Deze tekst is opgesteld door La Ligue Internationale des Droits de l'Animal en door de belangengroep RECHTEN VOOR AL WAT LEEFT vertaald en aangepast aan de situatie in Nederland.

Parijs, 15 oktober 1978

Artikel 1

Alle geboren dierlijk leven heeft recht op een dierwaardig bestaan.

Artikel 2

  1. De mens mag zich niet het recht aanmatigen ander dieren uit te roeien of op onmenselijke wijze uit te buiten en te misbruiken. Het is zijn plicht zijn kennis in dienst te stellen van het welzijn van het dier.
  2. Alle dieren hebben recht op aandacht, de zorg en de bescherming van de mens.

Artikel 3

  1. Geen dier mag slecht of wreed worden behandeld.
  2. Indien een dier moet worden gedood, dient zulks zo snel mogelijk en pijnloos te geschieden.

Artikel 4

  1. Alle wilde dieren hebben recht op vrijheid in hun natuurlijke omgeving, ongeacht of dat het land, de lucht of de zee is.

  1. Vrijheidsberoving, ook voor onderwijs- en wetenschapsdoeleinden, is een aantasting van dit recht, (ook moet men niet als doorvoerland fungeren).

Artikel 5

  1. Dieren van soorten die van oudsher in een menselijke omgeving leven (o.a. landbouwhuisdieren) hebben recht op leven en groei in hun eigen tempo, onder aangepaste levensomstandigheden.
  2. Elk ingrijpen van de mens uit winstbejag in dit tempo of in deze omstandigheden is een aantasting van dit recht.

Artikel 6

Het achterlaten van een dier is wreed en laag.

Artikel 7

Alle dieren voor de sport (o.a. duiven-, paardensport) hebben recht op een redelijke beperking van de duur en de zwaarte van hun werkzaamheden (doping), alsook op de nodige voeding en rust.

Artikel 8

  1. Dierproeven die fysiek of psychologisch lijden veroorzaken, zijn onverenigbaar met de rechten van het dier, ongeacht of het onderzoek van wetenschappelijk, medisch, commercieel of andere aard is.
  2. In dit verband dienen alternatieve methoden te worden ontwikkeld en toegepast.

Artikel 9

Dieren, die worden gebruikt voor de voedingsindustrie, dienen te worden gefokt, vervoerd, gehouden en gedood zonder hen lijden te berokkenen (o.a. slachthuizen en vivisectie).

Artikel 10

  1. Geen dier mag worden geŰxploiteerd tot vermaak van de mens (circus).
  2. Tentoonstellingen van en voorstellingen met dieren zouden eigenlijk verboden moeten zijn.

Artikel 11

Elk moedwillig doden van een dier is biocide, d.w.z. een misdaad tegen het leven (sportvissers, -jagers).

Artikel 12

  1. Elk massaal doden van wilde dieren is genocide, d.w.z. een misdaad tegen de soort.
  2. Verontreiniging van het natuurlijke milieu leidt tot genocide.

Artikel 13

  1. Dode dieren dienen niet vermalen te worden tot veevoer, maar ˛f begraven ˛f gecremeerd te worden.
  2. Geweldscenes waarbij dieren zijn betrokken, dienen van de film en de televisie te verdwijnen (wildwest), behoudens voor educatieve doeleinden.

Artikel 14

  1. Vertegenwoordigers van bewegingen ter bescherming van de rechten van het dier dienen op alle regeringsniveaus inspraak te hebben.
  2. De rechten van het dier behoren evenals de rechten van de mens, de wettelijke bescherming te genieten.

Tot zover de proclamatie.

Zie ook: