Wat vindt de veehouderij van dierenwelzijn? Een rapport uit 2005 in gewone taal

Hoe staat het er nu voor?

Het rapport hieronder is uit 2005. Toen dacht de sector dat beter dierenwelzijn vooral geld zou kosten. Wat is er sindsdien gebeurd?

Dierenwelzijn in 2026

  • Geen index, wel een keurmerk. Een dierenwelzijnsindex zoals in het rapport is er niet gekomen. In 2007 begon de Dierenbescherming met het Beter Leven-keurmerk. Met één tot drie sterren laat het zien hoeveel beter een dier het heeft gehad dan de wettelijke ondergrens. Het keurmerk is vrijwillig.
  • Niet de klant, maar de supermarkt. Sinds 2024 verkopen alle supermarkten vers alleen nog kip met minstens één ster. Dat besloten de supermarkten samen. Toch was in 2024 nog meer dan de helft van de vleeskuikens een snelle groeier. Van de vleesvarkens had in 2024 een op de vier één ster. Lees ook Informatie over herkomst vlees op verpakking is niet eenduidig
  • De overheid stelt nu eisen. In 2021 besloot de Tweede Kamer dat de veehouderij uiterlijk in 2040 dierwaardig moet zijn. Het kabinet stuurde de regels in september 2026 naar de Tweede Kamer. De eerste gaan naar verwachting in 2028 in. Lees wat er per diersoort verandert.
  • Een gelijk speelveld in de EU. De veehouders wilden dat iedereen in de EU meedoet. De Europese Commissie heeft voorstellen voor een kooiverbod aangekondigd. Die zijn nog niet aangenomen.

Het commentaar uit 2005 kreeg dus gelijk: zonder verplichting of een gezamenlijk besluit van de supermarkten verandert er weinig. Lees ook Waarom gaan verbeteringen van dierenwelzijn zo langzaam?

Bronnen: Dierenbescherming, Beter Leven; Wageningen Social & Economic Research, Pluimveevleessector in Nederland (december 2025); Pig Business, Een veranderend speelveld; Rijksoverheid, Dierenwelzijn in de veehouderij naar een hoger niveau (11 september 2026); Animal Law Europe (juli 2026). Bijgewerkt op 7 oktober 2026.

Het rapport uit 2005, alinea voor alinea

In juli 2005 bracht het Landbouw-Economisch Instituut (LEI) van Wageningen University & Research voor het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) een rapport uit. Het gaat over hoe de veehouderij denkt over dierenwelzijn. Het LEI heet nu Wageningen Social & Economic Research.

Ambtelijke en wetenschappelijke taal is niet voor iedereen makkelijk te lezen. Daarom staat hieronder steeds eerst een alinea uit de samenvatting van het rapport (in het witte vak) en daarna wat er in gewone taal staat.

Samenvatting

Deze studie geeft een beeld van de behoeften, wensen, verwachtingen, randvoorwaarden en eisen van veehouders, veehandelaren, groothandelaren, be- en verwerkende bedrijven en NGO's met betrekking tot een dierenwelzijnindex. Daarnaast is aandacht besteed aan de rol van ketensamenwerking bij de introductie en implementatie van een dierenwelzijnindex. Deze informatie is van belang voor de ontwikkeling van een dierenwelzijnindex en voor de introductie ervan.

In gewone taal: wie het dierenwelzijn wil verbeteren, heeft te maken met heel veel partijen die kunnen dwarsliggen.

Belangrijkste conclusies

Uit de bij overige ketenpartijen verkregen informatie blijkt dat groothandelaren bij de ontwikkeling en implementatie van de index geen actieve rol zullen spelen, maar alleen zullen reageren op marktsignalen en andere signalen.

In gewone taal: wie veel geld verdient aan de handel in dierlijke producten, komt alleen in beweging als er nog meer te verdienen valt.

De verwerkende bedrijven zijn eerder geneigd tot een pro-actieve opstelling. Dit geldt met name voor verwerkende bedrijven in de zuivel- en kalversector en in mindere mate voor de verwerkende bedrijven in de varkenssector.

In gewone taal: bedrijven die zelf geen moeite hoeven te doen voor beter dierenwelzijn (zoals slachterijen), zien er wel een kans in om wat extra te verdienen.

De ondervraagde NGO's inclusief de landbouworganisatie hebben behoefte aan een dierenwelzijnindex en zij verwachten dat de hieraan verbonden hogere kosten in de markt kunnen worden terugverdiend.

In gewone taal: organisaties die zich inzetten voor dierenwelzijn en milieu denken dat beter dierenwelzijn zichzelf kan terugverdienen.

De algemene verwachting van handelaren en verwerkende bedrijven is dat door de introductie van de dierenwelzijnindex de kosten zullen stijgen en dat samenwerking in ketenverband geen noodzaak is.

In gewone taal: zolang rekening houden met dierenwelzijn niet verplicht is en niet wordt gecontroleerd, steekt niemand er geld en moeite in.

Ook vragen een aantal groepen, met name in hieraan verbonden varkens-, rundvlees- en zuivelsector, zich af of dierenwelzijn wel in de markt te verwaarden is.

In gewone taal: valt er wel geld te verdienen aan beter dierenwelzijn?

Verder betwijfelen een aantal bedrijven uit de zuivelsector, de varkenssector en de kalversector of er in de markt ruimte is voor een extra label (keurmerk) op basis van dierenwelzijn. Overigens heeft ook de Consumentenbond geen behoefte aan een nieuw keurmerk op dit terrein.

In gewone taal: niemand denkt dat alle consumenten de labels serieus gaan lezen en hun aankopen laten afhangen van een keurmerk.

Handelaren en verwerkende bedrijven stellen een aantal randvoorwaarden aan de introductie van een dierenwelzijnindex, waaronder waarborging van de objectiviteit, wetenschappelijke onderbouwing van de index, maatschappelijk draagvlak en een 'level playing field'.

In gewone taal: bedrijven investeren pas in dierenwelzijn als anderen hebben bewezen dat het financieel uit kan.

Veehouders zien in overgrote meerderheid het belang van MVO en dierenwelzijn in, maar zijn veel minder overtuigd van het nut van een dierenwelzijnindex. De meeste van hen zijn er niet in geïnteresseerd, hebben er geen behoefte aan en willen er niet aan deelnemen. Het belang dat de veehouder hecht aan MVO heeft een significante invloed op het belang dat hij hecht aan dierenwelzijn en is groter als het belangrijkste motief voor MVO-gedrag berust op interne overwegingen (gunstige effecten voor bedrijf, zorgzaamheid, bereiken duurzaamheid). Tussen de belangen van MVO en dierenwelzijn en het belang dat de veehouder hecht aan een dierenwelzijnindex als middel om de consument een bewuste keuze te laten maken, bestaat geen relatie.

In gewone taal: veehouders voelen zich een beetje schuldig over het gebrek aan dierenwelzijn in hun sector. Maar ze zijn niet bang voor de mening van het grote publiek. Ze komen alleen in beweging als er geld te verdienen valt aan verbeteringen op hun bedrijf.

Terwijl tussen de behoefte aan, interesse in en deelname aan een dierenwelzijnindex en het belang dat de veehouder hecht aan dierenwelzijn een zeer zwakke relatie bestaat.

In gewone taal: een veehouder luistert alleen naar zijn geweten als het hem geen geld kost.

Het stimuleren van de dierenwelzijnindex bij hen vraagt dus een andere benadering dan via MVO-gedrag en het belang van dierenwelzijn. Bij invoering van een dierenwelzijnindex verwachten de veehouders een aantal veranderingen in de keten. Deze hebben met name betrekking op de noodzaak afspraken te maken met afnemers en leveranciers. Daardoor zullen ook de prijsvorming en de machtsverhoudingen binnen de keten beïnvloed worden. Voor de inkoop verwacht men verder een prijsverhogend effect en voor de afzet een beperking van de mogelijkheden om zelf een afnemer te kiezen.

In gewone taal: veehouders werken alleen mee als verbeteringen verplicht zijn en worden gecontroleerd. De hogere kosten moeten terugkomen in hogere prijzen voor hun producten.

Met name de verwachte noodzaak om vooraf afspraken te maken met leveranciers en afnemers is mede van invloed op de eisen en randvoorwaarden die veehouders aan een dierenwelzijnindex stellen. Gezien bovenstaande verwachtingen is het opvallend dat uit de analyse blijkt dat de relatie tussen ketensamenwerking en de verwaarding van dierenwelzijn zwak is (zie de tweede onderzoekvraag).

In gewone taal: boeren verwachten wel dat verbeteringen in dierenwelzijn effect hebben, maar niet dat andere partijen zich er actief voor inzetten.

Belangrijke eisen zijn: geen verhoging van de administratieve lasten en vrije keuze van leveranciers en afnemers. Voor een aantal veehouders is geen verhoging van de administratieve lasten geen eis maar een randvoorwaarde. Andere belangrijke randvoorwaarden zijn een naar rato hoge prijs in de markt en iedereen in de EU moet meedoen (level playing field).

In gewone taal: het mag de boeren geen geld, geen moeite en geen vrijheid kosten.

De huisvestingssystemen bij de meeste veehouders voldoen aan de voor 2005 geldende wettelijk normen; een aantal veehouders voldoet al aan de voor 2008 geformuleerde eindnormen. Op dit punt is geen belangrijke significante relatie met het belang dat de veehouder hecht aan MVO gevonden. In de afgelopen drie jaren hebben namelijk de meeste veehouders geïnvesteerd in nieuwe of verbeterde huisvestingssystemen. Hierbij is er ook geen relatie aangetoond met de grootte van het bedrijf als maatstaf voor de kansen op continuïteit.

In gewone taal: een veehouder verbetert het welzijn van zijn dieren alleen als dat moet of als het geld oplevert. Een boer wil blijven boeren, wat er ook gebeurt.

Verder geven nogal wat veehouders aan dat afnemers op dit moment al eisen stellen aan dierenwelzijn, maar het aantal dat afzet aan een groep die dierenwelzijn benadrukt in reclame en promotie is veel geringer. Een aantal afnemers stelt dus kennelijk wel eisen aan dierenwelzijn zonder die te gebruiken in hun promotie.

In gewone taal: niet iedereen loopt ermee te koop dat hij minder ver achterloopt in dierenwelzijn dan de rest.

Ten slotte blijken veel veehouders zich niet te realiseren dat voor het behalen van een hogere prijs in de markt, het niveau van dierenwelzijn herkenbaar moet zijn voor de consument. Het vrijwel ontbreken van relaties tussen het belang dat men hecht aan een dierenwelzijnindex en de communicatie en promotie van dierenwelzijn in de markt en de afzet via een samenwerkingsverband dat dierenwelzijn benut voor promotie is hieruit te verklaren.

In gewone taal: veehouders trekken zich al heel lang weinig aan van de mening van het grote publiek.

Bron: J.J. de Vlieger, S.T. Goddijn, H.H.W.J.M. Sengers, C.W.G. Wolf en P.T.M. Ingenbleek, Ketenpartijen over dierenwelzijn en een dierenwelzijnindex. Den Haag, LEI, 2005. Rapport 6.05.17, ISBN 90-8615-015-2.

Wat moet er gebeuren?

Het rapport geeft weinig hoop dat de vrije markt het dierenwelzijn verbetert. Daarom moet de politiek eerst de verleiding wegnemen om geld te verdienen aan het negeren van dierenwelzijn. Dat kan door de Nederlandse export van dierlijke producten te beëindigen. De productie die overblijft, moet worden beschermd tegen dieronvriendelijke import. Daarnaast moet de overheid diervriendelijk produceren verplicht stellen.

Op het weblog staan meer recente artikelen over dierenwelzijn.

Lees ook: Wat verlaagt het welzijn van landbouwhuisdieren?