|
Dit stuk schreef Animal Freedom rond het jaar 2000. Toen leek het een utopie om de bio-industrie terug te dringen. Inmiddels is een deel van wat we toen voorstelden gewoon beleid geworden. De kern van het verhaal is nog altijd actueel.
Wat is er sinds 2000 veranderd?
- Productierechten worden opgekocht. Wat we hieronder voorstellen, gebeurt: met de saneringsregeling voor de varkenshouderij (Srv) stopten 277 varkenshouders. Ruim 580.000 varkensrechten werden doorgehaald. Met de uitkoopregeling Lbv-plus waren begin 2026 nog eens ruim 800 veehouders gestopt.
- De reden is vooral stikstof, niet het dier. De regelingen moeten de uitstoot bij natuurgebieden verminderen. Voor de dieren is het vooral winst dat er minder in de stallen staan.
- Er is een doel voor 2040. De Wet dieren schrijft voor dat dieren dan hun natuurlijke gedrag moeten kunnen vertonen. De eerste regels gaan naar verwachting in 2028 in. Lees meer in Waarom gaan verbeteringen van dierenwelzijn zo langzaam?
- Er staan nog steeds enorm veel dieren. Nederland telt in 2026 ongeveer 9,3 miljoen varkens en 41,8 miljoen vleeskuikens. Het hele complex rond de intensieve veehouderij levert maar 0,9 procent van ons bbp op: ongeveer 9 miljard euro per jaar. De schade aan gezondheid, natuur en klimaat is minstens even groot. Volgens een maatschappelijke kosten-batenanalyse uit 2023 van econoom Max van der Sleen en Ecorys, in opdracht van milieuclub MOB, kost de intensieve veehouderij ons minstens 9 miljard euro per jaar aan schade door fijnstof, ammoniak en broeikasgassen. Dat is ruim 500 euro per Nederlander. De schade aan het water is daarin nog niet eens meegeteld. De veehouderij zelf levert volgens dezelfde analyse maar zo'n 3 miljard euro per jaar op. Netto kost de bio-industrie ons land dus geld. Per saldo draagt het daarom niet bij aan de economie. Lees meer in Boeren produceren voor de export: sluit de grenzen.
Kan de schaalvergroting worden teruggedraaid?
De bio-industrie bestaat nog niet zo lang. Zeker niet in de huidige omvang. Welke factoren hebben deze ontwikkeling bevorderd? De bio-industrie is een samenspel van een aantal ontwikkelingen en spelers.
De spelers: veevoer, bank en veehouder
Allereerst is er de veevoederindustrie. Die heeft er belang bij zoveel mogelijk veevoer tegen zo laag mogelijke kosten af te zetten. Met grote varkens- en kippenstallen kan een veevoedervrachtwagen efficiënt rijden. De veevoederbedrijven maakten het de veehouder bovendien gemakkelijk om een intensieve veehouderij te starten. Ze hielpen met het financieren en bouwen van de stal en met de vergunningen. De veehouder hoefde als het ware alleen nog zijn handtekening te zetten.
De banken waren maar al te bereid om geld te lenen. Het gaat om enorme bedragen, voor een moderne stal al snel miljoenen. De rente die dat oplevert, spekt de bank. Voor de veehouder is het vervolgens zaak om zoveel mogelijk dieren in zo kort mogelijke tijd groot te brengen. Alleen met een zo groot mogelijke omzet kan hij zijn schulden aflossen.
Alle partijen lijken hetzelfde doel te hebben: "big business", efficiënt produceren. Alleen de dieren zijn de dupe. Het milieu ook, wanneer de mest op het land komt tot het maximum dat de bodem kan verwerken en vaak nog verder. De bijna maniakale drang tot groeien om het groeien werd treffend beschreven in het Agrarisch Dagblad van 24 september 1997, onder de titel "Groei is voor Van den Boomen vanzelfsprekend":
"Groei was in de omgeving van Asten altijd vanzelfsprekend. Als een jaar de prijzen goed waren, werd het jaar daarop een stal bijgebouwd." "Je was een 'wijker' als je niet aan deze schaalvergroting meedeed. En niemand wilde in deze macho-cultuur als 'wijker' in de hoek worden gezet."
Zie ook de column Brabant Blues. Door de grote aantallen dieren die maar kort op het bedrijf blijven, heeft de veehouder steeds minder band met zijn dieren. Het zal hem letterlijk en figuurlijk worst zijn. De dieren worden productiemiddelen. Hun welzijn wordt teruggebracht tot de grens waarop het lijden niet direct zichtbaar is en die nog kostentechnisch verantwoord is. Of zoals de ondernemersvisie van Frans van den Boomen in hetzelfde artikel luidde: "een kwalitatief hoog en gezond kuiken produceren tegen een lage kostprijs. Daarvoor moet je blijven investeren; steeds verder de bedrijven optimaliseren."
De overheid: een dubbele rol
De rol van de overheid is dubbel. Aan de ene kant levert de export van varkensvlees en pluimveeproducten geld op. Aan de andere kant draait de overheid op voor het beperken van de schade aan het milieu. Ondertussen bepalen steeds minder, steeds grotere bedrijven in de voedsel- en veevoederindustrie hoe het er op de markt aan toegaat. De overheid geeft de controle over deze bedrijven steeds meer uit handen.
De consument: minder invloed dan je denkt
De invloed van de consument is beperkt. Zelfs als iedereen in Nederland biologische eieren of vlees met een keurmerk zou kopen, houdt de export de bio-industrie rendabel. Een groot deel van wat hier wordt geproduceerd, wordt in het buitenland gegeten. Die buitenlandse consumenten hebben nauwelijks besef van hoe het leven van de dieren in de Nederlandse stallen eruitziet.
Zowel de overheid als de meeste consumenten hebben boter op hun hoofd. Ze bedrijven liever struisvogelpolitiek. Via subsidies en via de kosten van milieuschade en dierziekten betaalt de belastingbetaler al een flink deel van de prijs van vlees en zuivel. Daardoor lijkt een eerlijke prijs voor verantwoord voedsel onaantrekkelijk duur. Lees meer in Stop sponsoring van dierenleed via de EU.
Controle: te weinig en te laat
Door de neiging tot ongebreidelde groei komt het belang van het dier letterlijk in de knel. Rond 2000 werd een varkenshouder volgens de toenmalige Algemene Inspectiedienst gemiddeld maar één keer in de zeventien jaar op dierenwelzijn gecontroleerd. De meerderheid van de varkenshouders overtrad toen een of meer regels. Tegenwoordig doet de NVWA de controles: in 2025 waren dat 4.418 inspecties bij ongeveer 3.100 bedrijven. Op het totale aantal veehouderijen is dat nog steeds weinig. |