Melkveehouderij moet na 2015 juist minder melk produceren

Hoe staat het er nu voor?

Sijas Akkerman en Eva Fransen waarschuwden in 2013 voor de groei van de melkproductie na het einde van het melkquotum. Wat gebeurde er?

Melkvee na 2015

  • De groei kwam er. Na het einde van het melkquotum in 2015 groeide de melkveestapel tot een piek van ruim 1,7 miljoen melkkoeien in 2016. Daarmee groeide ook de hoeveelheid mest, tot boven het plafond voor fosfaat.
  • Een rem. Om de groei te stoppen kwamen er in 2018 fosfaatrechten. Een boer mag sindsdien alleen meer koeien houden als hij daarvoor rechten koopt.
  • Minder boeren, grotere bedrijven. In 2026 hielden nog 12.960 bedrijven melkkoeien. In 2016 waren dat er 17.910. Er zijn nu ruim 1,5 miljoen melkkoeien.
  • Nog meer druk. Sinds 1 januari 2026 mogen melkveehouders niet langer extra mest op hun grasland uitrijden. Er moet dus meer mest weg, tegen hoge kosten.

Lees ook de Nederlandse veestapel en Het mestprobleem en de mestwetgeving: van 1984 tot 2026.

Bronnen: CBS; RVO. Bijgewerkt op dierendag 2026.

Het artikel uit 2013

Het Financieele Dagblad meldde eind juni 2013 dat er voor 700 miljoen euro wordt geïnvesteerd in melkverwerkingsfabrieken. Voor veel boeren aanleiding om hun productie uit te breiden als in 2015 het melkquotum vervalt. Als het aan de boeren ligt, komt er in 2015 in één klap 15-20% melk bij. De stallen zijn al bijna klaar, de kalfjes die straks als koe de extra melk moeten leveren, zijn al geboren. Veel boeren hopen op extra winst nu zij zijn verlost van het melkquotum. De vraag is alleen of zij de vlag niet te vroeg uithangen. Dit artikel verscheen 20 september 2013 in de Boerderij.

Auteur Sijas Akkerman is hoofd voedsel bij stichting Natuur & Milieu. Auteur Eva Fransen is expert melkveehouderij.

Het inkomen in de melkveehouderij wordt namelijk steeds meer bepaald door factoren waar de boer maar beperkt invloed op heeft. De krachtvoerprijzen zijn sinds 2005 met 80% gestegen. Ook mestverwerking is een stijgende kostenpost voor de veehouderij in Nederland. Naast duur voer, en dure mestafvoer kan ook de financiering een molensteen om de nek van vooral grote boeren worden. De Nederlandse melkveehouderij is kapitaalintensief en daardoor relatief zwaar gefinancierd. De rente is nu laag, maar bij een miljoen euro geleend geld betekent elke procent rentestijging een kostenstijging van 10.000 euro per jaar. De helft van de Nederlandse melk wordt al jaren met verlies geproduceerd. Dat komt omdat ongeveer de helft van alle Nederlandse melk wordt verwerkt tot kaas en de grootste kaasmaker van Nederland al sinds de vorming van de coöperatie jaarlijks gemiddeld ruim €70 miljoen verlies leidt op de kaasdivisie. Dat de boeren toch een redelijke melkprijs krijgen, komt doordat in de fabrieken ook andere producten worden gemaakt, zoals melkpoeder, vruchtensappen, en gezondheidsdrankjes. Nederland is niet uniek in haar uitbreidingsplannen. Ook de Verenigde Staten en andere Europese landen, zoals Duitsland zijn van plan om hun productie flink op te voeren. En belangrijke exportmarkten, als China en India zullen zelf flink meer melk gaan produceren en samen al 38% van de wereldwijd groeiende vraag opvangen, voorspelt de FAO (2013). China en India zullen niet afhankelijk willen blijven van het buitenland.

Rabobank Internationaal is niet enthousiast over de 2 miljard kilo Nederlandse melk die er bijkomt na 2015. De bank vraagt zich af waar de extra grond voor ruwvoerproductie vandaan moet komen en waar alle extra Nederlandse kaas naartoe moet. De recente geschiedenis wijst bovendien uit dat schaalvergroting niet zaligmakend is. Het aantal boeren in Nederland daalt gemiddeld met vijf per dag. Het verdienmodel gebaseerd op schaalvergroting zorgt er in de veehouderij onvermijdelijk voor dat de winstmarges steeds kleiner worden. Gangbare op bulkproductie gerichte veehouderij, of het nu om kippen, koeien of varkens gaat, is in Nederland een nauwelijks rendabele bedrijfstak.

Hoe dan wel? Allereerst moeten boeren omschakelen naar een verdienmodel waarbij het er niet om gaat hoeveel geld er binnenkomt, maar hoeveel geld er overblijft. Het verlagen van de kosten moet het nieuwe doel worden. Zaken als een goede bodemkwaliteit, en veel aandacht voor dierenwelzijn en -gezondheid betalen zich terug, doordat koeien langer meegaan, minder medicijnen nodig hebben en minder kunstmest hoeft worden aangekocht. Ook voer van eigen land met voldoende mestplaatsingsruimte maakt een bedrijf minder kwetsbaar voor de grillen van de voer- en mestmarkt. Daarnaast staan Nederlandse boeren wereldwijd bekend om hun vakmanschap, en moeten zij dus in staat zijn om (nieuwe) onderscheidende producten in de markt te zetten.

Steeds meer burgers en beslissers stellen eisen aan gezondheid, dierenwelzijn en duurzaamheid. Ook het resterende Europese subsidiestelsel gaat in de toekomst op basis van duurzaamheidsprestaties uitbetalen. In plaats van veel melk produceren, zou de melkveehouderij onderscheidende producten moeten leveren, zoals graskaas, kaas van boerderijen die goed voor de natuur en weidevogels zorgen, antibiotica- en van genetische modificatie (gmo)-vrije producten, melk van koeien waar hun kalf niet direct bij is weggehaald, etc..

Kortom, producten die gemaakt zijn met zorg voor omgeving, mens en dier. Beemster, Zuivelhoeve en anderen bewijzen nu al dat dat rendabel kan. En ook in de ons omringende landen ontstaat steeds meer vraag naar bijzondere, duurzamere producten. Uiteindelijk willen we met z'n allen een duurzame bedrijfstak die gezonde producten levert, waar de boer een goede boterham mee kan verdienen, op een platteland waar het voor mens en dier aangenaam toeven is. En uiteindelijk willen we samen Nederland uit de crisis helpen. Dat kan het beste door in te zetten op toegevoegde waarde in plaats van bulkmelkproductie.

Lees op het weblog meer over het melkquotum.

Lees ook: De mythe dat zuivel noodzakelijk is gaat lang terug.