Homepage

Vrijheid als basis voor de relatie tussen mens en dier

Wat een haas ons kan leren over gelijkwaardigheid

In februari 2021 liep Chloe Dalton tijdens de lockdown over een onverhard pad langs een akker bij haar huis op het Engelse platteland. Op het pad zag ze een heel klein haasje liggen. Het was nog maar enkele weken oud, niet veel groter dan haar hand. Het diertje lag bewegingloos, maar leefde zichtbaar. Dalton had enkele minuten eerder een hond horen blaffen. Waarschijnlijk was het haasje opgejaagd of opgepakt en weer neergelegd.
Dalton stond voor een dilemma. Ze kon het haasje laten liggen en hopen dat het zich in veiligheid zou brengen en door zijn moeder zou worden gevonden. Ze kon het ook oppakken en naar het lange gras brengen. Maar ook dat kon verkeerd uitpakken: misschien zou de moeder het niet meer terugvinden of het door de menselijke geur verstoten. Ingrijpen kon dus juist betekenen dat zij het dier schade berokkende.
Ze koos ervoor niets te doen.
Ze onthield waar het haasje lag en liep verder. Vier uur later kwam ze terug. Het haasje lag nog steeds op precies dezelfde plek. Inmiddels begon ze te vrezen dat het door de hond gewond was geraakt, dat zijn moeder was verdwenen of dat het door zijn kwetsbare positie op het pad zou worden aangereden of gegrepen door een roofdier. Toen besloot ze het mee naar huis te nemen, aanvankelijk slechts om het tot de avond te verzorgen en daarna terug te brengen.
Dat laatste bleek niet mogelijk. Een plaatselijke natuurbeschermer vertelde haar dat een jonge haas die eenmaal door mensen was aangeraakt waarschijnlijk door zijn moeder zou worden verstoten. Bovendien was de kans groot dat het dier in gevangenschap zou sterven. Hazen zijn geen dieren die zich gemakkelijk laten grootbrengen of domesticeren. Dalton stond daarmee voor een situatie die ze nooit had gezocht: juist doordat ze het dier wilde redden, was ze er verantwoordelijk voor geworden.
Maar vanaf dat moment bleef één gedachte bepalend: de haas moest uiteindelijk vrij kunnen leven.
Dat maakt Raising Hare (door mij vertaald als “het laten opgroeien van een haas”) van Chloe Dalton zo bijzonder. Het is niet in de eerste plaats het verhaal van een vrouw die een wild dier in huis haalt. Het is het verhaal van iemand die probeert een wild dier te redden zonder het zijn wildheid af te nemen.


En dan gebeurt iets onverwachts. De haas komt terug.
Dalton houdt haar niet vast en sluit haar niet op, al zet ze wel voedsel voor haar klaar. Of de haas daardoor terugkeert uit welbegrepen eigenbelang, of omdat er iets is ontstaan dat op een band lijkt, valt niet met zekerheid te zeggen. Het zijn allebei woorden uit onze eigen belevingswereld, geleend om iets te duiden dat we van binnenuit niet kennen. Wat wel blijft staan: ze kan zomaar de velden in verdwijnen, en niets dwingt haar terug te komen. De relatie ontstaat niet doordat de mens het dier vasthoudt, maar doordat zij het dier vrijlaat.
Hier ontstaat een vraag die veel verder reikt dan het verhaal van één vrouw en één haas.
Kan er tussen mens en dier een relatie bestaan die de vrijheid van het dier niet aantast?
Ik denk van wel. Sterker nog: ik denk dat een dergelijke relatie juist laat zien wat gelijkwaardigheid -of liever evenwaardigheid- werkelijk betekent.

Evenwaardig in vrijheid

Mens en dier verschillen natuurlijk enorm. Mensen beschikken over taal, technologie en een vermogen tot abstract denken dat andere dieren niet op dezelfde manier hebben. Maar uit zulke verschillen volgt niet dat het ene wezen meer recht op vrijheid heeft dan het andere.
Evenwaardigheid betekent niet dat mens en dier hetzelfde zijn. Het betekent dat hun verschillen geen rechtvaardiging vormen om de vrijheid van het ene wezen zonder noodzaak ondergeschikt te maken aan de belangen van het andere.
Een mens heeft recht op vrijheid omdat hij een levend, voelend en handelend wezen is. Een wild dier heeft datzelfde recht. De vorm waarin die vrijheid zich uit, verschilt per soort. Voor een mens betekent vrijheid bijvoorbeeld kunnen gaan en staan waar hij wil, relaties aangaan en zijn eigen leven vormgeven. Voor een haas betekent vrijheid kunnen rennen, foerageren, rusten in een hazenleger, voortplanten en zich terugtrekken wanneer het dier dat zelf wil.
Het recht op vrijheid is dus geen recht op menselijke vrijheid. Het is het recht van ieder levend wezen om naar zijn eigen aard vrij te leven.

Wanneer contact geen aantasting van vrijheid is

Daarmee ontstaat een interessante mogelijkheid.
Stel dat een wild dier uit eigen beweging een mens opzoekt. Het dier komt bijvoorbeeld dichterbij zitten, loopt het huis binnen of blijft vrijwillig in de buurt van een mens. Moeten we dat contact dan afwijzen omdat een wild dier nu eenmaal wild hoort te zijn?
Als het dier werkelijk vrij is om te komen en te gaan, is er in beginsel niets mis met zo'n relatie. Vrijheid betekent immers niet dat je altijd alleen moet zijn. Ook een wild dier kan nieuwsgierig zijn, vertrouwen ontwikkelen of een voorkeur krijgen voor het gezelschap van een ander wezen.
Het wezenlijke criterium is daarom niet contact of geen contact, maar vrijheid of afhankelijkheid.
Een dier dat uit vrije beweging contact zoekt, behoudt zijn autonomie. Een dier dat naar een mens komt omdat het voor voedsel van die mens afhankelijk is gemaakt, bevindt zich in een andere situatie.
Dat verschil is fundamenteel.
Wanneer een mens een wild dier dagelijks voert en het dier daardoor steeds opnieuw terugkomt, kan het moeilijk worden om nog te zeggen dat het contact volledig vrij is. De mens heeft dan immers een kunstmatige afhankelijkheidsrelatie gecreëerd. Het dier komt niet uitsluitend omdat het contact prettig vindt, maar ook omdat zijn toegang tot voedsel ermee verbonden is.
Vrijheid betekent daarom niet alleen de fysieke mogelijkheid om weg te gaan. Vrijheid vraagt ook om de afwezigheid van een door de mens gecreëerde noodzaak om terug te keren.

De paradox van vertrouwen

Juist daarom is het verhaal van Raising Hare zo bijzonder. Dalton probeert de haas niet afhankelijk van haar te maken. Ze probeert haar juist zoveel mogelijk haar eigen leven te laten leiden.
En dan ontstaat wat lijkt op een paradox:
hoe meer vrijheid de haas krijgt, hoe meer vertrouwen er ontstaat.
De haas kan weggaan en komt toch terug.
Dat is een fundamenteel ander soort relatie dan die tussen eigenaar en huisdier, niet omdat het houden van een huisdier geen liefde zou kunnen zijn, maar omdat het van een ander uitgangspunt vertrekt. Bij bezit is het uitgangspunt dat het dier bij de mens hoort. Hier, bij een dier dat wild is en wild blijft, is het uitgangspunt precies andersom: het dier behoort aan niemand toe en wordt niet bekeken vanuit waarde.
En juist daardoor kan het dier ervoor kiezen om te blijven.
Dat maakt de relatie misschien wel zuiverder. De mens hoeft het dier niet vast te houden om nabijheid te ervaren. De zekerheid dat het dier terugkomt, ontstaat niet uit controle maar uit vertrouwen.

Liefde zonder bezit

Daarmee komt het verhaal dicht bij de betekenis van liefde en kunnen we er als mensen onder elkaar ook wat van leren.
Liefde die vrijheid wegneemt, dreigt bezit te worden. Wie zegt: ik hou van je, dus je moet bij mij blijven, laat zijn eigen behoefte aan nabijheid zwaarder wegen dan de vrijheid van de ander.
Bij een wild dier wordt dat bijzonder zichtbaar, juist omdat het dier zich aan geen enkele afspraak of belofte gebonden weet. Liefde die van zo'n dier vraagt zijn vrijheid in te ruilen voor onze zekerheid van nabijheid, is een andere liefde dan liefde die de vrijheid van de ander vooropstelt.
De moeilijkere vorm van liefde is:
ik gun je je vrijheid, ook als die vrijheid betekent dat je van mij weggaat.
Wanneer het dier vervolgens uit vrije wil terugkomt, is dat contact des te betekenisvoller. Het dier is er niet omdat het moet. Het is er omdat het wil.
Dat is misschien de diepste les van Raising Hare: vrijheid staat een relatie niet in de weg; vrijheid maakt een werkelijk vrijwillige relatie mogelijk.

Wat kinderen van dieren zouden kunnen leren

Misschien had ik die les zelf eerder kunnen leren.
Als kind had ik huisdieren. Ik vond dieren prachtig en wilde ze graag dichtbij hebben. Net als veel andere kinderen vond ik jonge haasjes en vogels die ik in het veld tegenkwam fascinerend. Ik heb ook gevist. Als ik daarop terugkijk, zie ik geen wezenlijk ander gedrag dan dat van veel kinderen. Kinderen zijn nieuwsgierig, willen aanraken, verzorgen, vasthouden en ontdekken. Een jong dier roept gemakkelijk de gedachte op: dat wil ik hebben.
Toch denk ik tegenwoordig dat volwassenen kinderen hierin beter zouden kunnen begeleiden.
Niet door hun liefde voor dieren af te remmen, maar door die liefde een andere richting te geven.
Een kind dat vraagt om een konijn, een cavia, een hond of een kat, vraagt eigenlijk vaak om nabijheid. Het wil voor een dier zorgen, ermee spelen en het leren kennen. De vanzelfsprekende reactie van volwassenen is dan om te beoordelen of het gezin de verzorging van een huisdier aankan.
Maar misschien is er een andere vraag die eerst gesteld zou moeten worden:
waarom zou een kind een dier moeten bezitten om dieren te leren kennen?
We zouden het verlangen naar een huisdier kunnen aangrijpen om kinderen iets anders te leren: samen naar buiten gaan, kijken, sporen van dieren zoeken. Zien hoe vogels hun voedsel zoeken, hoe een haas zich door het landschap beweegt, hoe insecten leven en hoe vogels een nest bouwen en -zo, al kijkend- het verschil voelen tussen dichtbij komen en ingrijpen.
Een kind kan zo leren dat bewondering niet hoeft te eindigen in bezit.
Dat een vogel mooier wordt doordat hij wegvliegt.
Dat een haas niet van ons hoeft te zijn om ons dierbaar te kunnen zijn.
Dat je juist veel van een dier kunt houden door het met rust te laten.
Daarmee hoeft een kind zijn verlangen naar dieren niet kwijt te raken. Het krijgt er iets voor terug dat misschien waardevoller is: het vermogen om dieren als vrije wezens te zien.
Dat kan niet jong genoeg beginnen.
Wanneer een kind blijft vragen om een huisdier, hoeft een ouder niet simpelweg “nee” te zeggen. De vraag kan ook een andere kant op: samen kijken welke dieren hier in het wild leven en het kind zo een vorm van contact bieden die niet bij bezit begint.
Dat is geen ontzegging van contact, maar een andere vorm van contact.
Een vorm waarin het kind leert dat zijn belangstelling voor dieren niet automatisch het recht geeft om over hun leven te beschikken.
Misschien begint dierenemancipatie daarom wel bij de opvoeding van kinderen.
Niet bij het verbieden van hun nieuwsgierigheid, maar bij het leren van een eenvoudige gedachte: een dier is geen bezit omdat je van dieren houdt.

Van dierenbescherming naar dierenemancipatie

Dit perspectief heeft ook gevolgen voor hoe we over dierenrechten denken.
Veel van onze omgang met dieren is gebaseerd op bescherming. We willen dieren beschermen tegen pijn, mishandeling en verwaarlozing. Dat is belangrijk, maar bescherming kan gemakkelijk een paternalistische vorm aannemen: de mens bepaalt wat goed is voor het dier en vervolgens wordt het dier beschermd binnen de grenzen die de mens stelt.
Een vrijheidsbenadering gaat een stap verder.
Dan vragen we niet alleen: hoe kunnen wij dieren beschermen?
maar ook: hoe kunnen wij voorkomen dat wij hun vrijheid onnodig beperken?
Dat verandert onze houding ingrijpend. De mens wordt dan niet langer vanzelfsprekend de eigenaar, beheerder of voogd van de natuur, maar één levensvorm tussen andere levensvormen.
Dat betekent niet dat mens en dier identiek behandeld moeten worden. Een haas heeft geen behoefte aan stemrecht en een mens heeft geen behoefte aan een kuiltje in een weiland. Gelijkwaardigheid betekent juist dat we rekening houden met wat vrijheid voor ieder wezen betekent.
De haas hoeft geen mens te worden om gelijkwaardig te zijn. Het is voldoende om haar als haas vrij te laten leven.

De mens als gast in de leefwereld van het dier

Misschien moeten we daarom onze verhouding tot wilde dieren omkeren.
Niet langer: dit is mijn omgeving en het dier mag hier zijn zolang het mij niet hindert.
Maar: dit is een leefwereld die wij met andere dieren delen.
Als een wild dier vervolgens vrijwillig onze nabijheid zoekt, mogen we die ontmoeting aannemen. Niet als bezit, niet als prestatie en niet als bewijs dat het dier van ons houdt, maar als een bijzonder moment van wederzijdse vrijheid.
Wij kunnen het dier niet vragen waarom het bij ons komt. We kunnen alleen proberen de voorwaarden te scheppen waaronder het zijn eigen keuze kan blijven maken.
Dat betekent: niet lokken met voedsel, niet vasthouden, niet opsluiten, niet domesticeren en niet proberen het dier aan ons te binden.
Maar wel: ruimte geven, observeren, vertrouwen en het dier laten gaan.

Vrijheid als gemeenschappelijke grond

Uiteindelijk gaat het verhaal van de haas daarom misschien minder over de vraag of mens en dier vrienden kunnen worden dan over een fundamenteler inzicht.
Mens en dier hoeven niet hetzelfde te zijn om evenwaardig te zijn.
Hun levens verschillen. Hun behoeften verschillen. Hun mogelijkheden verschillen. Maar beiden hebben een eigen leven dat niet uitsluitend in dienst behoort te staan van het leven van de ander.
Op een dure manier gezegd: “een levend wezen heeft geen intrinsieke waarde, maar mens en dier zijn intrinsiek evenwaardig in hun recht op vrijheid”.
Daarom is vrijheid een betere grond voor evenwaardigheid dan gelijkheid.
Een mens moet mens kunnen zijn.
Een haas moet haas kunnen zijn.
En wanneer die twee elkaar ontmoeten zonder dat de een de ander gevangen houdt, afhankelijk maakt of tot bezit verklaart, ontstaat iets bijzonders: geen relatie ondanks de vrijheid, maar een relatie dankzij de vrijheid.
Misschien is dat wel de mooiste betekenis van dierenemancipatie. Niet dat dieren worden opgenomen in de menselijke wereld, maar dat wij leren hen een plaats te gunnen in de wereld die ook van hen is.
En misschien begint die verandering wel bij een kind dat naar een jong haasje kijkt.
Niet met de gedachte: mag ik het hebben?
Maar met de verwondering: kijk eens hoe mooi het is dat het hier vrij rondloopt.
Als we kinderen dat kunnen leren, hebben we ze misschien iets wezenlijks over dieren én over vrijheid geleerd.
En als een haas vervolgens uit eigen beweging bij ons komt zitten, hoeven we daar niets van te maken.

Vrijheid is een grondrecht voor dieren
We hoeven haar niet te bezitten.
We hoeven haar niet te temmen.
We hoeven haar zelfs niet vast te houden.
We kunnen haar eenvoudig ontvangen en haar daarna weer laten gaan.