Tekst: Henk Top

In het afgelopen jaar is door verschillende media melding gemaakt van massale sterfte onder honingbijen in Noord-Amerika. Ook in delen van ons land is sprake van toenemende sterfte onder de bijen. Wat is er juist van deze verhalen en heeft de bijensterfte in de Verenigde Staten iets te maken met de sterfte in ons land of moet de oorzaak gezocht worden in de klimaatverandering, het gebruik van pesticiden of wellicht de straling van de gsm's?

 

Artikel uit december 2008 van het Vakblad voor handhavers op het gebied van Dier en Milieu.

De laatste weblogs:

 

Jan Piet Frens is één van de 7000 imkers die Nederland rijk is. Jan Piet was leraar biologie en is sinds de zomervakantie met pensioen. Hij is al 28 jaar een gepassioneerde imker. Hij woont aan de Beusichemsedijk even buiten Culemborg. Voor zijn huis stroomt de Lek en achter zijn huis strekt zich de Betuwe uit met haar boomgaarden. Achter zijn schuur heeft hij op dit moment 17 bijenvolken in kasten staan. In het voorjaar zet hij zijn bijenvolken uit in de bekende kersen- en appelboomgaarden. 's Zomers verhuist hij zijn bijen naar een gebied waar veel linden staan en in het najaar gaan ze naar de Veluwezoom, waar de heide in dat seizoen in bloei staat. Gemiddeld houdt hij ergens tussen de 10 en 20 bijenvolken. Dit wisselt per seizoen. Jan Piet vertelt dat het in de tachtiger en negentiger jaren gebruikelijk was dat ongeveer 10% van de bijen de winter niet overleefde. De laatste jaren constateert hij een duidelijke toename. In 2003 en 2004 raakte hij zelfs 75% van zijn bijen kwijt. Hij wijt de sterfte voor een belangrijk deel aan de varroamijt. In de media wordt soms gesuggereerd dat het om een nieuwe ziekte gaat, maar de imkers kennen dit verschijnsel al veel langer. Jan Piet vermoedt dat er mogelijk meerdere oorzaken aan te wijzen zijn voor een toenemende sterfte, maar dat zal ook samenhangen met het gebied en de wijze van bijen houden. Ook de verarming van de soortenrijkdom in het veld speelt een rol wanneer de bij op zoek is naar voedsel. Hij is overigens ook één van de bijengezondheidscoördinatoren die samenwerkt met de Universiteit van Wageningen en volgt daar de uitkomsten van allerlei wetenschappelijke onderzoeken op de voet.

     

De Varroamijt
Onderzoekers als Tjeerd Blacquière van de Universiteit van Wageningen houden zich bezig met de bijensterfte. In de afgelopen jaren hebben hij en zijn collega's het nodige onderzoek gedaan. Hij is van mening dat de varroamijt een belangrijke oorzaak is van de soms massale sterfte onder bijenvolken. De varroamijt is een parasiet afkomstig van de Indische honingbij, Apis cerana. De Indische honingbij is redelijk bestand tegen deze parasiet, maar de Europese honingbij niet. Toen deze mijt rond 1970 in Europa opdook en in het midden van de tachtiger jaren ook in Nederland, veroorzaakte hij dan ook grote schade. Alle bijenvolken zijn er inmiddels mee besmet. Daar komt bij dat de varroamijt gastheer is van verschillende virussen.
Jan Piet legt uit dat de varroamijt in de bijenkast leeft van de larven van de honingbij. De bijen maken cellen en de bijenkoningin legt daar eitjes in. Een bevrucht eitje wordt een gewone bij, een onbevrucht eitje wordt een mannetjesbij, een zogenaamde dar. Maar eerst ontstaat uit het eitje een larve. Zo'n larve wordt door de bijen in een cel opgesloten, zodat hij rustig kan verpoppen tot een werksterbij of een dar. De Varroamijt kruipt in de cel op het moment dat deze cel gesloten wordt. Hij leeft van de verpoppende larve en plant zich in de cel voort. Er komen 2 tot 5 mijten uit een cel en ze kruipen op de bij om andere cellen te vinden. De bij zelf komt vervormt en verzwakt ter wereld, bijvoorbeeld met verkreukelde vleugeltjes.
Jan Piet begint al vroeg in het voorjaar met het bestrijden van de varroamijt in de kast door het gebruik van thymol en oxaalzuur, zoals door deskundigen van de Universiteit van Wageningen wordt geadviseerd. Deze middelen kunnen worden opgelost in suikerwater of door middel van verneveling of verdamping worden ingebracht. Hij heeft de indruk dat het er bij hem in heeft geresulteerd dat de sterfte in de afgelopen paar jaar is gedaald. Maar hij vertelt er direct bij dat een zeer ervaren imker bij hem in de buurt ondanks het consciëntieus bestrijden van de varroamijt in de afgelopen winter 80% van zijn volken heeft verloren. Er zijn dus blijkbaar meerdere oorzaken die bijensterfte veroorzaken.

     

Massale bijensterfte in de Verenigde Staten
Tjeerd Blacquière, bijendeskundige aan de Universiteit van Wageningen geeft in een interview met Marcel Hulspas weer dat door de media de indruk wordt gewekt dat de varroamijt een nieuw Amerikaans fenomeen is, maar 4 tot 5 jaar geleden kwam in Europa massale bijensterfte voor, vaak in bepaalde regio's, zoals Noord-Italie en Beieren. Het jaar daarop was de situatie weer normaal. In de Verenigde Staten lijkt de massale sterfte zich over veel grotere gebieden uit te strekken. Volgens Blacquière heeft dat ook te maken met de manier waarop imkers daar werken. Hier werken imkers lokaal. Ze hebben een klein aantal kasten en die blijven binnen een bepaald gebied. In de Verenigde Staten hebben imkers duizenden kasten. Die rijden ze op vrachtwagens door het hele land van Florida naar Californië, overal waar boeren of kwekers bijen nodig hebben. Zo kan ook een bepaalde besmetting zich in korte tijd verspreiden over het hele land. Blacquière is erg nuchter wanneer het gaat om allerlei speculaties over oorzaken van de bijensterfte, zoals het broeikaseffect, of het gebruik van nieuwe bestrijdingsmiddelen door boeren of de straling van de gsm die dodelijk zou kunnen zijn voor de bij.

Monitoring gezondheid Nederlandse bij
Blacquière legt de belangrijkste oorzaak van bijensterftes bij de varroamijt in combinatie met verschillende soorten virussen. Dit blijkt ook uit de monitoring van de gezondheid van de bij die door hem en zijn collega's van de Universiteit van Wageningen samen met 35 bijengezondheidscoördinatoren is uitgevoerd bij 150 Nederlandse imkers. Op 18 oktober jl. zijn de eerste resultaten bekend gemaakt tijdens de Bijengezondheidsdag in Wageningen. Deze monitoring levert informatie op over potentiële ziekteverwekkende organismen in de bijenvolken, dus niet of bepaalde ziekten een actieve rol spelen.
Uit deze monitoring komt de varroamijt als belangrijkste ziekteverwekkende organisme naar voren. De genomen monsters zijn ook onderzocht op virussen. Dit deel van het onderzoek is door de Universiteit van Wageningen uitbesteed aan het Central Science Laboratory in York, Engeland. Drie virussen die vaak in verband werden gebracht met massale sterftes, onder andere in de Verenigde Staten, zijn niet aangetroffen. Wel werden drie virussen aangetroffen die volgens de literatuur verband houden met de varroamijt. De besmetting met het Deformed Wing Virus was lager dan de onderzoekers verwacht hadden en is samen met het Zak Broed Virus wat betreft symptomen te herkennen aan de verkreukelde vleugels. Wel bekend bij imkers. Volgens de onderzoekers was opvallend dat de veroorzaker van Europees vuilbroed zo vaak werd aangetroffen (in 36% van de monsters). Nog niet zo lang geleden werd deze ziekte als niet voorkomend in Nederland beschouwd. Ook worden steeds vaker klinisch zieke volken door imkers gemeld. De analyse van deze monitoring moet nog verder uitgewerkt worden. De onderzoekers willen nu uitzoeken wat te ontdekken is over de verspreiding van ziekteverwekkers in Nederland, is er verband met de manier van imkeren, de bestrijding van varroa en het soort bijenras. Maar minstens zo belangrijk voor de onderzoekers is het om uit te vinden of er verband is tussen de verschillende ziekteverwekkers en of sommige ziekteverwekkers altijd aan elkaar gekoppeld zijn.

     

Nosema ceranae
Uit de monitoring komt o.a. naar voren dat in 87 van de bijenmonsters sporen van nosema ceranae werden aangetroffen. Dit is een darmparasiet, maar dit wordt door de onderzoekers van de Universiteit van Wageningen niet als verontrustend beschouwd, omdat naar hun mening de imkers veel kunnen doen om deze ziekte te voorkomen door aandacht te besteden aan een goede conditie van de bijen. Romee van der Zee van het Nederlands Centrum voor Bijenonderzoek is echter een geheel andere mening toegedaan. In 2006 kwam zij tot de conclusie dat de bestrijding van de varroamijt geen afdoende verklaring oplevert voor de in de winter 2005/2006 optredende grote sterfte (26%) en dat de echte oorzaak nog moest worden gevonden. In het oktobernummer (2008) van het blad Bijenhouden schrijft zij dat het bestaan van de parasiet Nosema ceranae op honingbijen in 2006 nog niet bekend was en komt zij tot de conclusie dat op basis van het onderzoek dat in 2007 en 2008 onder 409 imkers door haar centrum is uitgevoerd geen aanleiding is gevonden om aan de varroamijt grote betekenis toe te kennen als veroorzaker van de bijensterfte in de winter 2007/2008. Zij geeft aan dat dit de waarneming van onderzoekers bevestigt die daarover eerder in Science hebben gepubliceerd. In het septembernummer van Bijenhouden wijst Van der Zee op de relatie tussen Nosema ceranae en massale bijensterfte. Zij komt tot de conclusie dat deze parasiet wel eens een belangrijke kandidaat kan zijn als ziekteverwekker.
Ook komen uit haar onderzoek grote regionale verschillen tevoorschijn. In Gelderland en Overijssel was de gemiddelde sterfte in de winter 2007/2008 19.9%, terwijl in Hollands Midden de sterfte maar liefst 51.4% bedroeg.

Bestrijdingsmiddelen
Sjef van der Steen doet in een artikel verslag van een symposium dat begin oktober gehouden werd in Boekarest over de mogelijke effect van bestrijdingsmiddelen op bijen. Over het indirecte of langetermijneffect van bestrijdingsmiddelen of gewasbeschermingsmiddelen, zoals ze tegenwoordig genoemd worden op bijen is nog onvoldoende bekend. Tijdens dat symposium werd daarom ook uitgebreid gesproken over richtlijnen voor testprogramma's die nieuw ontwikkelde bestrijdingsmiddelen moeten ondergaan om toegelaten te kunnen worden.
Een ander mogelijk probleem is het coaten van zaden. Diverse zaden van planten waar bijen op vliegen, zoals koolzaad en indirect maïs en suikerbieten worden tegenwoordig gecoat met een laagje bestrijdingsmiddel. Een dergelijk bestrijdingsmiddel wordt tijdens de groei in de plant opgenomen en beschermt zo de plant tegen vraatinsecten. Het bestrijdingsmiddel Clothianidin, dat erg giftig is voor bijen wordt hier onder andere voor gebruikt. In het voorjaar van 2008 trad in Zuid-Duitsland, Frankrijk en Italië sterfte op, omdat een deel van de coating tijdens het zaaien op bloeiende planten terecht was gekomen. In Nederland is deze toepassing ook toegelaten, omdat normaal gesproken bijen en andere bestuivende insecten op deze manier niet met Clothianidin in contact komen. Hier zijn geen problemen gemeld. Van andere soorten bestrijdingsmiddelen zijn ook negatieve effecten bekend op bijen. Onder laboratoriumomstandigheden is waargenomen dat sommige middelen een negatief effect op de ademhaling van bijen hebben, andere middelen verstoren de oriëntatie of hebben tijdelijk een negatief effect op de motoriek. De deskundigen achten het daarom heel wel mogelijk dat bestrijdingsmiddelen bijdragen aan de verhoogde sterfte onder honingbijenvolken. In Duitsland loopt sinds 2005 een monitoringsprogramma om meer zicht op deze invloed te krijgen.

     

Conclusie
In deze periode van het jaar spreken imkers, zoals Jan Piet Frens van winterbijen en als het goed is zijn de 17 volken die in de geelgeschilderde kasten bij hem achter huis staan voorzien van een flinke voorraad suiker om de winter door te komen. Hij heeft dit jaar op advies van de deskundigen van de Universiteit van Wageningen op tijd en op de juiste wijze de bestrijding van de varroamijt ter hand genomen met de meest effectieve middelen. Hij hoopt dat gedurende de komende winter de sterfte onder zijn bijen zal meevallen en dat het voorjaar niet te vroeg zal invallen, want dat zou kunnen betekenen dat er dan nog te weinig planten in bloei staan en er dus te weinig stuifmeel is, wat weer gevolgen heeft voor de ontwikkeling van zijn volken, omdat de bijenlarven te weinig voedsel krijgen. Een dergelijke verzwakking kan een grotere sterfte tot gevolg hebben, omdat de bijen dan te weinig weerstand hebben opgebouwd tegen allerlei parasieten en virussen. Dus toch een relatie met de verandering van het klimaat?
Duidelijk mag zijn dat er nog veel onderzoek verricht moet worden om de oorzaken van massale bijensterftes goed in beeld te krijgen en tegen te kunnen gaan. De bij is een onmisbare schakel in het ecologisch systeem en voor de teelt van een aantal gewassen. Door de vele ingrepen die wij als mens op natuur en milieu plegen te doen, maken wij het deze harde werkers soms wel erg moeilijk om hun belangrijke taak naar behoren uit te voeren.

     

Geraadpleegde literatuur:

  • Blacquière, Tj. 2008, De gezondheid van de Nederlandse bijen; eerste resultaten monitoring,
  • Blacquière, Tj. 2008 Amerikaans vuilbroed ontdekt via monitoring,
  • Van der Zee R, 2008, Monitor bijensterfte deel 1. Bijenhouden, september 2008
  • Van der Zee R, 2008, Monitor bijensterfte deel 2. Bijenhouden, oktober 2008
  • Van der Steen S, 2008, Bijen, hommels en bestrijdingsmiddelen,
  • Cornelissen B. 2008, Bijen@wur verwacht wintersterfte als gevolg van varroa,
  • Hulspas M, 2007, Een oude vijand volgt de bij, interview met Tjeerd Blacquière over bijensterfte
     
Tot zover Politie, Dier en Milieu   Het was Albert Einstein, die onderzoek deed naar nucleare ontploffingen en stralingen, die erop wees dat wanneer de bijen uitsterven, de mensheid binnen 4 jaar hetzelfde lot beschoren zou zijn.