Waar zitten de rechten? Bij de boer of bij de koe? |
|
Over de koe, het gewas en het verschil tussen dierrechten en dierenrechten Een eenvoudig schemaEen melkveehouder voert zijn koeien grondstoffen. Gras, maïs, krachtvoer. De koeien zetten die grondstoffen om in melk. Zij zijn in dit systeem productiemiddelen, net als de stal waarin ze staan en de robot die ze melkt. Wanneer een koe minder gaat produceren, gaat ze naar de slachterij. Daar wordt het dier afgebroken tot grondstoffen voor de verwerkende voedselindustrie, die ze vervolgens verwaardt. De melk gaat ondertussen naar de zuivelindustrie, die hetzelfde doet. De boer staat in het midden van dit systeem. Hij wordt ontzorgd: de stal, de melkinstallatie, de koeltank en het transport naar de fabriek worden voor hem geregeld en gefinancierd. Tegelijk staat hij onder druk. Via de melkprijs duwt de industrie hem richting zo goedkoop mogelijk produceren, zodat haar eigen marges ruim blijven. Wat de boer zelf nog werkelijk kiest, is of hij het voer naar de koe brengt of de koe naar het voer, de stal of de wei. Wie dit schema voor zich ziet, kan er een eenvoudige vraag bij stellen: waar zitten hier de rechten? Waarde overal, rechten op één plekEen veelgehoord antwoord in de dierenrechtenbeweging is dat dieren intrinsieke waarde hebben, waarde in zichzelf los van hun nut voor de mens. Daaruit zouden rechten volgen. De Nederlandse wetgever heeft dat begrip zelfs overgenomen: sinds 2013 staat in de Wet dieren dat de intrinsieke waarde van het dier wordt erkend. Leg dat begrip naast het schema en er gebeurt iets merkwaardigs. Alles in het schema draagt intrinsieke waarde: het gras, de koe in de stal en ook de grondstoffen die uit de slachterij komen. Dat is ook niet verkeerd, maar het betekent wel dat intrinsieke waarde geen onderscheid maakt tussen de levende koe en het product dat van haar overblijft. Daarom kan het geen dierenrechten dragen. Wat overal zit, trekt nergens een grens. Het tweede wat opvalt, is dat de wettelijke erkenning van die waarde niets heeft veranderd. Het systeem draait sinds 2013 precies zoals daarvoor. Die erkenning is een gewassen neus: ze ziet eruit als een recht, maar de koe kan er niets mee. Zij kan niet weigeren, niet weggaan en niet bepalen wanneer haar leven eindigt. Een melkkoe wordt gemiddeld rond haar zesde jaar geslacht, terwijl ze van nature tot twintig jaar kan leven. Het enige onderdeel van het schema dat wel rechten heeft, is de boer. Hij kan kiezen, protesteren, stoppen, verkopen, omschakelen. Hij heeft zelfs dierrechten: het recht om over zijn dieren te beschikken, ze te houden, te verkopen en te laten slachten. Dat is iets heel anders dan dierenrechten. Het ene woord mist maar twee letters, het verschil in betekenis is totaal. Zijn bewegingsruimte is krap, dat klopt. Het systeem verleidt hem tot schaalvergroting, investeringen en schulden die hem vervolgens vastzetten. Maar die krapte is het gevolg van keuzes die hij heeft gemaakt en die anders hadden gekund. De koe heeft nooit iets gekozen. Dierenrechten kunnen dus niet worden gedragen door intrinsieke waarde. Het begrip is in de jaren tachtig ingevoerd om een verandering in de omgang met dieren af te dwingen, zonder dat er een stevig principe onder lag. Het schema laat zien waarom het niet werkt. Is voelen dan de maatstaf?De voor de hand liggende vervanger is het vermogen om te voelen. De koe kan pijn lijden, angst ervaren en stress. Het gras kan dat niet. Daar zou het verschil zitten. Toch is ook dat een wankele basis. Wie voelen als maatstaf neemt, gaat onvermijdelijk meten hoeveel een dier voelt en hoe goed wij dat voelen kunnen herkennen. Een koe met grote ogen roept meer herkenning op dan een rat, een muis of een spin in dezelfde stal. Voelen als criterium glijdt daardoor snel af naar invoelbaarheid: dieren krijgen meer bescherming naarmate ze meer op ons lijken. Dat zegt meer over ons dan over het dier. Er is geen goede reden waarom de koe meer rechten zou hebben dan de muis die in haar voerbak scharrelt. Wat de koe doet en het gewas nietEr is een verschil tussen de koe en het gewas dat je niet hoeft af te leiden uit een binnenwereld die je nooit helemaal kunt kennen. Je kunt het gewoon zien. Een koe beweegt. Een plant beweegt alleen via haar zaden. De beweging van een dier is in de kern gericht op ontkomen. Een koe die in de wei loopt, houdt de omgeving in de gaten, schrikt, wijkt uit, vlucht. Dat geldt net zo goed voor de rat, de muis en de spin. Het hele lichaam van een dier is ingericht op het niet gegeten worden. Een plant doet in veel gevallen het omgekeerde. Een vrucht is er om gegeten te worden: ze lokt een eter, die de zaden meeneemt en elders achterlaat. Een plant kan bovendien delen verliezen en doorleven, uitlopen of zich verspreiden. Een dier dat gegeten wordt, is weg. Dat verschil is niet absoluut. Ook planten verdedigen zich, met doornen of bittere stoffen, en lang niet elk plantendeel dat wij eten is bedoeld om opgegeten te worden. Maar het verschil in richting is onmiskenbaar. Het dier zegt met zijn hele bestaan "nee" tegen opgegeten worden. De plant zegt dat veel minder en bij vruchten zegt ze zelfs "ja". Hier wordt het schema pijnlijk duidelijk. De koe in de stal kan niet meer weglopen. Het systeem moet eerst haar vermogen om te ontkomen uitschakelen, met hekken, stallen en een leven dat volledig is ingericht op productie, voordat het haar als productiemiddel kan gebruiken. Bij het gewas hoeft niets uitgeschakeld te worden. Van ontkomen naar vrijheidWat de koe in de stal wordt afgenomen, is dus niet in de eerste plaats waarde en ook niet in de eerste plaats welzijn. Het is vrijheid: de mogelijkheid om te bewegen, te ontwijken, te leven in een omgeving die bij haar past. Daar ligt een betere basis voor dierenrechten. Mens en dier zijn evenwaardig in hun recht op vrijheid in een leefomgeving die bij hen past. Dat recht hangt niet af van hoeveel waarde we iemand toekennen en ook niet van hoe goed we ons in iemands gevoel kunnen verplaatsen. Het hangt af van iets wat elk dier zelf laat zien: dat het wil kunnen gaan. Dat recht geldt voor de koe en voor de muis. Het maakt geen onderscheid tussen dieren die ons ontroeren en dieren die ons ergeren. Het verklaart ook waarom het gewas er niet onder valt: een plant die niet probeert te ontkomen, wordt door ons eten niet van haar vrijheid beroofd. Wat dit betekentVanuit dit uitgangspunt volgen drie conclusies. De eerste is dat de bio-industrie moet stoppen. Een systeem dat alleen werkt door dieren hun vermogen om te ontkomen af te nemen, is niet te verbeteren met grotere stallen of betere regels. Het probleem zit niet in de uitvoering maar in de constructie: het dier is productiemiddel. De tweede is dat dieren rechten moeten krijgen en dan niet het recht om goed behandeld te worden terwijl ze gebruikt worden. Het gaat om het recht om niet als productiemiddel te worden gehouden en om te leven in een omgeving die bij hen past. Dat vraagt dat de dierrechten van de mens plaatsmaken voor dierenrechten. Het is geen recht dat wij dieren uit welwillendheid geven. Het is de erkenning van wat ze zelf al laten zien. De derde is dat we moeten stoppen met het consumeren van dierlijke producten. Het systeem in het schema bestaat omdat er vraag is naar melk en vlees. Zolang die vraag er is, blijft de druk via de prijs bij de boer terechtkomen en via de boer bij de koe. Een kritische lezer zal zeggen dat ook akkerbouw dieren het leven kost: muizen bij de oogst, insecten bij de bestrijding. Dat klopt en het is geen reden om het af te doen. Maar het pleit juist voor planten. Van de Nederlandse landbouwgrond is ongeveer twee derde in gebruik voor gras en snijmaïs, voer voor vee. Wie de koe uit het schema haalt, heeft veel minder land nodig om mensen te voeden. Minder akkers betekent minder muizen onder de maaimachine en meer ruimte voor dieren om te leven waar ze thuishoren. Het schema zonder koeTeken het schema opnieuw, maar vervang de koe door een gewas. De boer brengt grondstoffen naar zijn akker, het gewas levert delen om te eten, de voedselindustrie verwaardt ze. De slachterij verdwijnt. De omweg waarbij voedsel eerst door een dier moet voordat het voedsel wordt, verdwijnt ook. Intrinsieke waarde zit nog steeds overal in dat schema, in het zaad, het gewas en het brood. Rechten zitten nog steeds alleen bij de boer, maar dierrechten heeft hij niet meer nodig. Er staat niemand meer in die probeert weg te komen en niet kan. Dat is het verschil dat ertoe doet. Lees ook: Op welk principe kunnen dierenrechten worden gebaseerd?; Koe in de wei: verdient de boer een vergoeding voor weidegang? |
