Enkele passages uit M’n eign taole/Mijn eigen taal van Anne Sturm:
     
strofe 6   strofe 7

De dieren, dat is weer een ander, en een erg lang verhaal,
maar hier valt een stilte — hij ontbreekt me, de taal.
Die wereld is on … eindig, zo groot,
en zo vol van leven en getekend door dood,
dat ik er beter het zwij … bíjna, ja … toe doe,
maar in stilte gedijt het, ons grootste taboe.
Het was zo geweldig, de paarden en de koeien,
waar ik me, als kind, ook mee mocht bemoeien,
maar het is net of we hier nou een ruimte betreden,
waar ik al ooit eens in uit ben gegleden.
Toch gaan we het proberen, al stelt die poging niks voor;
geen weg die erheen leidt, hooguit een vaag spoor.
Het zwartwitte kalfje, dat zich als eerste laat zien —
was ik toen vier? of al vijf jaar, misschien?
We brengen het even, dachten m’n broertje en ik,
naar het gras in de kippenren, maar tot onze schrik,
wilde dat weerloze beestje, met dat touw om de nek …
het wilde wel lopen, maar niet door dat hek!
Het heeft ons gesleept waar het maar wou,
en wij konden niks anders dan roepen: Au! Au!

 

Misschien was dat wel de belangrijkste les
en was dat kalfje een soort profetes,
zo lang ik, lang groen nog, serieus dacht,
dat wat je verwacht, je ook inderdaad wacht,
zodat je levensweg loopt zoals je hem zag
in het stralende licht van een zomerse dag.
Het kalfje liet zien, dat er meer krachten bestaan,
als we, rechtlijnig, vooruit willen gaan
en dat wezens, geketend door touwen,
ook graag hun vermogens willen ontvouwen
en ook vrij willen zijn en zich liever niet voegen
naar ons – echte of vermeende – genoegen.
Ik vond het spannend, dat kalfje, en ik liet het niet los
en tegelijkertijd voelde ik, door dat gehos,
hoe moeilijk het was om echt samen te leven
en om, als mens, aan de dieren te geven
wat ze nodig hebben om er, ten volle, te zijn
en niet slechts hun leven te slijten in pijn.
Een strijd die nog dagelijks wordt gestreden
en waarin door de dieren veel wordt geleden.

     

In M’n eign taole/Mijn eigen taal toont een argeloos kind u haar ongerepte wereld, die niet ongerept blijft naarmate ze ouder wordt en haar blik verandert. Dit epos, waarbij opvalt dat al onze zintuigen worden aangesproken, heeft cultuurhistorische, psychologische en taalkundige invalshoeken. De geleidelijke bewustwording van de manier waarop wij, mensen, met de natuur omgaan, wordt zo indringend beschreven, dat je er moeilijk omheen kunt jezelf vragen te stellen over ‘de mens als kroon op de schepping’ en over je eigen zienswijze en gedrag.

Het belangrijkste deel uit M’n eign taole/Mijn eigen taal is een lang gedicht in het West-Zeeuws-Vlaams, met een bewerking ernaast in het standaard Nederlands. Dankzij de twee bijgevoegde cd’s kunt u het gedicht ook beluisteren.

STURM, ANNE M'n eign taole - Nao m'n wortels tusn Schorre en de Platte Diek / Mijn eigen taal - Naar mijn wortels tussen Schorre en Platte Dijk, 2007.
222 pp ingenaaid, paperback met flappen met 2 CD's.

     
Strofe 9   Strofe 23

Kippen, dat waren weer heel andere beesten.
Het leek wel, alsof er elke keer andere geesten
in een beestje kropen, in elk levend wezen,
uit de grond of het gras of het water gerezen
of, uit het niets, uit de hemel gevallen: alles kon,
had ik al gauw in de gaten, want wat je ook verzon,
het was … heel gewoon … raar, zoals het was.
Of is dat een leugen en zie ik dat nu pas?
En ik, een klein meisje nog en heel onervaren
(dieren die, uit het niets, er toch ineens waren),
werd, zomaar ineens, in mijn kontje gepikt
door een kwaaie haan — Voor de braadpan geschikt,
zei m’n moeder. Het was een hele grote,
die oranje pan, en toen ik naar die poten
keek en die gebraden kop, los van de rest,
toen wist ik niet en wist ik half en wist ik best
dat die ogen, die nou, vol vragen,
als gaten in die kop in die vleespan lagen,
mij nog maar even geleden hadden gezien.
Zagen ze geesten? Of … niks meer misschien?!

 

Naast de schuur stond een pomp, maar die zag je niet staan.
Daar zou je gewoon aan voorbij zijn gegaan,
want daar kwam geen druppel water meer uit;
wat roestig geknars en wat rommel, hooguit.
Toch was het een plek die welde als een bron,
omdat er een stroom van leven begon.
Ik hoorde ze piepen, elk voorjaar, in het nest,
maar onzichtbaar, de jonkjes, en dat was de pest.
Het was donker in het gat en dat zat ook te hoog,
en dan kun je niets zien, zelfs niet met één oog.
Je kon wel iets pakken om op te gaan staan,
maar duizend keer beter bleef je er verre vandaan.
Want de vogel die u nu ziet vliegen, misschien,
om dat piepende grut van voer te voorzien —
dat was het geheim tussen dat diertje en mij:
we bleven op afstand, kwamen nooit te dichtbij.
Door dat stille geheim kreeg dat plekje iets groots.
Noem het belofte, vervulling, of heilig, desnoods.
Die afstand én dat sterke gevoel van nabijheid,
creëerden een band én een weldadige vrijheid
.