De ouwe koeien van boer Veerman   door Leo van den Bergh. Dit artikel komt uit het december 2006 nummer van Argus het kwartaaltijdschrift van de Faunabescherming.
Op talloze plaatsen in ons land komen gedurende het winterhalfjaar grotere of kleinere aantallen foeragerende kolganzen, toendrarietganzen, taigarietganzen, kleine rietganzen, brandganzen en rotganzen voor die hier de winter doorbrengen en al naar gelang de soort vanaf half februari tot in het late voorjaar weer vertrekken naar hun Noord-Europese of Siberische broedgebieden. Natuurlijk komen deze vogels hier geen vakantie houden, maar trekken uit pure noodzaak naar onze streken om zodoende het koude jaargetijde te kunnen overleven. Dat doen zij al eeuwenlang en er is nog nooit een boer of landman failliet gegaan of anderszins in financiële dan wel materiële nood verzeild geraakt als gevolg van het winterse bezoek van deze noordelijke gasten.
     

Centraal wanbeleid
Uit wetenschappelijk onderzoek dat vanaf de jaren zeventig werd uitgevoerd in opdracht van het ministerie van FNV, kwam bij herhaling naar voren dat er minstens even vaak sprake is van een substantieel profijt als van meetbaar verlies in het geval van akkerbouwgewassen (vnl. wintergranen). In het geval van graslandpercelen is bovendien vastgesteld dat een eenvoudige extra kunstmestgift bij de aanvang van het groeiseizoen iedere eventuele invloed van aanwasachterstand door de vraat van grazende watervogels volledig kan opheffen. Maar kennelijk hebben onze huidige regering en vorige parlement geen enkele boodschap aan de resultaten van al dat. in het verleden door haar zelf opgedragen, wetenschappelijk gefundeerde en volstrekt onafhankelijk uitgevoerde onderzoek. Zij leggen hun oor liever te luister en bij de hardst schreeuwende belangenbehartigers van het boerenmetier en het zeer discutabele, dubbelloops uitgeruste `groene gilde'. Zij zouden de natuur het liefst vandaag nog via de mestinjector en het jachtgeweer de bodem in pompen.
Dat deze hele `bejaag-` of `gedoog'-materie de belastingbetaler andermaal kapitalen gaat kosten, terwijl boeren en jagers, noest samenwerkend in de zogenaamde Faunabeheereenheden, de ene na de andere vorstelijke donatie op hun rekeningen gestort krijgen, geeft aan welke zorgwekkende vormen het centrale wanbeleid inmiddels heeft aangenomen.

     

Veel schade
Hoewel er in ons buitengebied al `sinds mensenheugenis landbouw en veeteelt wordt uitgeoefend en er zelfs al veel langer sprake is van het in grote aantallen overwinteren van noordelijke trekvogels zoals ganzen, zwanen en eenden, is het fenomeen `landbouwschade' in historische zin een betrekkelijk nieuw verschijnsel. Weliswaar voegde mr. Herman Albarda reeds in 1897 in zijn Aves Neerlandica bij de beschrijving van de akkergans, Anser fabalis arvensis, de, in het geheel niets met avifaunistiek van doen hebbende, opmerking toe: "doet veel schade aan bouw- en weilanden", maar met de huidige kennis van de rietganzen kan deze bewering alsnog naar het rijk der agrarische fabelen worden verwezen. Wij kennen de bedoelde gans tegenwoordig namelijk als de taigarietgans, Anser fabalis fabalis. Ten tijde van Albarda kwam daarvan vrijwel uitsluitend de thans goeddeels verdwenen geelbekvorm in ons land voor. Deze vogels hielden er (en houden er nog altijd) een weinig opportunistische leefwijze op na en verbleven destijds 's winter, vooral in afgelegen heide- en veengebieden en in moeilijk begaanbare dalen van beken en rivieren. Niet bepaald terreinen waar ze de keuterboer het jaeger hemd van het schonkige lijf gegeten kunnen hebben.

Ik vermoed dan ook dat meester Herman als Leeuwardens notabele naast de veldkijker ook gaarne het jachtgeweer mee mocht dragen wanneer hij het Friese veld introk om avifaunistiek te bedrijven. Het waren tenslotte andere tijden en het naar de eeuwige jachtvelden schieten van dieren voor het eigen genoegen werd toen nog doodnormaal gevonden. En daarin zou gedurende de volgende eeuw slechts heel schoorvoetend iets veranderen!
     

Geen schade
Een andere Fries die zich gaarne op het pad van ornithologie en avifaunistiek begaf, maar zich daarbij niet liet vergezellen door een loodspuit doch doorgaans een kloeke botaniseertrommel met zich torste, was Wim van Dobben. In zijn latere leven zou de jongeman het onder andere tot hoogleraar plantenecologie aan de Wageningse Landbouwhogeschool brengen. Al in de jaren vijftig voerde Van Dobben onderzoek uit naar mogelijke schade door ganzen aan ingezaaide wintertarwe en hij rapporteerde daarover reeds in 1953. Het bleek met die schade in het algemeen nogal mee te vallen.
Later zou een schier onafzienbare stoet wetenschappers in ons land en in de buurlanden tot de conclusie komen dat er de ene keer wél en de andere keer in het geheel geen schade optrad wanneer er een agrarisch perceel door wilde ganzen was bezocht. Opbrengstderving kon dikwijls gemakkelijk ondervangen worden door een extra stikstofgift vlak voor aanvang van het vegetatieseizoen of door bij de gewaskeuze vooraf reeds rekening te houden met de mogelijkheid van het bezoek van ganzen. En natuurlijk kon schade ook worden beperkt door de meest voor de hand liggende agrarische exercitie toe te passen: het plaatsen van afschrikmiddelen op gevoelige percelen.

Niet zelden bleek dat er juist sprake was van een hogere opbrengst als gevolg van begrazing door ganzen, maar daar wilde de opdrachtgever (doorgaans het Ministerie van Landbouw en de als haar secondanten optredende agrarische belangenverenigingen) en de door die ondemocratische machinerie omarmde boerenstand uiteraard niets over horen. Al zouden er desnoods één miljoen hoog gekwalificeerde wetenschappers in statenbijbeldikke publicaties tot diezelfde bevinding zijn gekomen, ganzen waren, zijn en blijven schadelijk! Een ander credo schijnt er voor de boeren- en jachtlobby, haar parlementaire vertegenwoordigers en andere politiek-maatschappelijke onbenullen niet te bestaan. Ik zie er van af om hier alle nationale en internationale wetenschappelijke druksels (waarvan meerdere universitaire proefschriften) te memoreren waarin een genuanceerd beeld van de realiteit rond liet nut en (vooral) de schade van ganzen op agrarische gewassen wordt geschetst, omdat dit artikel dan zou ontaarden in een ellenlang literatuuroverzicht. Ik beveel de minister en zijn feilende en falende beleidsambtenaren dan ook graag een langdurig verblijf in de bibliotheek van het eigen ministerie of in die van de WUR(l) aan. Bij voorkeur met enige parlementaire dwang!
     

Oogsten
De rapen waren indertijd echter pas goed gaar toen er een heuse Wildschadecommissie in het leven werd geroepen die ter leniging van de al dan niet reële boerennood haar middelen kon putten uit een jachtfonds, thans versluierend Faunafonds genaamd. Door het toenmalige Ministerie van Landbouw en Visserij, thans LNV, werden in dit fonds naar believen gemeenschapsgelden gestort of overgeheveld, die de verondersteld kwakkelende boer het extra beleg op de armtierige volkorenboterham konden bezorgen. Alsof het een heuse Brusselse subsidieregeling betrof werd de boerenstand op die wijze vanuit de grauwe Haagse bunker aan de Bezuidenhoutseweg in de gelegenheid gesteld om in het niet-productieve jaargetijde tóch van akkers en weiden te oogsten. En baar geld nog wel! Handje contantje belastingvrij op de bankrekening, want het gaat immers zogenaamd om een financiële tegemoetkoming van inkomstenderving! Daarvan ga je als boer toch finaal uit je dak! Het was in die duistere tijden (we schrijven jaren zeventig tot eind jaren negentig) letterlijk kassa voor akkerbouwers en veehouders die het gelukkige gesternte hadden getroffen dat er op hun landerijen 's winters veel grazende watervogels neerstreken. Zij ontvingen niet alleen. meestal volkomen ten onrechte, veel florijnen uit de gemeenschapskas. in de volksmond wel schatkist genaamd, maar verpachtten intussen wel voor duur geld het `genot' van de jacht aan lieden die zich razendsnel organiseerden in Wildbeheereenheden en vervolgens meenden dat de natuur een lunapark en hun jachtterrein een ordinaire schiettent was.

     

Goed rentmeesterschap?
De gevolgen lieten zich niet alleen raden, maar ook veelvuldig fotografisch vastleggen. Duizenden prachtige wilde ganzen en smienten werden er iedere winter letterlijk aan flarden geschoten en vervolgens als kadaver of als levend zwerfvuil in veld en beemd aan hun lot overgelaten. Er waren jachtvelden, zoals bijvoorbeeld in de zwaar christelijke Alblasserwaard, waar na iedere ochtendjacht honderden kapot geknalde kolganzen naar de plaatselijke vuilstort werden gebracht of onder de grond werden gedonderd. Want morgen of overmorgen kwam er immers weer een genotvolle jachtdag. Over goed rentmeesterschap gesproken!
Omdat smienten er de vervelende gewoonte op na houden om gedurende de nachtelijke uren voedsel te zoeken in de graslanden werden jagers zelfs in de wettelijke gelegenheid gesteld om er ongecontroleerd en ongelimiteerd in volslagen duisternis op los te knallen. De eigen wetten van 'weidelijkheid' werden hierbij met graagte overboord gezet. Want wat is er nu nog leuker dan bij nacht en ontij op weerloze dieren te schieten die je niet eens kunt zien? Zodat je er ook niet toe gedwongen wordt om je om de gewonde vogels te bekommeren. Van onbeschaafde omgangsvormen gesproken!

Er waren talloze gebieden waar dag na dag zogeheten ‘gastjagers' uit binnen- en buitenland tegen forse donaties aan de jachtgerechtigden letterlijk op de ganzen werden losgelaten, met alle gevolgen van dien. En er waren jagersvoorlieden die er niet voor schroomden om in hun nauwelijks lezenswaardige periodiek "De Nederlandse jager" te koketteren met hun kookmanskunst. "Men snijde van de geschoten en gevilde gans het borststuk af voor de pot en mikt de rest van het karkas voor de varkens!" jawel, kreten uit de kokerij van de Koninklijke Nederlandse jagers Vereniging die, omdat het papier nu eenmaal geduldig is, in hun lijfblad nog altijd na te bladeren zijn! Het is maar wat men `Koninklijk' wenst te noemen!
     

Terug in de tijd
Primitief-egoistische plezierjacht was mij al tientallen jaren een doorn in het oog toen ik in de winter 1992-1993 langs de afgesloten buitendijken van de Noordoostpolder stuitte op ongehoorde aantallen aangeschoten ganzen. De dieren leken daar als ten dode gedoemde getuigen van een frequent gepleegde binnendijkse slachtpartij op hun onvermijdelijke verscheiden te wachten. De plaatselijke bevolking sprak er schande van en riep mijn hulp in. Ik wist aanvankelijk niets beters te doen dan gerubberlaarsd op spekgladde dijktaluds of basaltglooiingen en slempige modderakkers sprint na sprint te trekken, totdat tenslotte mijn tuin de aanblik bood van een door ganzen vertreden akker. Dat seizoen sprokkelde ik uit dat ene jachtveld méér dan veertig schietslachtoffers bijeen, waarvan de meerderheid na kortere of langere tijd gerevalideerd in de natuur terugkeerde en er op dit moment nog enkele blijvend invalide vogels in leven zijn. En dan heb ik het nog maar over dat ene jachtterrein, waar het hoofdbestuur van de K.N.J.V. met klinkende namen als Alferink en Lulof, als pachter de scepter zwaaide. Men noemde die barbarij zonder blikken of blozen `ecologisch wildbeheer' en ontkende glashard dat er ter plekke dergelijke misstanden plaatsvonden.
Het werd gelukkig een landelijk nieuwsitem en heeft, mag ik hopen, er toe bijgedragen dat er korte tijd later aan die mens -, dier - en natuurvernederende toestanden een halt werd toegeroepen. Bij Wet! Maar niet voor lang. Want ziedaar: op een confessioneel grauwe achternamiddag werd er zowaar een bewindsman van LNV uit de vette Hoekse Waardse klei gerukt die in zijn hoedanigheid van zelfjagend akkerbouwer wel wist hoe men met schadelijk onkruid als 'natuur' en 'natuurbeschermers dient om te gaan. Als (mede) grondlegger van Greenerv (2) en WUR metamorfoseerde hij zich niet bewonderenswaardige snelheid tot kleinschalig pluimveehouder en kweekte subiet een kamermeerderheid van lieden die al zijn banale, mens -, dier - en natuurvijandige `beleidslijnen' volmondig nakakelen en (nog erger) parlementair steunen.
We zijn daarmee weer bijna terug in het jaar 1897, toen Albarda zijn boekje te buiten ging door zich in een avifaunistisch geschrift in te laten met ongenuanceerde uitspraken over nut en schade.
Hopelijk gaat het niet weer een dikke eeuw duren voordat de geciviliseerde rede het wint van het barbaarse onbenul!

(1) Wageningen Universiteit en Researchcentrum
(2) Een internationaal opererende handelsorganisatie voor groente en fruit.