet; de Columbian blacktail. Die kip heeft toevallig een goede naam omdat hij in Engeland weinig problemen geeft met verenpikken. Maar daar worden ze gehouden in kleine groepen van enkele honderden exemplaren, weet Bestman, dus dat is geen wonder. Hoewel experts van het dierenonderzoeksbedrijf ID-Lelystad veel verwachten van de fok van minder agressieve rassen, blijkt uit de Biologica-proef tot dusver niet dat het kippenras iets uitmaakt in het pikgedrag.
Wat wel uitmaakt, is de manier waarop de dieren worden opgefokt. Ze moeten als kuiken leren graankorrels te zoeken in het stro en moeten gewend zijn geraakt aan de buitenruimte. Het verschil tussen het donker binnen en licht buiten mag niet te groot zijn. Kippen die buiten rondscharrelen, pikken elkaar minder. Maar zolang het buiten kaal is, is het een hele klus de dieren zover te krijgen. Wanneer de uitloop wordt beplant met bijvoorbeeld maïs, wordt de ruimte al een stuk aantrekkelijker.
De onderzoekster stuurt geïnteresseerde buitenstaanders liever niet naar pas omgeschakelde boeren, maar naar collega's als Herman Mocking in Odijk. Die biologisch-dynamische veehouder heeft zijn zaakjes keurig op orde, blijkt bij een snelle excursie langs zijn stallen. Hij heeft een gemengd bedrijf met drieduizend kippen. Die hebben bovengemiddeld veel buitenruimte (tien vierkante meter per dier) en een uitgekiende stal.
Maar het echte geheim zit in de opvoeding, denkt Mocking. In oude legertenten verzorgt hij zijn eigen opfok, waarin de jonge beesten veel buiten zitten en op de grond leren foerageren. Af en toe zit er toch eentje bij die begint te pikken. `Maar daar weten we wel raad mee', zegt hij. `Die pak ik persoonlijk op, en schuur ik met zijn snavel langs de betonnen muur. Zo leren ze het wel af.'
     

Kip moet wel pikken

Alleen kippen in gevangenschap doen aan 'verenpikken'. Ze pikken naar soortgenoten; trekken veren uit en raken echt op dreef wanneer ze een wondje zien. Dan kan het pikgedrag ontaarden in kannibalisme. Bij biologische boeren die de snavels van hun kippen niet kappen, legt gemiddeld één op de acht leghennen voortijdig het loodje. Vooral als gevolg van verenpikken.
Het verschijnsel staat los van de pikorde waarin de kippen onderling bepalen wie de baas is. Dat is natuurlijk gedrag en leidt niet tot excessen. Verenpikken is onnatuurlijk en manifesteert zich bij te weinig leefruimte. Alleen in een parkachtige omgeving of op een ruim boerenerf verdwijnt het vanzelf, denkt dr. ir. Harry Blokhuis, kippendeskundige en hoofd van de afdeling Gedrag, Stressfysiologie en Management van het dierenonderzoeksbedrijf ID-Lelystad.
Verenpikken is een vorm van foerageergedrag. 'In een natuurlijke setting zijn kippen de hele dag bezig hun kostje bij elkaar te scharrelen. Met het huidige krachtvoer heeft het beest in één uur genoeg energie binnen. Daarna zit het met te veel vrije tijd. In het kippenhoofd zit nog steeds een programma dat zegt: aan het werk, anders ga je dood.'
Blokhuis doet al twintig jaar onderzoek naar het welzijn van kippen, maar heeft nog geen oplossing voor het pikprobleem. Gekapte snavels en donkere hokken zijn vormen van symptoombestrijding die bovendien wettelijk worden verboden. Scharrel- en volièrehuisvesting bleken evenmin de oplossing. Toch speelt de kwaliteit van de huisvesting - is er voldoende scharrel- en rustruimte, genoeg licht, maar donkere leghokken - waarschijnlijk wel een grote rol.

  In theorie kan ook de afwezigheid van hanen meespelen. In natuurlijke omstandigheden waken de hanen over het gedrag van de hennen. Zo kakelt een kip wanneer ze een ei heeft gelegd om de haan te roepen die haar - volgens het oerschema - terugbrengt naar de groep. Maar op het pikgedrag hebben ze weinig invloed, denkt Blokhuis. `Hanen zullen hoogstens excessief gedrag intomen; niet het symptoom zelf. Het is een wijd verspreid misverstand dat pikken een vorm van agressie is. Daarom verwacht men te veel van de haan.'
Vermoedelijk heeft de opvoeding van de jonge kip wel invloed, zegt hij. `In een natuurlijke situatie doet de kloek het kuiken vóór hoe ze voedsel vindt. Ze pikt op de grond, maakt een geluid en laat het kuiken het gevonden voer zien. Zo leert het beest naar de grond te pikken in plaats van naar iets anders.'
Ook denkt hij dat moderne legkippen, die bijna een eeuw lang uitsluitend zijn gefokt op de eierproductie, onbewust zijn geselecteerd op een grotere neiging tot verenpikken. Er zijn kippenrassen die het minder doen, maar die produceren ook minder eieren. Pikken hangt samen met coping style, bleek uit onderzoek op ID-Lelystad. Beesten die in de praktijk minder pikken, zijn socialer en zoeken sneller contact met de soortgenoten. Tegelijk bleek dat deze kippen een hoger gehalte van het stresshormoon cortisol in hun bloed hebben.
In de laboratoriumhokken in Lelystad wordt de proef later dit jaar herhaald met vijfhonderd gewone legkippen. De ene helft krijgt via een inwendig pompje continu een hoge dosis cortisol toegediend en de andere juist een stof die de opname daarvan in het bloed verhindert. Blokhuis: `De hypothese is dat die met véél van het stresshormoon, minder zullen pikken. Ze zijn socialer en herkennen hun soortgenoten wellicht beter. Als dat klopt, geven we de fokkers het gereedschap in handen om daar iets mee te doen: minder agressieve kippen fokken.'