De veevoederindustrie als stille kracht achter de schermen

Veevoederindustrie en de bio-industrie

De explosieve groei van het aantal varkenshouders in Brabant ging samen met het succesverhaal van de Nederlandse veevoederindustrie. Met goedkope tapioca uit Thailand, met geld van de Rabobank (toen nog Raiffeisen-Boerenleenbank) en met overheidssteun via WIR-premies slaagde zij erin een bloeiende varkensindustrie in het zuiden van het land op poten te zetten. Varkenshouders in Brabant hadden geen veevoer van eigen grond meer nodig, want ze konden het minstens zo goedkoop uit Thailand betrekken. Dat verklaart de opkomst van de gigantische niet-grondgebonden bio-industrie, die weinig meer problemen zag dan hoe ze van de mest af moest komen. De mest probeerde men te dumpen in de eigen omgeving, net tot aan de grens waar het niet schadelijk is, althans voor de gewassen (zoals maïs) die dit nog net aankunnen.

Onderwerpen
Veevoer in 2026
Risicoloos geld verdienen
Wie profiteert?
Vlees- en diermeelconsumptie, BSE en vCJD in diverse landen
Hoe zit het met verantwoordelijkheid?
De onbetaalde rekening van de Nederlandse veeteelt
Voordelen van regulering

Door de omvang die de veevoederindustrie kreeg, zat ons land rond 2000 met de gevolgen: milieuvervuiling, varkenspest en 400.000 hectare fosfaatverzadigde grond. Het indringende bewijs dat er verschil is tussen welvaart en welzijn.

Veevoer in 2026

  • In 2025 verkochten de Nederlandse veevoerbedrijven 10,66 miljoen ton mengvoer: 4 miljoen ton voor runderen, 3,4 miljoen ton voor varkens en 2,8 miljoen ton voor pluimvee. Dat is minder dan in eerdere jaren, omdat er door uitkoopregelingen minder varkens zijn.
  • Nederland is de grootste importeur van soja in Europa. Bijna de helft komt uit Brazilië, waar sojateelt samengaat met ontbossing van het Amazonegebied en de Cerrado. Een klein deel van die soja blijft in Nederland, vooral in veevoer. De rest gaat door naar andere landen.
  • Vanaf eind december 2026 moeten bedrijven die soja in de Europese Unie brengen bewijzen dat ervoor geen bos is gekapt. Die Europese ontbossingsverordening is al twee keer uitgesteld.
  • Sinds 2001 mag er in de Europese Unie geen diermeel meer in veevoer. Sinds 2021 mag dat weer gedeeltelijk: varkensmeel in kippenvoer en kippenmeel in varkensvoer. Voor koeien, schapen en geiten blijft het verbod gelden.

een megastal tegen de horizon

Risicoloos geld verdienen

Het leek zo mooi. De veevoederindustrie verleidde de varkenshouders stapje voor stapje om te kiezen voor de bio-industrie. Zo konden ze vlees produceren in grote aantallen, op plekken dicht bij de aanvoerlijnen, zodat het aantrekkelijk was om grote partijen veevoer af te zetten. Bedenk hoe dicht Brabant bij Rotterdam ligt. Winst maken is ook niet zo moeilijk. Omzet genereren en kosten verlagen is het devies.

De veevoederindustrie koopt in de derde wereld grondstoffen voor bodemprijzen en vervoert die zo goedkoop mogelijk naar Nederland. Elke cent per kilo die bij de inkoop of het transport wordt bespaard, levert bij een omzet van vele miljoenen tonnen per jaar miljoenen extra op, zonder investering of moeite: gratis en voor niets. Daardoor ontstond genoeg kapitaal om nog meer boeren in staat te stellen een varkenshouderij te beginnen. Bouwvakkers en kleine zandboeren konden zich binnen één varkenscyclus aan de armoede ontworstelen en probeerden letterlijk stinkend rijk te worden; diploma's waren niet nodig.

In haar proefschrift "Dynamiek en inertie rondom mestbeleid" (1993) schrijft Katrien Termeer dat 95% van de financiering in de varkenshouderij door de Rabobank werd gedaan. Zij schat de gemiddelde investering voor een gespecialiseerd bedrijf op ongeveer 1 miljoen gulden. De rol van het ministerie van Landbouw en Visserij beschrijft zij zo: "Boeren, je moet efficiënter gaan werken, je moet uitbreiden, durven investeren... Kom op jongens: uitbreiden, het goed met de sector, we liggen goed in de markt, meer varkens, meer productie" (p. 75).

Ook toen de tijden minder werden, waren er genoeg mogelijkheden om de business draaiende te houden. De veevoederindustrie had specialisten in dienst die een dagtaak hadden aan het zoeken van gaten in gemeentelijke milieuverordeningen, zodat varkenshouders uit Brabant elders in het land een nieuw bedrijf konden beginnen. Ook hielpen zij met andere kanten van zo'n verhuizing, zoals financiering zoeken en toestemming krijgen om te bouwen, zonder dure milieueffectrapportages.

Toen in 1997 de varkenspest uitbrak, boeren in paniek met varkens gingen schuiven en instanties besmet varkenssperma verspreidden, bleef de veevoederindustrie buiten schot. Zij had immers op zijn hoogst adviezen gegeven of de stallen gebouwd.

Wie profiteert van de hoge omzet en goedkope productiemethoden?

Landbouw en levensmiddelenindustrie

De landbouw en de levensmiddelenindustrie profiteren mee. Allerlei organische afvalproducten uit de levensmiddelenindustrie (zoals vet en citruspulp) kunnen "verantwoord" worden hergebruikt. Van pulp tot bulkvoer. Bovendien "ontlast" dit omscheppen en herscheppen het milieu. Soms worden stoffen gemengd om schadelijke stoffen te verdunnen, of worden stoffen bijgemengd die normaal niet in zuivere vorm aan vee worden gevoerd, bijvoorbeeld afgewerkt frietvet of slachtafval zoals beenderen. Soms raakt het voer vermengd met uiterst schadelijke stoffen als dioxine of hormonen. Om een dreigende crisis te bezweren, roept de sector dan om "certificering" en klaar is Kees.

Het ideaal van de procestechnologen van de veevoederindustrie is om – net als in de natuur – alle stoffen te hergebruiken, liefst met zo min mogelijk omwegen, volledig, snel en goedkoop. Het dier is daarbij van medewerker tot product geworden, "slachtoffer" van de welvaart.

Vleesverwerkende industrie en diermeel

Uiteraard profiteerde ook de vleesverwerkende industrie mee, zozeer zelfs dat slachtafval van dieren uit de bio-industrie, soms ook van zieke dieren, werd omgezet in voer voor andere dieren. Voor varkens en kippen was dit gewoon gemalen beender- en vismeel. Voor runderen doorliep het ingewikkelde chemische processen om tot eiwitrijk voer te worden opgewaardeerd. De planteneters waren als het ware tot kannibalen gemaakt. Zo kregen het varken en de herkauwende koe letterlijk een veekoekje van eigen vlees. Inmiddels weten we dat dit – net als in Engeland – de kans op BSE heeft vergroot. Maar zelfs op dit punt was het risico voor de veevoederindustrie klein om aansprakelijk te worden gesteld. Het is immers ook de verantwoordelijkheid van de veehouder welk voer hij koopt en aan zijn vee geeft; hij kon toch kiezen? Niet dus, als je geen voer op eigen grond kunt verbouwen, omdat je die grond niet bezit. De varkenshouder heeft zichzelf verplicht het vuile werk te doen en was in het mediacircus rond de vernietiging van de varkens bij de varkenspest de beklaagde. Net als zijn varkens zit hij volkomen in de tang van de veevoederindustrie en de vleesverwerkende industrie.

De consument merkte van dit alles weinig en leek onverschillig. De omzetting van voer in vlees gebeurt vrijwel helemaal achter de schermen. De kans dat een burger een wild zwijn ziet, is groter dan dat hij een van de bijna 10 miljoen tamme varkens in Nederland te zien krijgt.

Sinds het diermeelverbod van 2001 is het aantal BSE-gevallen sterk gedaald. In Nederland werden tussen 1997 en 2010 bij 88 runderen BSE vastgesteld; daarna niet meer. Drie Nederlanders kregen de variant van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob (vCJD), die mensen kunnen oplopen door het eten van besmet rundvlees. Ook die ziekte is in Nederland al meer dan tien jaar niet meer voorgekomen.

Vlees- en diermeelconsumptie, BSE en vCJD in diverse landen (stand 2002)

land aantal runderen in juni 2000 in miljoenen consumptie rundvlees in kilo's per hoofd van de bevolking productie dierlijk meel in 1000 ton over 1999 consumptie dierlijk meel in 1000 ton over 1999 totaal aantal BSE-gevallen vanaf 1987 aantal nieuwe CJD-gevallen (totaal na 1995)
Frankrijk 20,6 26,8 513 475 227 4
Duitsland 14,6 15,2 670 452 45
Verenigd Koninkrijk (UK) 11,3 19,7 75 75 180.866 106
Ierland 7,6 102 14 625 2
Italië 7,2 26,3 410 255 5
Spanje 6,1 15,7 366 376 30
Nederland 4,1 19,6 199 264 13 4
België 3 21,9 117 132 23
Denemarken 1,9 21,3 205 93 4
Argentinië 70,2
Uruguay 60,4
Verenigde Staten 45,3
Australië 40,2
Nieuw-Zeeland 34,1
Brazilië 32,3
Canada 32,1 1
Tsjechië 24,5
Portugal 15,2 522

Bron: ANP/AFP; cijfers februari 2002.

Op 4 december 2000 besloten de ministers van Landbouw van de EU om voor een half jaar (tot 1 juli 2001) alle diermeel in veevoer voor alle landbouwhuisdieren te verbieden. Begin 2001 werd dit tijdelijke verbod omgezet in een verbod voor onbepaalde tijd. Zo kon er geen diermeel meer per ongeluk via mengvoer voor varkens of pluimvee in het voer voor herkauwers terechtkomen. In 2021 werd het verbod voor varkens en pluimvee weer deels opgeheven (zie Veevoer in 2026).

Je vraagt je af waarom de veevoederindustrie het dier nog als tussenschakel in de voedselketen inzet. Als zij zo knap is, waarom maakt ze dan niet direct voedsel voor de mens van plantaardige grondstoffen? Het geheel is energetisch gezien een geweldige en onnodige omweg. Biologische landbouw heeft 30% minder opbrengst, maar daar staat tegenover dat vegetarisch voedsel 86% minder plantaardig voedsel kost dan vleesproductie.

Draagt de veevoederindustrie verantwoordelijkheid voor de gevolgen van de bio-industrie?

Volgens het principe "de vervuiler betaalt" zou de veevoederindustrie eigenlijk zoveel aan de kosten van de milieuproblemen moeten bijdragen als de werkelijke vervuiling kost. Ook voor het dierenwelzijn is de veevoederindustrie verantwoordelijk. Door welzijnsonvriendelijke bedrijven te steunen, bepaalt zij mee hoe het leven van het dier voor de slacht eruitziet. De veevoederindustrie, die ook belangen heeft in de stallenbouw, werkte graag mee aan het omzetten van milieuonvriendelijke stallen naar zogenoemde groenlabelstallen, de voorlopers van de huidige emissiearme stallen. Nog meer business. Bovendien was er Europese subsidie te krijgen als de varkenshouder zijn varkens ook nog een fractie meer ruimte gaf. Daarmee hoopte men tegemoet te komen aan eisen die het buitenland (Engeland) stelde om de varkens beter te behandelen. Omdat de stallen het milieu minder belastten, hoopte men dat de ellende rond de varkenspest snel door het publiek werd vergeten. Back to business en over welzijn hebben we het niet meer.

De bedrijfstak zou er beter aan doen om samen te werken met de biologische landbouw, die ecologisch verantwoord produceert en grondgebonden is: die verbouwt zelf het veevoer dat ze gebruikt en verwerkt de mest op eigen grond. Daarmee wordt ook de balans met de derde wereld verbeterd.

een megastal in Reiderland

De onbetaalde rekening van de Nederlandse veeteelt

Een verkenning naar de maatschappelijke kosten van de veeteeltsector

In opdracht van Milieudefensie heeft CE op basis van beschikbare literatuur geschat welke kosten de Nederlandse veehouderij op de maatschappij afwentelt. Deze 'onbetaalde rekening' bestaat vooral uit kosten van milieuschade die de sector veroorzaakt, zoals kosten voor drinkwaterzuivering, verdroging van natuurgebieden en stankoverlast.

In de tabel staat een ruwe schatting van de kosten die de Nederlandse veeteelt jaarlijks op de samenleving afwentelt. De totale maatschappelijke kosten van de Nederlandse veehouderij bedroegen in 2002 minstens 2,1 miljard euro. De werkelijke kosten liggen waarschijnlijk hoger, omdat er geen bronnen werden gevonden om het verlies aan biodiversiteit en ernstige stankhinder in geld uit te drukken.

Schatting van kosten die door de Nederlandse veehouderijsector worden afgewenteld op de Nederlandse maatschappij in 2002 (in miljoenen euro)
In mln euro
(Externe) kosten veehouderijsector in 2002
Kosten drinkwaterzuivering 12
Kosten ammoniakschade 1.210
Kosten (ernstige) geurhinder pm
Kosten verdroging natuurgebieden (waterhuishoudkundige maatregelen) 37
Kosten door bijdrage aan klimaatverandering 675
Kosten door verlies aan biodiversiteit pm
Kosten kwaliteitscontrole 90
Kosten van dierziekte-uitbraken 112
Totaal 2.136

Voordelen van regulering

Als de veevoederindustrie beter gereguleerd zou worden, kan een beter en op vermindering gericht inkoopbeleid worden gevoerd in de derde wereld. Supermarkten kunnen hier een positieve rol in spelen. Steun aan meer ecologische veeteelt zorgt voor minder mest, die bovendien van betere samenstelling is, omdat het veevoer verantwoorder is samengesteld (met zo weinig mogelijk of liever helemaal geen antibiotica). Dan kan ook worden voorkomen dat planteneters onverantwoord (slacht)afval krijgen en is er minder kans op BSE. Kortom, meerdere mestvliegen in één klap. Het is ook dan onvermijdelijk dat de veevoedersector meekrimpt. Als ecologische bedrijfsvoering meer verantwoord is, komen eerst die producten en activiteiten voor sanering in aanmerking die niet passen in lokale en verantwoorde kringlopen of die welzijnsonvriendelijke varkenshouders financieel en juridisch steunen.

Bronnen bij "Veevoer in 2026" en BSE: Nevedi, Beëindigingsregelingen zorgen voor verdere krimp mengvoerafzet in 2025; WWF, Feiten en fabels over soja; Rijksoverheid, Europese verordening ontbossingsvrije producten opnieuw een jaar uitgesteld (19 december 2025); Dier- en insectenmeel mogen weer in varkensvoer (2021); RIVM, Ziekte van Creutzfeldt-Jakob, variantvorm en Staat van Zoönosen 2019. Bijgewerkt in oktober 2026.