Wat is er mis met niet-grondgebonden veehouderij?

Wat is niet-grondgebonden veehouderij?

Een veehouderij is grondgebonden als het bedrijf genoeg eigen land heeft. Op dat land groeit het grootste deel van het voer. Daar gaat de mest van de dieren ook weer de grond in.

Bij niet-grondgebonden veehouderij staat er wel een stal met dieren, maar is er weinig of geen land. Het voer wordt gekocht. De mest moet naar andere boeren, naar een verwerker of naar het buitenland. Niet-grondgebonden betekent dus wel de lusten, maar niet de lasten.

De dieren in de intensieve veehouderij komen niet buiten. Daarmee is niet gezegd dat hun welzijn op andere punten per se te lijden heeft. In de praktijk is dat wel zo. Maar dat is niet structureel: het hangt af van het beleid van de individuele boer.

Om welke dieren en bedrijven gaat het?

Varkens, kippen en vleeskalveren worden in Nederland vooral gehouden op bedrijven met weinig of geen land. Op 1 april 2026 waren er 9,3 miljoen varkens, 41,8 miljoen vleeskuikens, 39 miljoen leghennen en 933.540 vleeskalveren (voorlopige cijfers). Zie het overzicht van de veestapel.

Aan de mest zie je hoe weinig land daarbij hoort. In 2024 moest 37,6 miljoen kilo fosfaat uit mest buiten de Nederlandse landbouw worden afgezet. Daarvan kwam 33,5 miljoen kilo uit varkens- en pluimveemest. Uit rundveemest kwam maar 3,1 miljoen kilo.

Melkkoeien eten veel gras van het eigen bedrijf. Toch houden ook veel melkveebedrijven meer dieren dan hun land aankan. In 2025 hadden 2.871 van de 12.386 melkveebedrijven 2,6 grootvee-eenheden of meer per hectare. Dat is bijna een kwart. Een grootvee-eenheid is één melkkoe; jongvee telt voor een deel mee. 38 melkveebedrijven hadden helemaal geen land.
Bronnen: CBS, landbouwtelling, mestafzet buiten de landbouw en melkveebedrijven naar GVE per hectare (juli 2026).

Wat is het bezwaar?

Het grootste bezwaar is dat niet-grondgebonden veehouderij de steunpilaar is van de overproductie in de veehouderij. Zonder grens aan het land kan een bedrijf steeds meer dieren houden. Die overproductie drukt de prijs van vlees, eieren en zuivel, in Nederland en in het buitenland. Daardoor maakt de diervriendelijkere grondgebonden veehouderij, zoals de biologische, minder kans. Het voordeel is voor de veehouder. De lasten liggen bij anderen.

Te veel mest

Niet-grondgebonden veehouders noemen het als voordeel dat hun mest gecontroleerd wordt opgevangen. Maar die mest verdwijnt niet. Hij wordt uitgereden op land elders, of verwerkt en geëxporteerd. In 2024 ging netto 28,3 miljoen kilo fosfaat uit mest naar het buitenland. De totale belasting van het milieu wordt niet kleiner, omdat er simpelweg te veel mest is. In 2025 lag de hoeveelheid fosfaat in mest nog 5% boven het wettelijke plafond. Sinds de derogatie per 1 januari 2026 is vervallen, moet er nog meer mest weg. Lees meer over het mestprobleem en het mestoverschot in Noord-Nederland.

Veevoer uit andere landen

Een ander genoemd voordeel is dat deze bedrijven weinig ruimte innemen. Ook dat is kortzichtig. Het voer groeit wel ergens, vaak in armere landen. Dat land kan daar beter gebruikt worden voor voedsel voor de mensen zelf. Nederland is de grootste importeur van soja in Europa. Bijna de helft komt uit Brazilië, waar sojateelt samengaat met het kappen van bos. Een deel daarvan komt in het veevoer terecht. In 2025 verkochten de Nederlandse veevoerbedrijven 10,66 miljoen ton mengvoer. Dat voer wordt over grote afstanden vervoerd. Ruimte besparen hier kost dus energie en ruimte elders. Lees meer over de veevoederindustrie.

Meer bedrijfsrisico

Een grondgebonden bedrijf kan zijn risico beter spreiden. Een gemengd bedrijf kan andere gewassen telen of een camping beginnen. Een varkensstal of kippenschuur bouw je niet zomaar om.

Grote gebouwen in het landschap

De schaarse ruimte in ons land wordt ingenomen door grote stallen. De gebouwen van de bio-industrie vallen uit de toon, op het platteland en op een bedrijventerrein. Aan de gebouwen zie je de goedkope manier van voedsel produceren.

Wat zeggen de regels nu?

  • Emissiearme stallen. Vroeger kreeg een stal met minder uitstoot van ammoniak een Groen Label. Sinds 2024 staan de grenswaarden voor de uitstoot van ammoniak en fijnstof in het Besluit activiteiten leefomgeving, onder de Omgevingswet. Een stal haalt die bijvoorbeeld met een luchtwasser. Dat maakt een stal schoner, maar niet grondgebonden.
  • Melkvee. Sinds 2016 geldt de Wet grondgebonden groei melkveehouderij. Een melkveehouder die meer fosfaat gaat produceren, moet die extra mest op eigen land kunnen gebruiken of laten verwerken. Sinds 2018 zijn er fosfaatrechten: daarmee ligt vast hoeveel melkvee er mag zijn.
  • Varkens en pluimvee. Varkens- en pluimveehouders hebben dierrechten nodig. Die begrenzen het aantal dieren, maar eisen geen land.
  • Een norm voor grondgebondenheid. Al in 2022 heeft Nederland de Europese Commissie toegezegd dat de melk- en rundveehouderij uiterlijk in 2032 grondgebonden is. Op 26 juni 2026 presenteerde het kabinet een norm voor de melkveehouderij: vanaf 2035 maximaal 2,6 grootvee-eenheden per hectare. Er komen tussenstappen in 2030 en 2032. Wie te weinig land heeft, mag samenwerken met akkerbouwers binnen 25 kilometer. Het parlement moet nog instemmen. De norm geldt alleen voor melkvee.
  • Uitkoopregelingen. Via de regelingen Lbv en Lbv-plus hadden in juli 2026 al 895 veehouders hun dieren weggedaan en hun mestopslag leeggemaakt. Ruim een derde daarvan waren varkenshouders (353). Dat maakt de veestapel kleiner. Maar de regelingen zijn bedoeld om de uitstoot van stikstof bij kwetsbare natuur te verlagen. Ze maken de overblijvende bedrijven niet grondgebonden.

Mestvergisting maakt een bedrijf niet grondgebonden

Pas op voor een redenering die intensieve veehouders soms gebruiken. Ze vergisten hun mest samen met maïs of een ander gewas van eigen land. Dat heet covergisting. Daarna noemen ze hun bedrijf grondgebonden. De regels staan dit toe. Wat er uit de vergister komt, telt als dierlijke mest als er minstens de helft mest in ging. Maïs die speciaal voor de vergister is geteeld, mag erbij.

Ondertussen komt de soja voor het varkensvoer nog steeds uit Zuid-Amerika. Het Nederlandse land wordt dan gebruikt voor maïs of tarwe voor de vergister, niet voor voer of voedsel.

Minder dieren, meer ruimte

Opdoeken van niet-grondgebonden veehouderij betekent minder mest, minder dierenleed en minder lelijkheid. Het betekent ook meer biodiversiteit. Mens en dier krijgen meer ruimte. Ook de boer krijgt weer lucht.

Bronnen: CBS (zie boven); CBS, dierlijke mest 2025 (juni 2026); veevoer en soja: zie Veevoer in 2026; IPLO, emissiearme stallen en covergisten; Tweede Kamer, Kamerstuk 36849 nr. 3 (afspraak 2032); ministerie van LVVN, plannen voor de melkveehouderij (26 juni 2026); Nieuwe Oogst, stand Lbv en Lbv-plus (23 juli 2026). Bijgewerkt op 13 oktober 2026.

Op het weblog staan meer artikelen over grondgebonden veehouderij.
Lees ook: Woordenlijst mestbeleid en stikstof en Aantal boeren en dieren in de bio-industrie.