Bio-industrie is overbodig
Hoe groter het bedrijf dat de veehouder heeft laten zetten des te groter is zijn financiële en zijn morele schuld. De veehouder heeft morele schuld omdat hij werkt met dierenleed. Dit dierenleed is onnodig omdat er sprake is van een productieoverschot. Vroeger produceerde de boer omdat mensen te eten moesten hebben om te overleven. Tegenwoordig eten mensen voedsel waarvoor de behoefte eerst is geschapen, omdat het boerenbedrijf niet alleen wil overleven, maar ook veel geld wil verdienen.
Natuurlijk zijn er de consumenten, de overheid, banken en veevoedermaatschappijen, die er allemaal aan toe bijgedragen hebben dat de productie op deze schaal mogelijk is.
 

 

Hebzucht en gemakzucht typeert de eigenaar van grote veebedrijven. Hebzucht, omdat hij zijn geweten tot zwijgen heeft gebracht en zo hoopt via het "mesten van dieren" een vet inkomen te verwerven.
Gemakzucht, omdat hij te beroerd was om te kiezen voor een fatsoenlijk beroep of voor een bedrijfsvoering, die iets langer duurt om een hoog inkomen te verwerven, maar zonder dierenleed is.

     

Bio-industrie is een doodlopende weg
Op een vleesvarken, dat een boer een half jaar laat opgroeien zit bij de slacht soms slechts 2 euro marge. Geen wonder dat er duizenden van moeten worden gehouden voor een beetje inkomen.

Ondertussen zitten veel veehouders met grote schulden aan de bank. Maar in plaats dat zij zich failliet laten verklaren, modderen ze verder, want het wonen op het platteland is vanwege de vrijheid aantrekkelijker dan wonen in een dorp of in de stad. Dat is hen gegund, maar wat meer creativiteit en een positieve instelling in het zoeken naar verantwoorde bedrijfsvoering wordt toch node gemist.

Waarom doorgaan op een letterlijk doodlopende weg als de samenleving zo duidelijk aangeeft behoefte heeft aan positieve invulling van de ruimte op het platteland?

 

 

Natuurlijk, failliet gaan is een drama, maar die schande is kleiner dan de schande om via onnodig dierenleed je geld te verdienen.

Eerlijkheid duurt het langst, oftewel eerlijkheid is het duurzaamst. De intensieve veehouder kiest voor het vlugge kapitaal, omdat hij weet dat hij niet echt wordt tegengehouden door de rest van de maatschappij. Die durft niet op te treden of steekt de kop in het zand omdat het voordeel heeft aan de lage prijzen van het vlees en de zuivelproducten. Goedkoop is duurkoop, maar het duurt lang voordat de negatieve effecten zichtbaar zijn voor de consument. Gezondheidsklachten, milieuvervuiling, ruimtetekort hebben hun tijd nodig om de kritieke grens te overschrijden.

     
Er zijn financieel en moreel gezonde alternatieven
Het is als de kikker die in een pan met koud water wordt gegooid en er niet uitspringt omdat het water slechts langzaam het kookpunt bereikt. Hij heeft niet door dat hij wordt gekookt.
De belastingbetaler in Nederland heeft niet door dat hij de kikker is, op wiens zak de intensieve veehouder teert. De gewone burger, de consument is uiteindelijk de dupe van de hebzucht van de veehouder. Het is zijn leven waarvan de kwaliteit vermindert, kwaliteit die bestaat uit gezondheid, een schoon milieu, een schoon geweten, afwisselende natuur, ruimte om te leven en smakelijk voedsel. Deze kwaliteit haalt hij nu uit het buitenland waarmee hij weer het proces van degeneratie in eigen land versnelt.
 

Het imago van de boer wordt in ras tempo verziekt door de individuen die het niet zo nauw nemen met dierenwelzijn. Daardoor moeten uiteindelijk meer boeren het veld ruimen dan nodig is.

Zou de landbouw in Nederland naar biologische leest worden omgeschoold en de immorele export van vlees en zuivel worden afgebouwd, dan krijgen de boeren in ons land weer bestaansrecht, omdat zij pas dan een eerlijk product voor de eigen bevolking produceren.

     
Eigen vermogen varkenshouders

1997/1998 1.212.600
1998/1999 1.236.900
1999/2000 958.000
  Eigen vermogen pluimveehouders

1997/1998 821.000
1998/1999 900.400
1999/2000 795.900
    Bron: LEI Wageningen
     

Zie ook:

Rabobank: van Amazonewoud tot kippenbout

De spil van de soja-connectie Wereldwijd de financiële nummer één in de voedselketen wil de Rabobank zijn. En dus wordt de Sojakoning van Brazilië gefinancierd, die niks geeft om het Amazonewoud en die de grondstof levert voor de thuisbasis van de Rabobank: de Nederlandse bio-industrie. “Met honderdduizend kleine boeren werken is veel te duur en bewerkelijk”.

Michiel Bussink