De mens heeft geen dierlijke eiwitten nodig |
Een bekentenisIk eet geen vlees. Niet omdat het gezonder is -dat is het wel- maar ook ik “bezondig” mij aan gefrituurde snacks. De goedkope verleiderDe frituur doet twee dingen tegelijk: ze stelt de voedselindustrie in staat de echte inhoud te verbergen en de eenheidshap toch aantrekkelijk te maken. De krokante buitenlaag is de goedkope verleider die de inhoud onzichtbaar maakt. De consument weet ook wel dat het niet gezond is, maar de snack vult, stilt even de knagende trek en vraagt om herhaling. Niet voor niets heet het een snack. Je snakt ernaar omdat het trekt. Het vuur als gemeenschappelijke noemerZowel planten als dieren moet je meestal via verhitting bereiden om ze aantrekkelijk te maken als voedsel. Verhitting is de gemeenschappelijke noemer, niet het dier. Wat de mond beloont is wat het vuur of het vet en de kruiden hebben gedaan met het materiaal, ongeacht de herkomst. Slopen, ontleden, opbouwenDe voedselindustrie weet dat ontleden loont. Grondstoffen -plantaardig en dierlijk- worden bij binnenkomst in de fabriek eerst gereduceerd tot bestanddelen en daarna naar behoefte herschikt. Een slachterij sloopt, een fabriek ontleedt verder en een andere fabriek bouwt het weer op tot snacks. De darm doet iets vergelijkbaars: eiwitten worden afgebroken tot aminozuren en wat de darmwand passeert wordt bouwstof voor elders in het lichaam. Want het lichaam heeft geen eiwitten nodig, het heeft aminozuren nodig. Eiwitten worden eerst afgebroken in de darmen voor ze bruikbaar zijn. Dat is geen haarkloverij. Het is biochemie. Alle essentiĆ«le aminozuren zijn te vinden in plantaardig voedsel. De politiek van taalDe bewering “de mens heeft eiwitten nodig” klinkt solide, wetenschappelijk, neutraal. Ze is het niet. Ze stuurt ongemerkt richting dierlijke bronnen, terwijl de werkelijke vraag een andere is: krijg je via planten alle essentiĆ«le aminozuren binnen? Het antwoord is bevestigend. De verborgen rekeningDe schijnbare goedkoopte van dierlijke componenten is een boekhoudkundige fictie. De werkelijke kosten -ammoniak, water- en bodemvervuiling, biodiversiteitsverlies, klimaatopwarming- worden niet doorberekend aan de producent (boer, vleesverwerker en exporteur). De consument betaalt dubbel: aan de kassa van de slager en via de belasting voor het opruimen van de rotzooi, die een te grote veestapel met zich meebrengt. Het is niet de vervuiler die betaalt. De oplossingEen verbod is niet nodig. Een eerlijke doorberekening van de werkelijke kosten zou genoeg zijn. De markt zou de rest doen. Taal is nooit neutraal. Zeker niet als er geld mee gemoeid is. |
