De eerste aantoonbare relatie van de wolf met de mens is omstreeks 10.000 tot 15.000 jaar geleden, hoewel sommige recente archeologische vondsten suggereren dat deze band mogelijk al 30.000 jaar geleden ontstond. Fossiele resten van hondachtige dieren zijn gevonden in Siberië, het Midden-Oosten en Europa, wat aangeeft dat de domesticatie mogelijk op meerdere plaatsen tegelijk plaatsvond. Het is niet zeker of de mens naar de wolf is gekomen of andersom, maar de meest aanvaarde theorie is dat het een geleidelijk proces was van wederzijdse aanpassing.
Beiden hadden profijt van de ontstane situatie: de wolf werd door de mens gebruikt bij de jacht, waarbij zijn scherpe zintuigen en snelheid onmisbaar waren voor het opsporen en achtervolgen van wild. Daarnaast werd de hond ingezet voor het bijeenhouden van de kudde, het bewaken van eigendommen en om te waarschuwen tegen vijanden of roofdieren. Archeologisch bewijs toont aan dat vroege honden ook werden gebruikt om sleden te trekken in koude gebieden. De mens zorgde er op zijn beurt voor dat de wolf altijd te eten kreeg, bescherming had tegen andere roofdieren en een veilige plek om te rusten.
De wolf is een erg sociaal dier. Hij leeft, net als de mens, in groepsverband (roedel genoemd), met een sociale rangorde, waarbij bepaalde wolven het leiderschap op zich nemen. Deze natuurlijke hiërarchie maakte communicatie tussen mens en hond mogelijk, omdat beide soorten begrijpen hoe een sociale structuur werkt. Interessant is dat honden in de loop van duizenden jaren evolutie het vermogen hebben ontwikkeld om menselijke gezichtsuitdrukkingen en gebaren te interpreteren - iets wat wolven nauwelijks kunnen. Dit maakt het dier mogelijk en aantrekkelijk als gezelschapsdier, waarbij de wolf de mens als leider beschouwde.
Men begon andere eisen aan het gedrag en het uiterlijk van de wolf te stellen. Selectieve fokkerij zorgde ervoor dat bepaalde eigenschappen werden versterkt: sommige honden werden kleiner en speelser, andere juist groter en beschermender. In verschillende culturen ontwikkelden zich gespecialiseerde hondenrassen voor specifieke taken. Zo ontstonden jachthonden in Europa, herdershonden in Azië en waakhonden in het Midden-Oosten. Opvallend is dat tijdens dit domesticatieproces ook fysieke veranderingen optraden: honden kregen slappere oren, krullende staarten en gevlekte vachten - kenmerken die zelden voorkomen bij wilde wolven.
Tijdens de middeleeuwen gingen mensen de hond als een soort statussymbool beschouwen. Adellijke families hielden specifieke rassen aan voor de jacht en vertoon, waarbij het bezit van bepaalde honden je sociale positie aanduidden. Kleine schoothondjes werden populair bij de Europese adel, terwijl grote jachthonden zoals windhonden waren voorbehouden aan de elite. De hond verschafte de mens aanzien en werd zelfs afgebeeld in familieportretten en wapenschilden.
Sindsdien begon het aantal hondenrassen enorm toe te nemen. Waar er rond 1800 slechts enkele tientallen erkende rassen waren, zijn er nu wereldwijd meer dan 400 officieel erkende hondenrassen. Honden werden gefokt op grootte, lengte, kleur, kop, gedrag en aaibaarheid. Van de minuscule Chihuahua van slechts 1,5 kilogram tot de imposante Sint-Bernard van wel 90 kilogram - de diversiteit binnen één diersoort is buitengewoon. Modern genetisch onderzoek heeft aangetoond dat deze enorme variatie in slechts enkele duizenden jaren tot stand is gekomen, wat de hond tot een van de meest succesvolle voorbeelden maakt van door de mens geleide evolutie. Dit gebeurt vandaag de dag nog steeds, waarbij fokkers streven naar zowel gezondheid en welzijn als specifieke raskenmerken.
Zo komen we bij de hond van nu. |