In 2003 schreven we op hoe intensieve veehouders zelf over hun toekomst dachten. De concurrentie uit het buitenland was groot. Hoe zagen ze hun eigen bedrijf over tien of twintig jaar? Animal Freedom onderschrijft hun standpunten niet. Maar het is leerzaam om ze naast de feiten van nu te leggen.
"Een veehouder is een ondernemer"
Toen: De sector dacht eerst aan omzet, winst en kostprijs. Dierenwelzijn mocht, als het de kostprijs niet verhoogde. Biologisch boeren werd alleen overwogen als het op lange termijn rendeerde. Men was trots op het eigen product en vond de eigen bedrijfsvoering beter dan die in het buitenland.
Nu: Biologisch is nog altijd klein: 4,8 procent van de landbouwgrond in 2025. Het doel van de overheid is 15 procent in 2030. Dierenwelzijn komt er vooral als het moet. In juni 2025 presenteerde het kabinet verplichte welzijnseisen voor varkens, runderen, kalveren en pluimvee. In september 2026 gingen die naar de Tweede Kamer. De eerste gaan naar verwachting in 2028 in.
"Export houdt ons scherp"
Toen: Export zou dwingen tot strenge kwaliteitseisen. Goedkoop vlees uit het buitenland vond de sector geen ramp, zolang de eigen productie maar ergens ter wereld werd verkocht.
Nu: Nog steeds gaat ongeveer driekwart van het Nederlandse varkensvlees naar het buitenland, van het pluimveevlees ongeveer de helft. Een handvol bedrijven verdient daaraan. Het hele complex rond de intensieve veehouderij levert 0,9 procent van ons bbp op. De schade aan gezondheid, natuur en klimaat kost ons minstens 9 miljard euro per jaar. Netto kost de bio-industrie ons land dus geld. Per saldo draagt het daarom niet bij aan de economie.
"Minder regels"
Toen: Nederland moest niet voorop lopen met strengere regels dan het buitenland. Vergunningen stonden uitbreiding in de weg. De sector wilde minder regels in ruil voor meer eigen verantwoordelijkheid. Regels voor mesttransport kostten geld en mochten weg.
Nu: Het liep anders. In mei 2019 oordeelde de Raad van State dat de stikstofaanpak van de overheid (de PAS) niet deugde. Sindsdien staat uitbreiding op veel plekken stil. De overheid koopt veehouders uit: met de saneringsregeling voor de varkenshouderij stopten 277 varkenshouders. Via de uitkoopregelingen Lbv en Lbv-plus hadden in januari 2026 nog eens 811 veehouders hun dieren weggedaan. In 2026 zijn er 9,3 miljoen varkens op ongeveer 2.300 bedrijven.
"Wie stopt, is een concurrent minder"
Toen: Veehouders keken nauwlettend wie het redde en wie niet. Wie stopte, was een concurrent minder. Tegelijk had men elkaar nodig, want zonder genoeg bedrijven in de buurt verdwijnen slachterijen, veevoerbedrijven en dierenartsen. Die concentratie maakt de kans op grote uitbraken van dierziekten wel groter.
Nu: Het aantal landbouwbedrijven is gehalveerd: van 97.400 in 2000 naar ongeveer 49.000 in 2025. De bedrijven die overbleven, werden groter. De concentratie in de Gelderse Vallei, Brabant en Limburg is gebleven.
"De supermarkt is de onzekere factor"
Toen: De sector vestigde zijn hoop op de slachterijen en zuivelfabrieken. De inkoper van de supermarkt was de grote onzekere factor, want die kon overal ter wereld inkopen.
Nu: De supermarkten bepalen inderdaad mee. Sinds 2024 verkopen ze vers alleen nog kip met minstens één ster van het Beter Leven-keurmerk. Maar buiten het verse schap, in de export, restaurants en bewerkte producten, gaat de gewone snelgroeiende kip gewoon door.
Het debat van minister Veerman
In het najaar van 2003 organiseerde minister Veerman een maatschappelijk debat over de toekomst van de intensieve veehouderij. Hij legde de samenleving zeven dilemma's voor. Hij wilde minder dieren en alleen produceren voor de regio: binnen 500 kilometer rond Utrecht. Maar geld om bedrijven uit te kopen was er niet. Ook wilde hij de keten niet dwingen. Het bleef bij een moreel appèl.
Ruim twintig jaar later is de veestapel kleiner, maar de export is gebleven. Uitgekocht wordt er wel, maar om stikstof, niet om de dieren.
Wat leert dit ons?
De sector wilde doorgaan op de oude voet: veel produceren, met minder regels. De verantwoordelijkheid werd doorgeschoven naar de consument: "de klant vraagt en wij leveren". In mindere tijden probeert men het zo lang mogelijk uit te zingen, omdat er zwaar is geïnvesteerd.
Maar de klant betaalt twee keer: aan de kassa en via de belasting. De rekening voor stikstof, mest en dierziekten komt bij de samenleving terecht. Failliet gaan is een bedrijfsrisico. Waarom zou de samenleving een sector blijven steunen die vooral voor het buitenland produceert?
De oplossing is het opgeven van de export van vlees en zuivel en het krimpen van de veestapel. Lees ook over de spraakverwarring tussen sector, overheid en consument. Op een andere pagina staat hoe de sector aanstuurt op de status quo.
Lees ook
Bronnen: CBS, biologische landbouw (april 2026), landbouwbedrijven 2000–2025 (mei 2026) en landbouwtelling 2026; Rijksoverheid, AMvB Dierwaardige Veehouderij (juni 2025); COV, export varkensvlees; Raad van State, PAS-uitspraak (29 mei 2019); Nieuwe Oogst, stand Lbv en Lbv-plus (16 januari 2026); MKBA intensieve veehouderij (2023); WUR, pluimveevleessector (december 2025). Bijgewerkt op 9 oktober 2026. |