Het burgerinitiatief Stop fout vlees bepleit beëindiging van de bio-industrie in Nederland door “warme sanering”. Het Milieu en Natuur Planbureau (MNP) & het Centraal Plan Bureau (CPB) hebben de effecten van het voorstel geanalyseerd en op een alternatieve aanpak gewezen die mogelijk effectiever is. Vanuit onze kennis op basis van twee door ons geleide NWO projecten, met samen 26 multidisciplinaire onderzoekers, hebben we de volgende opmerkingen.   Harry Aiking & Joop de Boer, Instituut voor Milieuvraagstukken, PROFETAS, Amsterdam, 11 oktober 2007.
 

Het probleem

De vleesproductie en –consumptie in Nederland zijn onderdeel van een probleem dat zich op wereldschaal voordoet. Enkele mondiale ontwikkelingen, zoals de sterk groeiende vraag naar dierlijke producten in China en India, maken het noodzakelijk om op een meer verantwoorde wijze met eiwit om te gaan. Op Europees niveau dienen zich belangrijke vragen aan over zelfvoorzienendheid op het gebied van eiwitgewassen in combinatie met biobrandstofproductie [5]. Essentieel is dat veel problemen verband houden met het feit dat we steeds meer dierlijk in plaats van plantaardig eiwit eten [1]. Een paar feiten over vlees maken dit duidelijk:

  • Om tot 1 kilo vleeseiwit te komen is afhankelijk van diersoort en de omstandigheden 3 tot 10 kg plantaardig eiwit nodig; door het eerst aan dieren te voeren wordt 85% van het plantaardig eiwit verspild, en dus nog meer –steeds schaarser– water en landbouwgrond.
  • Een kilo rundvlees kost namelijk 15 m3 water, een kilo lamsvlees 10 m3, terwijl voor een kilo graan slechts 0,4 tot 3 m3 water nodig is.
  • 75% van het beschikbare zoetwater, 35% van al het ijsvrije land en 20% van alle energie wordt op dit moment reeds ingezet voor voedselproductie.
  • Tussen 1950 en 2000 verdubbelde de wereldbevolking van 2,7 naar 6 miljard mensen, maar de vleesproductie vervijfvoudigde van 45 naar 233 miljard kilo per jaar. In 2050 verwacht de FAO bijna 9 miljard mensen (+50%) en een vleesproductie van rond 465 miljard kilo per jaar (+100%). Ook melkproductie verdubbelt van 580 miljard kg in 2000 naar 1050 in 2050.
  • Ook de FAO getuigt van de onevenredig grote impact van vleesproductie op milieu – zowel gebruik van natuurlijke hulpbronnen (land, biodiversiteit, water) als emissies (CO2, pesticiden, ammoniak) – en bepleit verandering [9].

Oplossingsrichting

Het levert enorme voordelen op als mensen meer plantaardig in plaats van dierlijk eiwit gaan eten. Zo’n “eiwittransitie” komt o.a. de biodiversiteit (40-50% van de wereldgraanoogst wordt gebruikt als diervoer), klimaat, water, volksgezondheid en dierenwelzijn ten goede. Collectief vegetarisch worden hoeft niet, maar verbeterde vleesvervangers moeten ons vlees vaker gaan vervangen. De eiwittransitie heeft veel bijkomende voordelen. Voorzichtig geschat zou er zoveel land vrijkomen voor aanplant van biomassa, dat 25% van de huidige wereldenergieproductie duurzaam gedekt kan worden [1]. En dat zonder aantasting van weidegronden (met extensief geproduceerd vlees) en tropisch regenwoud. Zo zou de druk op de biodiversiteit sterk kunnen afnemen.
De eiwittransitie kan ook helpen om de door dierziekten en crises [4] geplaagde vleeseconomie gezonder, extensiever en diervriendelijker te krijgen. Zo zou de omslag een positieve invloed hebben op de volksgezondheid [6], door de afname van zowel overgewicht als vleesgerelateerde ziekten. Daarbij moeten we niet alleen denken aan MKZ en BSE, maar vooral aan vogelgriep. Door de intensieve productie met steeds toenemende aantallen pluimvee en varkens in zuidoost Azië neemt de frequentie van het ontstaan van een voor mensen gevaarlijke griepvariant [7] dermate toe dat de WHO een wereldwijde epidemie een kwestie van tijd acht. Nederland zou een bijdrage aan de oplossing kunnen bieden door a) een derde minder eiwit te eten (de gemiddelde overconsumptie in ons land), b) een derde te vervangen door eiwit van plantaardige herkomst (NPF’s of “Novel Protein Foods”) en c) het resterende derde deel te vervangen door extensief geproduceerd vlees.
Overigens is Nederland binnen Europa een uitzonderlijk land waar opvallend weinig plantaardig eiwit, weinig vis en veel vlees wordt gegeten [3]. Uit een in november 2007 te verschenen rapport van IVM, MNP, ECN, WUR en UU over de koppeling tussen biobrandstof- en voedselproductie blijkt opnieuw het belang van een afnemende hoeveelheid dierlijke producten in het dieet en is de conclusie dat invoering van bioraffinage en overgang naar een “biobased economy” vereisten zijn voor duurzaamheid [2].

Consumenten en bedrijfsleven

In hun analyse wijzen MNP & CPB op de consument, die zou moeten worden gewezen op de discrepantie tussen zijn behoefte aan dierenwelzijn en een schoon milieu enerzijds, en zijn actuele koopgedrag anderzijds. Op basis van ons onderzoek bepleiten we een andere aanpak. We hebben de volgende argumenten:

  1. De genoemde discrepantie is misleidend. Voor diervriendelijk geproduceerde producten bestaat wel veel publieke sympathie die voor producten uit de intensieve veehouderij ontbreekt, maar het is niet zo dat consumenten zich schamen voor de aankoop van intensief geproduceerd vlees. Ze hebben weinig inzicht in de productie en onderschatten hoeveel inspanning een producent moet leveren om bijvoorbeeld het EKO-logo te mogen voeren. Omgekeerd overschatten ze het prijsverschil met conventionele producten. Als ze bij hun aankopen een prijs/kwaliteitsafweging maken kunnen velen dan ook zonder morele problemen het goedkoopste alternatief kiezen. Vooral consumenten die wél moeite hebben met conventioneel geproduceerd vlees kopen scharrelvlees.
  2. Er is een belangrijke kloof in hun benadering van duurzaamheid tussen consumenten enerzijds, en producenten en supermarkten anderzijds. Voor consumenten spreekt dierenwelzijn, maar vooral gezondheid, veel meer aan dan milieu. Afgezien van specifieke onderwerpen, zoals pesticidengebruik, is milieu in bredere zin voor consumenten geen herkenbaar aspect om bij voedingskeuzes rekening mee te houden. Onderwerpen als energiegebruik en afvalstromen staan tamelijk ver van hen af. Voorts hebben veel consumenten weinig vertrouwen in de rol van supermarkten bij het verschaffen van informatie over dierenwelzijn en milieu.
  3. Consumenten zijn divers. Ze staan in verschillende mate open voor informatie over dierenwelzijn en milieu. Analyses van hun betrokkenheid bij voeding en hun motivatiepatronen laten een vijftal typen eters zien. We onderscheiden bedachtzame eters, smaakgerichte eters, grote eters, weinig geïnteresseerde eters, en gewoonte-eters. De bedachtzame eters staan het meest open voor informatie over dierenwelzijn en milieu; de gewoonte-eters hebben hier weinig aandacht voor. Er zullen dus op verschillende typen consumenten toegesneden benaderingen nodig zijn.

De door MNP & CPB gesuggereerde aanpak via andere schakels zal dus alleen succes kunnen hebben als verschillende op duurzaamheid gerichte trajecten worden ontwikkeld die voldoende zijn afgestemd op de Nederlandse situatie en de Nederlandse positie in de wereld. In de Europese context zouden we bijvoorbeeld zeker kunnen bijdragen aan zelfvoorzienendheid op het gebied van eiwitgewassen in combinatie met Novel Protein Food (NPF)- en biobrandstofproductie [5]. Om het proces op gang te krijgen zijn initiatieven nodig. Van belang is vooral dat bedrijven die nationaal en internationaal toonaangevend kunnen zijn (zoals Unilever en Albert Heijn), zich actiever openstellen om met maatschappelijke groeperingen te werken aan een gezamenlijke visie op duurzaamheidstrajecten.

Referenties

  1. Aiking, H., De Boer, J. and Vereijken, J.M. (Eds.) (2006), Sustainable protein production and consumption: Pigs or peas?, Environment & Policy Vol. 45, ISBN 1-4020-4062-8, Springer, Dordrecht.
  2. Aiking, H. (2007), Food demand, Chapter 3 in: Biomass Assessment: Assessment of the applicability of biomass for energy and materials, Lysen, E. and Van Egmond, S. (Eds.), Netherlands Research Programme on Climate Change (NRP-CC), subprogramme Scientific Assessment and Policy Analysis (WAB), Den Haag.
  3. De Boer, J., Helms, M. and Aiking, H. (2006), Protein consumption and sustainability: Diet diversity in EU-15, Ecological Economics 59: 267-274.
  4. De Boer, J., Willemsen, F.H. and Aiking, H. (2003), Voedselveiligheid, communicatie en gedrag: Analyse van een viertal recente incidenten, IVM, Vrije Universiteit, Amsterdam.
  5. ESC (2002), Ways forward for sustainable agriculture, CES-2002-002-EN, ISBN 92-830- 0008-0, European Economic and Social Committee, Brussels.
  6. McMichael, A.J., Powles, J.P., Butler, C.D. and Uauy, R. (2007), Food, livestock production, energy, climate change, and health, Lancet DOI:10.1016/S0140-6736(07)61256-2.
  7. Pilcher, H. (2004), Increasing virulence of bird flu threatens mammals, Nature 430: 4.
  8. PROFETAS (2007), Protein Foods, Environment, Technology And Society, Up-to-date information available at <www.profetas.nl>, Vrije Universiteit, Amsterdam.
  9. Steinfeld, H., Gerber, P., Wassenaar, T., Castel, V., Rosales, M. and De Haan, C. (2006), Livestock's long shadow: Environmental issues and options, ISBN 978-92-5-105571-7, FAO, Rome.
Zie ook:

Weblogs over vleesvervangers: