Vijf bezwaren tegen de bio-industrie op een rij

De bio-industrie heeft veel nadelen

De intensieve veehouderij levert goedkoop vlees, zuivel en eieren. Maar de rekening wordt elders betaald: door de dieren, door omwonenden, door de natuur en door mensen ver weg. Hier zetten we de bezwaren op een rij.

1. Ethiek en dierenwelzijn

Vrijheid is volgens Animal Freedom een grondrecht voor mens én dier.

Wordt dit grondrecht geschaad door dieren in extreme mate te beperken in hun vrijheid om natuurlijk gedrag te vertonen, dan wordt het welzijn van het dier geschaad. Door de intense verveling en het gebrek aan ruimte om elkaar te ontlopen, worden dieren agressief. Lees hoe vooral varkens, kippen en koeien (kalveren), maar ook minder voor de hand liggende diersoorten tekort worden gedaan.

Nederland produceert veel meer dan het zelf gebruikt: in 2024 bijna drie keer zoveel varkensvlees en anderhalf keer zoveel kippenvlees. Het grootste deel gaat naar het buitenland. Als overmatig producent dwingt Nederland andere landen om mee te gaan in dezelfde goedkope productie die ten koste gaat van het welzijn van dieren.

2. Volksgezondheid

Door overmatig gebruik van antibiotica in de veehouderij ontstaan resistente bacteriën waartegen geen medicijn meer helpt. Volgens de Autoriteit Diergeneesmiddelen is de verkoop van antibiotica voor landbouwhuisdieren sinds 2009 met 77 procent gedaald. Antibiotica als groeibevorderaar zijn sinds 2006 verboden, maar wij betwijfelen of dat gebruik werkelijk is gestopt (is het antibioticagebruik wel afgenomen?). Ook kunnen er resten van diergeneesmiddelen in vlees achterblijven.

Waar veel dieren dicht op elkaar leven, kunnen ziekten van dier op mens overspringen. Tussen 2007 en 2010 werden ruim 4.000 mensen ziek door Q-koorts, die van geitenhouderijen kwam. Volgens schattingen raakten zo'n 50.000 mensen besmet en zijn er sinds 2007 ongeveer honderd mensen aan overleden. Mensen die binnen twee kilometer van een geitenhouderij wonen, hebben ook nu nog vaker longontsteking (RIVM, onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden). En elke uitbraak van vogelgriep vergroot de kans dat het virus zich aanpast aan de mens.

Stof uit de stallen bevat endotoxinen: resten van bacteriën die de longen irriteren. Varkens- en pluimveehouders hebben er vaak last van. Bovendien vormt ammoniak uit de veehouderij samen met stikstofoxiden uit verkeer en industrie fijnstof dat over het hele land verspreid wordt.

3. Wereldvoedselproductie en klimaat

Landbouwgrond in arme landen wordt gebruikt om voer te telen voor dieren in onze bio-industrie in plaats van voedsel voor de lokale bevolking. Lokale economieën raken verstoord. Door de sterke uitbreiding van de sojateelt voor veevoer zijn miljoenen boeren van hun land verdreven. Om te overleven moesten velen nieuw land ontginnen in waardevolle natuurgebieden. Zo draagt de veevoederindustrie direct bij aan het verdwijnen van onder meer tropisch regenwoud.

De wereldwijde veehouderij is volgens de FAO verantwoordelijk voor ongeveer 12 procent van alle broeikasgassen die door mensen worden uitgestoten. Eerdere schattingen van de FAO kwamen op 14,5 procent (2013) en 18 procent (2006).

Sinds je deze pagina opende, is er in het Braziliaanse Amazonegebied ongeveer 0 hectare bos gekapt. Sinds 1 januari van dit jaar is dat ongeveer 0 hectare.

Gerekend met het tempo van augustus 2024 tot en met juli 2025: 5.796 vierkante kilometer per jaar (PRODES), het laagste in elf jaar. Rond 2004 was het bijna vijf keer zoveel. Het bos wordt vooral gekapt voor weidegrond voor runderen en voor de teelt van soja.

Landschapspijn

4. Woongenot

De stank uit de stallen en van uitgereden mest en het lawaai van ventilatoren en machines vergallen het woongenot van omwonenden. Vooral in het vroege voorjaar, als de mest uit de opslag over het land wordt uitgereden, hebben omwonenden last van (soms ernstige) prikkeling van de luchtwegen.

Rond 1994 had 18 procent van de Nederlanders last van stank uit de landbouw, rond 2010 nog ongeveer 9 procent. Dat komt door een kleinere veestapel en doordat mest in de grond moet worden gebracht. Maar in gebieden met veel veehouderij, zoals de Peel, is de stank nog altijd een groot probleem.

Luchtwassers (filters op de luchtkokers van de stallen) zijn niet zaligmakend. Onderzoek van Wageningen University & Research bij 48 luchtwassers liet zien dat combi-luchtwassers in de praktijk gemiddeld maar 40 procent van de geur en 59 procent van de ammoniak tegenhielden, veel minder dan op papier. Koeienstallen zijn om de warmte af te voeren gewoon open aan de bovenkant en de zijkant.

De ammoniak uit de mest kan via de lucht of het grondwater de groei van gewassen in nabijgelegen (moes)tuinen schaden of ze vies laten smaken. Onderzoeksbureau CE in Delft berekende dat alleen al de schade door ammoniak en de kosten van het zuiveren van drinkwater in 2002 ruim 1,2 miljard euro per jaar bedroegen.

De landbouw stoot relatief het meeste stikstof uit

5. Landschap en soortenrijkdom

Grote bedrijven verdringen kleine boeren. Door monoculturen (zoals voergras en voermaïs), zware metalen in de mest en overbemesting in het algemeen verarmen de natuur en het landschap en raken bodem en grondwater vervuild. In 2024 kreeg nog maar 31 procent van de stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden niet meer stikstof dan ze kan verdragen.

Koeien worden steeds vaker binnen gehouden voor een hogere productie en om de mest op te vangen. In 2024 kwam bijna een derde van de melkkoeien nooit in de wei (zie de koe in de wei). Voergras moet worden gemaaid, wat in het voorjaar veel legsels, jonge vogels en hazen het leven kost. De grutto ging van ongeveer 120.000 broedparen rond 1975 naar zo'n 26.000 in 2025.

We hebben indringende foto's en korte video's van de misstanden in de bio-industrie. Het platteland wordt steeds meer bepaald door megastallen. Op deze pagina gaan we dieper in op wat er mis is in de bio-industrie en de visindustrie.

Mest(uitrijden)

Als koeien buiten lopen, komt de mest gelijkmatig, in kleine hoeveelheden en over een veel langere periode op het land terecht. De jonge dieren die zich in de wei schuilhouden, blijven dan in leven. Bovendien ontstaat er buiten veel minder ammoniak, omdat mest en urine niet samen in een put terechtkomen. Juist de vermenging van mest en urine in de mestkelder onder de stal vormt ammoniak.

Mest uit de stal wordt uitgereden, vaak in grotere hoeveelheden dan het land kan verwerken. Door uitspoeling komt het overschot in het milieu en het grondwater terecht. Sinds de Europese uitzondering (derogatie) op 1 januari 2026 is vervallen, is het mestoverschot nog veel groter geworden. Drijfmest mag vanaf half februari op grasland worden gebracht, zie de uitrijregels.

Bronnen: Autoriteit Diergeneesmiddelen (SDa), Het gebruik van antibiotica bij landbouwhuisdieren in 2025 (juni 2026); RIVM, Q-koorts en Resultaten VGO-III; FAO, Pathways towards lower emissions (2023); INPE/PRODES via Mongabay (oktober 2025); RIVM, Minder geurhinder maar doel blijft buiten bereik; WUR, Combi-luchtwassers, varkenshouderijen en geurhinder; RIVM, stikstofdepositie 2024; CBS, weidegang 2024; Sovon. Bijgewerkt in oktober 2026.